RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440507 / JE RK 25-1778
Datum uitspraak: 14 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. mr. R.W. de Gruijl uit Rotterdam, ter zitting waargenomen door
mr. J. Koenen.
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar zij heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
2. De feiten
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 februari 2025 onder meer bepaald dat [minderjarige] tot 21 februari 2026 onder toezicht wordt gesteld van de GI. Bij beschikking van 8 september 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de met het gezag belaste vader tot 21 februari 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI voor zover het betreft de aanmelding bij een onderwijsinstelling ( [basisschool] te [plaats 1] ) en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Namens de GI is naar voren gebracht dat de samenwerking met de moeder moeizaam verloopt. De GI heeft op 5 augustus 2025 een schriftelijke aanwijzing uitgevaardigd waarin van de moeder wordt verlangd dat zij meewerkt met de ondertoezichtstelling, verschijnt bij gemaakte afspraken en in gesprek gaat met de jeugdbeschermer. Op 28 augustus 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging uithuisplaatsing afgegeven om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag. Deze plaatsing duurt nog altijd voort. Sinds de plaatsing bij de vader gaat [minderjarige] evenwel niet naar school. Zij volgt momenteel enkele uren per dag online onderwijs bij haar huidige school in [plaats 2] . Het is voor de vader niet haalbaar om [minderjarige] iedere dag op en neer te brengen van [plaats 1] naar [plaats 2] . [minderjarige] zit momenteel in groep 8 en het is van belang, mede voor de niveaubepaling voor het voortgezet onderwijs, dat zij deel kan nemen aan het volledige lesprogramma. Daarnaast is het van belang dat zij contact kan onderhouden met haar leeftijdgenootjes. De moeder is meermalen per mail verzocht om mee te werken aan een inschrijving van [minderjarige] op een bassischool te [plaats 1] ( [basisschool] ). De moeder heeft uiteindelijk laten weten niet in te stemmen met een inschrijving van [minderjarige] aldaar. De moeder is wel bereid mee te werken aan een inschrijving op een andere basisschool in [plaats 2] waarbij [persoon] doordeweeks bij haar zou kunnen verblijven. De GI heeft nog gepoogd om leerlingenvervoer te regelen vanuit het adres van de vader naar de huidige school in [plaats 2] , maar ook dit heeft de moeder geweigerd, waardoor dit niet van de grond is gekomen. Dat was overigens slechts een tijdelijke oplossing vanuit de gemeente, in afwachting van inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in [plaats 1] . Nu de moeder weigert mee te werken ziet de GI zich genoodzaakt dit verzoek voor te leggen aan de kinderrechter. Tot slot merkt de GI op dat de moeder ook het contactherstel met [minderjarige] bemoeilijkt, in die zin dat zij niet kan instemmen met een begeleid contact door [praktijk] . De GI vindt het echter wel belangrijk dat er begeleide contacten plaatsvinden dus zij zal deze voorlopig zelf begeleiden tot er een instantie wordt gevonden die deze rol kan overnemen. Het eerste begeleide contact tussen de moeder en [minderjarige] (en haar [broertje] ) staat gepland op 18 november 2025.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat het volgen van thuisonderwijs geen passende oplossing is. Wat de moeder betreft gaat [minderjarige] terug naar haar huidige basisschool in [plaats 2] (of een andere basisschool in [plaats 2] ) om daar het huidige schooljaar af te maken. De moeder betwist het weigeren van leerlingenvervoer, de gemeente heeft gezegd dat dit niet kon. Overigens is de moeder van mening dat de reisafstand niet zodanig groot is dat de vader die niet voor zijn rekening zou kunnen nemen. In dat kader merkt de moeder op dat zij bereid is om mede het halen en brengen van [minderjarige] voor haar rekening te nemen en [minderjarige] te helpen met haar huiswerk. De moeder vindt een wisseling van school in de huidige periode niet in het belang van [minderjarige] . Binnenkort zal de Cito-toets (doorstroomtoets) worden afgenomen en dat moet in een voorspelbare omgeving gebeuren. Als [minderjarige] nu wordt overgeplaatst naar een andere school dan gaat zij een onrustige periode tegemoet waarbij ze moet wennen aan nieuwe leerlingen en leerkrachten. Daarnaast betekent een overplaatsing naar een nieuwe school in een andere stad opnieuw een onthechting van [minderjarige] . De moeder komt hierdoor op afstand te staan en dit komt de band die zij hebben niet ten goede. De moeder verzoekt het verzoek van de GI af te wijzen en de GI de opdracht te geven om te onderzoeken wat er voor nodig is om [minderjarige] op haar huidige school in [plaats 2] te laten blijven.
