ECLI:NL:RBZWB:2025:8127

ECLI:NL:RBZWB:2025:8127, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 05-11-2025, 11502943 CV EXPL 25-398 (E)

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 05-11-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer 11502943 CV EXPL 25-398 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

Overeenkomst van opdracht. Eiseres vordert betaling van haar declaratie, te vermeerderen met rente en kosten. Gedaagde voert voor alle weren aan dat een overeenkomst tot arbitrage tussen partijen is gesloten, zodat de kantonrechter zich onbevoegd moet verklaren. De kantonrechter stelt vast dat er een overeenkomst tot arbitrage tussen partijen is overeengekomen, zodat zij zich onbevoegd acht van de zaak kennis te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 11502943 CV EXPL 25-398

vonnis d.d. 5 november 2025

inzake

[B.V.] ,

statutair gevestigd te [plaats 1] ,

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

gemachtigde: Agin Timmermans Gerechtsdeurwaarders te Bergen op Zoom,

tegen

[persoon] ,

wonende te [plaats 2] op een geheim adres,

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [B.V.] ” en “ [persoon] ”.

1. De zaak in het kort

[B.V.] vordert betaling van haar declaratie, te vermeerderen met rente en kosten. [persoon] voert voor alle weren aan dat een overeenkomst tot arbitrage tussen partijen is gesloten, zodat de kantonrechter zich onbevoegd moet verklaren. De kantonrechter stelt vast dat er een overeenkomst tot arbitrage tussen partijen is overeengekomen, zodat zij zich onbevoegd acht van de zaak kennis te nemen.

2. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 9 januari 2025 met producties;

b. de incidentele conclusie inhoudende het verweer van onbevoegdheid van 26 februari 2025 met producties;

c. de conclusie van antwoord in het incident van 26 maart 2025.

3. De vaststaande feiten

Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [B.V.] werkzaamheden voor [persoon] heeft verricht in het kader van de herstructurering van de onderneming van [persoon] .

In de algemene voorwaarden van [B.V.] is onder andere opgenomen:

“(…) Artikel 8 Toepasselijk recht, klachten- en geschillenregeling, geschillenbeslechting

Op de opdracht, de dienstverlening en de eventuele aansprakelijkstelling is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

Op de dienstverlening door de notaris is tevens de klachten- en geschillenregeling notariaat van toepassing.

Als de Opdrachtgever klachten heeft over het door [B.V.] uitgevoerde werk, of over de door [B.V.] ingediende declaratie, zal hij deze eerst melden bij de klachtenfunctionaris van [B.V.]. Een klachtenregeling is opvraagbaar bij [B.V.].

Indien de klacht door [B.V.] naar de mening van de Opdrachtgever niet of niet op voldoende bevredigende wijze wordt behandeld, dan heeft de Opdrachtgever de mogelijkheid zich te wenden tot, voor zover het een klacht betreft als bedoeld in het Reglement Geschillencommissie Notariaat, de Geschillencommissie van de KNB of, voor zover het betreft een tuchtklacht, de desbetreffende Kamer voor het Notariaat (zie ook www.knb.nl en www.degeschillencommissie.nl). De Opdrachtgever is ook bevoegd zich tot de burgerlijke rechter te wenden.

Voor beslechting van geschillen door de burgerlijke rechter is uitsluitend de Nederlandse rechter van de woonplaats van [B.V.] bevoegd, met dien verstande dat de Opdrachtgever overeenkomstig de voorgaande leden ook gerechtigd is zich tot de Geschillencommissie te wenden. (…)”.

Op 29 december 2023 heeft [B.V.] een bedrag van € 3.206,50 (inclusief btw) bij [persoon] in rekening gebracht. [persoon] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

In 2024 heeft [B.V.] de factuur overgedragen aan Ultimoo Incasso. [persoon] heeft in oktober 2024 hiertegen bezwaar gemaakt en geklaagd dat [B.V.] daarmee haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden.

Op 7 januari 2025 bericht [persoon] aan [B.V.] met in de cc het e-mailadres van de klachtenbemiddeling bij de KNB: “(…) Zeer spijtig hoe dit loopt. Ik vraag de klachtenbemiddeling van de KNB via deze e-mail te interveniëren. (…)”.

Op 9 januari 2025 heeft [B.V.] de dagvaarding in de onderhavige zaak laten uitbrengen aan [persoon] .

Op 10 januari 2025 bericht [B.V.] onder andere aan [persoon] : “(…) Inmiddels zijn we in januari 2025 aanbeland en begrijp ik dat u graag zou willen overleggen over de in rekening gebrachte kosten naar aanleiding van de ontvangen dagvaarding. (…) Wanneer wij vóór 18 januari a.s. een volledige betaling ontvangen van onze declaratie (…) zullen wij de incasso stopzetten en deze kosten voor onze rekening nemen. Wanneer wij voor genoemde datum van 18 januari geen volledige betaling van onze declaratie hebben ontvangen zie ik mij genoodzaakt de procedure verder af te wachten. (…)”.

Op 17 januari 2025 bericht [persoon] aan [B.V.] : “(…) Dit voorstel tot een regeling is voor mij te mager. De geheimhouding, de kern van het ambt is door je geschonden.

Ik stel voor dat we kijken of een reele oplossing mogelijk is, of dat ik een procedure bij de geschillencommissie moet starten en een klachtprocedure moet starten.

