RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441249 / JE RK 25-1919
Datum uitspraak: 6 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen. De vader evenmin. Hij heeft middels een e-mailbericht laten weten dat hij wegens ziekte niet naar de zitting kan komen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Echter heeft hij op 5 november 2025 geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid voor een gesprek met de kinderrechter.
2. De feiten
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de moeder.
De ouders en [minderjarige] hebben allen de Nederlandse nationaliteit.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige] vanaf het begin van het vorige schooljaar amper op school is geweest en hij op dit moment helemaal geen onderwijs meer volgt. [minderjarige] is daarvoor niet gemotiveerd. Geheel onbekend is met wie [minderjarige] omgaat. De moeder heeft daar geen zicht op. De oudere broer van [minderjarige] is bekend met strafrechtelijke zaken. Het vermoeden van de jeugdreclassering is dat [minderjarige] ook omgaat met personen die een slechte invloed op hem hebben. Een zorg is ook dat de vader en [minderjarige] geen enkel contact met elkaar hebben. Het is de Raad tijdens het onderzoek niet precies duidelijk geworden waarom dat contact ontbreekt. Ook zijn er zorgen over mentale problemen bij [minderjarige] (suïcidaliteit). Mogelijk dat [minderjarige] zich door zijn vader afgewezen voelt. De moeder ziet deze zorgen niet, maar de hulpverlening wel. Door de afwijzende houding van de moeder en [minderjarige] en de onbereikbaarheid van de vader heeft de inzet van hulpverlening op vrijwillige basis geen effect kunnen sorteren. De Raad ziet dat door de hulpverlening en door de jeugdreclassering in het verleden onvoldoende is doorgepakt, waardoor op dit moment tot aan de meerderjarige leeftijd van [minderjarige] nog weinig tijd resteert. De zorgen zijn groot en de Raad hoopt daarom dat binnen een ondertoezichtstelling alsnog een en ander kan worden bereikt. De Raad handhaaft daarom ter zitting zijn verzoek.
De GI stelt enerzijds vast dat de zorgen over [minderjarige] een ondertoezichtstelling rechtvaardigen, maar dat er anderzijds (te) weinig tijd resteert om binnen die maatregel de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen gaan afwenden. Naar de mening van de GI geldt dit eens temeer daar er vanwege de wachtlijst niet meteen een vaste jeugdbeschermer beschikbaar zal zijn en bovendien met de kerstdagen nog enige tijd verloren zal gaan. Hierbij komt volgens de GI dat een eerdere maatregel van ondertoezichtstelling van [minderjarige] in het verleden, alsook de inzet van de jeugdreclassering en vanuit Self, tot onvoldoende (blijvend) resultaat hebben geleid.
De GI refereert zich ten aanzien van het verzoek aan het oordeel van de kinderrechter.
5. De beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting overweegt de kinderrechter dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] groot zijn. Zo gaat hij al geruime periode niet meer naar school en is niet de verwachting dat dat op termijn wel het geval zal zijn. Ook zijn er zorgen met wie [minderjarige] buitenshuis omgaat.
De moeder heeft daarop geen zicht en het vermoeden (van de jeugdreclassering) is dat [minderjarige] zich dan inlaat met vrienden die een verkeerde invloed op hem hebben, waarbij er de zorg bestaat dat hij met politie en justitie in aanraking zal komen. Een andere zorg is het geheel ontbrekende contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Waarom dit contact ontbreekt is de Raad in het onderzoek niet duidelijk geworden. Wel is ook voldoende duidelijk geworden dat [minderjarige] ook mentale problemen kent, mogelijk omdat hij zich door zijn vader afgewezen voelt.
Gelet op deze zorgen wordt [minderjarige] ernstig in zijn sociaal-emotionele, cognitieve en identiteitsontwikkeling bedreigd. Hulpverlening binnen het vrijwillige kader, alsook de inzet van de jeugdreclassering, hebben deze ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] niet kunnen doen afwenden. Hieruit volgt dat is voldaan aan het wettelijk criterium genoemd in artikel 1:255 BW. Met de Raad en de GI ziet de kinderrechter in dat tot aan de meerderjarige leeftijd van [minderjarige] weinig tijd resteert om de ontwikkeling van [minderjarige] nog ten positieve te kunnen keren. Gezien de ernst van de zorgen ziet de kinderrechter echter voldoende aanleiding om het verzoek toe te wijzen en [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de verzochte duur.
Als hulpverleningsdoelen worden aangemerkt:
- [minderjarige] schrijft zich in voor een opleiding en gaat volgens lesrooster naar school;
- [minderjarige] heeft een zinvolle dagbesteding zolang hij niet naar school gaat;
- [minderjarige] heeft inzicht in zijn mentale gezondheid en hoe hier mee om te gaan;
- [minderjarige] heeft ouders die zicht op hem hebben en aansluiten bij wat hij nodig heeft;
- [minderjarige] en ouders accepteren de nodig geachte hulpverlening.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 6 november 2025 tot 6 mei 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 20 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.