RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440420 / JE RK 25-1765
Datum uitspraak: 6 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende te [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 september 2025;
de op 20 oktober 2025 door de GI ingediende toetsingsbrief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 20 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de pleegouders;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft sinds augustus 2022 bij de pleegouders.
De GI heeft op 7 juli 2023 het (perspectief)besluit genomen dat wat de GI betreft [minderjarige] blijft opgroeien binnen het huidige pleeggezin.
Bij beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 17 november 2024 verlengd tot 17 november 2025.
Bij brief van 20 oktober 2025 heeft de Raad aan de kinderrechter gevraagd om de uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden te verlengen, zodat de Raad een onderzoek naar een gezagsbeëindiging kan doen.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat bij de moeder sprake is van multi-problematiek. De moeder kent een belast verleden. Zij is een lieve vrouw, waarbij geen sprake is van niet willen, maar van niet kunnen. Het is lastig om met de moeder in contact te komen. Zo heeft de moeder al maandenlang geen telefoon meer. Het is daarom eens temeer lastig om van de moeder informatie te kunnen ontvangen en besluiten te kunnen nemen over [minderjarige] . Een inschrijving van [minderjarige] op een school heeft daardoor te lang op zich laten wachten. Onlangs is de partner van moeder bij haar ingetrokken. Sindsdien zijn de problemen enkel toegenomen. Zo is sprake van middelengebruik en kent de moeder een achterstand met de betalingen van de huur. Van een huisuitzetting is geen sprake meer.
Dit alles neemt volgens de GI niet weg dat zij met de moeder goed in gesprek kan komen, maar dat zij niet verder komt.
[minderjarige] ontwikkelt zich intussen bij pleegouders in positieve zin. Met haar moeder heeft zij eenmaal per twee maanden omgang, hetgeen goed verloopt.
De GI geeft aan dat de Raad onderzoek gaat doen naar de mogelijkheden voor een thuisplaatsing van [minderjarige] en naar een gezagsbeëindiging en dat het verzoek daartoe harerzijds aan de Raad wat te lang op zich heeft laten wachten. Omdat de moeder op zich aan alles goed meewerkt, maakt dat het wat lastig. Naar verwachting van de GI zal het onderzoek van de Raad zo’n twee maanden in beslag nemen.
De pleegouders beamen dat [minderjarige] zich in positieve zin ontwikkelt en dat de (begeleide) omgang tussen de moeder en [minderjarige] altijd goed verloopt. De pleegouders geven verder aan dat [minderjarige] bij hen kan blijven wonen, zolang dat in het belang van de [minderjarige] noodzakelijk zal zijn. Met het verzoek van de GI stemmen zij in.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. De kinderrechter overweegt hiertoe dat [minderjarige] zich bij pleegouders nog steeds in positieve zin ontwikkelt en dat de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek op dit moment niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te kunnen nemen. Nog steeds is het niet de verwachting dat de moeder dit binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn wel zal kunnen. Inmiddels is al weer geruime periode geleden door de GI besloten dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder ligt, maar bij de huidige pleegouders. Gebleken is dat de Raad onderzoek gaat doen naar de mogelijkheden voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en naar een beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] . Dit leidt ertoe dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. Nu nog onduidelijk is hoe lang het onderzoek van de Raad zal duren en vervolgens op een eventueel verzoek van de Raad een beslissing zal zijn genomen, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de verzochte duur.
De beslissing zal, gezien de aard daarvan, in het belang van [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 17 november 2025 tot 17 november 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 17 november 2025 tot 17 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 20 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.