Daarnaast ben ik van mening dat de declaratie excessief ten opzichte van wat tot zover is geleverd; tussentijds in het geheel kan dat anders gezien worden, maar gelet op de opzegging van de overeenkomst van opdracht is die excessief.

Ik verneem graag of de klachtenbemiddeling van de KNB in deze iets kan betekenen. (…)”.

Op 21 januari 2025 om 09:55 uur bericht [B.V.] aan [persoon] : “(…) Gezien het feit dat u niet kunt instemmen met het door mij gedane voorstel verzoek ik u uw klacht zo spoedig mogelijk voor te leggen aan de klachtencommissie van onze beroepsorganisatie, de KNB.

Zoals aangegeven in mijn e-mail van 10 januari jl. zal ik de verdere procesgang verder afwachten, ook naar aanleiding van de eerder uitgebrachte dagvaarding. (…)”.

Op 21 januari 2025 om 10:03 uur bericht [persoon] onder andere aan [B.V.] : “(…) Ik zal een procedure starten bij de geschillencommissie rondom de declaraties. Ter zake het schenden van de geheimhouding, zal ik de reguliere klachtprocedure doorlopen en als dat niet leidt tot een behoorlijke oplossing, de zaak voorleggen aan de Kamer.

Uit jouw e-mail meen ik ook te moeten begrijpen dat jij niet open staat voor bemiddeling door de KNB. Begrijp ik dat juist? (…)”.

Namens [B.V.] wordt op 21 januari 2025 om 10:14 uur als volgt op voornoemd bericht gereageerd: “(…) Uiteraard sta ik open voor bemiddeling door de KNB. Vandaar ook mijn verzoek aan u in mijn onderstaande e-mail om dit geschil zo spoedig mogelijk bij de geschillencommissie voor te leggen. (…)”.

Op 27 januari 2025 heeft de geschillencommissie van de KNB de ontvangst van de klacht van [persoon] bevestigd. Dit bericht heeft [persoon] op dezelfde dag aan [B.V.] toegestuurd.

4. Het geschil

In de hoofdzaak:

[B.V.] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [persoon] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.856,93, te vermeerderen met de contractuele rente en proceskosten.

[persoon] heeft nog geen verweer gevoerd.

In het incident:

[persoon] heeft de kantonrechter verzocht om zich in deze zaak onbevoegd te verklaren, omdat er tussen partijen een overeenkomst tot arbitrage is overeengekomen en er inmiddels een arbitrageprocedure is gestart.

[B.V.] concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident. Zij voert aan dat de onderhavige procedure al aanhangig was, zodat [persoon] niet meer bevoegd was een arbitrageprocedure te starten. Bovendien is een klacht pas aanhangig bij de geschillencommissie als de klacht is ingediend en het klachtengeld op tijd is betaald. Dit laatste is niet het geval. Naar mening van [B.V.] is [persoon] niet van plan zijn klacht te laten behandelen door de geschillencommissie. Hij gebruikt de klacht alleen om de kantonrechter zich onbevoegd te laten verklaren en laat de klacht bij de geschillencommissie waarschijnlijk een “stille dood” sterven. Hij maakt dan ook misbruik van procesrecht. [B.V.] vraagt de incidentele vordering af te wijzen met veroordeling van [persoon] in de proceskosten.

5. De beoordeling

In het incident en de hoofdzaak:

In artikel 1022 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is opgenomen dat de rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd verklaart, indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.

[B.V.] heeft niet betwist dat er tussen partijen een overeenkomst tot arbitrage is overeengekomen. Evenmin heeft zij gesteld dat de overeenkomst ongeldig is. Zij stelt dat [persoon] niet meer bevoegd was een klacht bij de geschillencommissie in te dienen of dat hij – kort gezegd – niet-ontvankelijk is in zijn klacht.

De kantonrechter is van oordeel dat het voorgaande er niet aan afdoet dat er een overeenkomst tot arbitrage is gesloten tussen partijen, waarvan niet gesteld of gebleken is dat deze ongeldig is. Hiermee wordt al voldaan aan het vereiste van artikel 1022 Rv, zodat de kantonrechter zich niet bevoegd zal verklaren. Het is immers niet aan de kantonrechter om te beoordelen of de geschillencommissie [persoon] bevoegd acht om zijn klacht in te dienen of dat de geschillencommissie zijn klacht (niet) in behandeling zal nemen. Dit is voorbehouden aan de geschillencommissie.

De stelling van [B.V.] , dat [persoon] misbruik van procesrecht maakt, maakt het voorgaande niet anders. Ook als die stelling wordt gezien als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek. De enkele verwachting aan de zijde van [B.V.] , dat [persoon] zijn klacht niet zal doorzetten, is onvoldoende om artikel 1022 Rv buiten beschouwing te laten. Daarbij volgt uit artikel 8 van de algemene voorwaarden van [B.V.] een recht op arbitrage, zodat [persoon] bevoegd is daar gebruik van te maken. Tot slot staat het ook [B.V.] vrij om zelf een procedure bij de geschillencommissie te starten.

De kantonrechter zal zich dan ook onbevoegd verklaren. De incidentele vordering wordt toegewezen.

[B.V.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Omdat [persoon] zonder gemachtigde procedeert, worden deze begroot op nihil.

6. De beslissing

De kantonrechter:

In het incident en de hoofdzaak:

wijst de incidentele vordering toe en verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen;

veroordeelt [B.V.] in de proceskosten, begroot op nihil;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van ‘t Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?