De vader heeft ter zitting verklaard dat hij niet blij is met deze situatie. De moeder is een strijd aan het voeren over alles en zij blijft daarmee doorgaan. Het enige wat zij wil is winnen, ten koste van de kinderen. Ze voert strijd met de GI en heeft ook al een schoolverbod gehad voor de huidige school van [minderjarige] . De moeder biedt aan om [minderjarige] te halen en te brengen maar ze heeft niet eens een auto. [minderjarige] moet zo snel mogelijk worden ingeschreven op de basisschool in [plaats 1] .
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat het gezag van de ouders over [minderjarige] gedeeltelijk wordt beperkt en in plaats daarvan wordt uitgeoefend door de GI. De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom toewijzen. Deze beslissing geldt voor de duur van de uithuisplaatsing, dus tot 21 februari 2026 (artikel 1:265e Burgerlijk Wetboek). Ook geldt de gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI alleen voor de toestemming voor de aanmelding van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling (te weten, bij [basisschool] te [plaats 1] ). De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Middels een beschikking van deze rechtbank verblijft [minderjarige] sinds 28 augustus 2025 bij haar vader in [plaats 1] . [minderjarige] staat momenteel nog ingeschreven op haar huidige basisschool in [plaats 2] . Sinds de uithuisplaatsing gaat zij niet naar school, maar kan zij ook niet worden ingeschreven op een andere school omdat de moeder daarvoor geen toestemming wil verlenen. Dit geeft problemen in de schoolgang van [minderjarige] . Zij zit momenteel in groep 8 en volgt op dit moment online onderwijs gedurende enkele uren per dag. Gelet op haar ontwikkeling en het feit dat de doorstroomtoets binnen afzienbare tijd zal worden afgenomen is die situatie niet passend. [minderjarige] is leerplichtig en moet naar school. Dit is niet alleen in het belang van haar cognitieve ontwikkeling, maar ook in sociaal-emotioneel opzicht. Niet kan worden verlangd dat zij, nu zij bij haar vader verblijft, iedere dag op en neer naar [plaats 2] wordt gebracht om naar school te gaan. Dit is voor de vader niet haalbaar. Het is ook van belang dat zij in haar huidige woonplaats contact kan hebben met leeftijdsgenoten. De oplossing die de moeder voorstelt, te weten dat zij gedeeltelijk het halen en brengen op zich zal nemen is tevens geen optie nu voorlopig door de GI is bepaald dat de omgangsmomenten begeleid dienen plaats te vinden. De kinderrechter dient de situatie te beoordelen naar de huidige omstandigheden en dat is dat [minderjarige] vooralsnog, in ieder geval een substantieel deel van het huidige schooljaar, bij haar vader in [plaats 1] zal wonen. Het is dan ook belangrijk dat haar schoolgang in die omgeving zal plaatsvinden. [minderjarige] mag niet de dupe worden van de strijd die op dit moment speelt en de kinderrechter zal dan ook bepalen dat het verzoek van de GI wordt toegewezen zodat [minderjarige] zo snel als mogelijk kan worden ingeschreven op een basisschool in haar huidige woonplaats.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
belast Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur, met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 21 februari 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025 door mr Jansen, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.