RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de korpschef van politie, de korpschef.
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3212
(gemachtigde: mr. S. Sabir),
en
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van 8 februari 2024 (bestreden besluit) op het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Eiser is het niet eens met de beslissing op het verzoek en heeft hiertegen rechtsreeks een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is, maar dat wel sprake is van twee motiveringsgebreken, omdat de korpschef in het bestreden besluit de zoekslag en de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Beide motiveringsgebreken kunnen worden gepasseerd, omdat de korpschef deze gebreken heeft hersteld door in beroep alsnog een toelichting te geven en omdat eiser niet is benadeeld door het ontbreken van de motivering. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een verzoek ingediend om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van de Wpg. De korpschef heeft met het besluit van 8 februari 2024 op het verzoek beslist.
Eiser heeft rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De korpschef heeft de gegevens waarvan de inzage (deels) is geweigerd met een verzoek om beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank toegezonden. In een beslissing van 6 augustus 2024 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van BVH/Summ-it documenten (bijlage 2 bij het verweerschrift van 19 juli 2024) gerechtvaardigd is. Eiser heeft toestemming gegeven om de niet-openbaar gemaakte stukken te gebruiken bij de beoordeling van het beroep.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens de korpschef mr. [naam 1] en drs. [naam 2].
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Eiser ervaart problemen tijdens het reizen uit en naar het buitenland. Van eiser is op 27 mei 2020 een SIS-II signalering gemaakt, omdat hij contact zou hebben gehad met een CTER-subject. De politie wilde monitoren of eiser niet CTER-waardig was. Omdat er geen verdacht gedrag is gesignaleerd, is de signalering op 19 mei 2022 ingetrokken. Op 20 december 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en meerdere partijen, onder wie de Nationale Politie, waarbij onder andere dit is besproken.
Eiser heeft op 5 januari 2023 een verzoek ingediend tot inzage in zijn verwerkte persoonsgegevens. Dit verzoek heeft hij op 12 januari 2023 aangevuld. Met het besluit van 30 januari 2023 heeft de korpschef medegedeeld dat geen persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt. Tegen dit besluit heeft eiser op 17 maart 2023 beroep ingesteld.
De korpschef heeft op 12 mei 2023 aan eiser medegedeeld dat bij het intrekken van de SIS-signalering van eiser is nagelaten de Interpol diffusion mede in te trekken. Deze is alsnog direct ingetrokken. De korpschef heeft op 14 juni 2023 aan eiser medegedeeld naar welke landen de Interpol diffusion is verzonden.
Eiser heeft op 22 juni 2023 fysiek inzage gehad in de van hem verwerkte persoonsgegevens op het regiokantoor Zeeland-West-Brabant in [plaats] . Daarbij waren meerdere passages/gegevens weggelakt.
De rechtbank heeft het besluit van 30 januari 2023 vernietigd in de uitspraak van 14 september 2023 vanwege diverse gebreken, onder meer omdat is gebleken dat van eiser wel persoonsgegevens zijn verwerkt. De rechtbank heeft de korpschef de opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag. Daarbij diende ook aandacht te worden besteed aan hetgeen is besproken tijdens het overleg op 22 juni 2023, de documenten die op dat moment aan eiser zijn getoond en hetgeen hij daarover heeft opgemerkt. De korpschef moest van de rechtbank zo nodig per document of onderdeel daarvan beoordelen en motiveren of verdere inzage mogelijk is.
Op 8 februari 2024 heeft de korpschef een nieuwe beslissing op het verzoek genomen. Tegen deze nieuwe beslissing heeft eiser beroep ingesteld.
Het bestreden besluit
4. De korpschef heeft met het bestreden besluit van 8 februari 2024 een nieuwe beslissing op het verzoek genomen op grond van artikel 25 van de Wpg. Hierin staat onder andere vermeld dat eiser niet is gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS) en systeem Executie & Signalering (E&S). De korpschef schrijft dat dit betekent dat in Nederland en de Schengenlanden geen verzoek tot opsporing of verwijdering aanhangig is. Op grond van deze informatie kan de korpschef niet zeggen of eiser in een nationaal opsporingsregister is opgenomen van een ander Schengenland. De korpschef kan niet in deze systemen kijken. Eerder is wel sprake geweest van een SIS en E&S registratie en stond er een Interpol diffusion uit.
De korpschef heeft op 22 juni 2023 persoonsgegevens aan eiser getoond uit het politiesysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH). Dit systeem bevat informatie over incidenten die op de politie afkomen en de acties die daaruit volgen. Daarnaast zijn persoonsgegevens getoond uit het systeem Summ-it. Voor een deel van de gegevens wordt inzage door de korpschef geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b (opsporingsbelang) en d (bescherming van derden) van de Wpg. Ook heeft de korpschef inzage van gegevens over derden aan eiser onthouden, omdat de Wpg enkel ziet op inzage in eigen persoonsgegevens en niet op de persoonsgegevens van derden of op die gegevens die te herleiden zijn tot een derde.
Verder heeft de korpschef in het bestreden besluit antwoord gegeven op door eiser gestelde vragen.
Toetsingskader
5. De relevante wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Gegevens die zijn verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaak moeten worden aangemerkt als politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. Voor de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg volgt dat degene op wie een politiegegeven betrekking heeft in beginsel recht heeft op kennisneming van die gegevens met het oog op de uitoefening van zijn rechten tot verbetering of verwijdering van die gegevens. Het inzagerecht ziet op inzage in de politiegegevens van de verzoeker en niet van anderen.
Het recht op kennisneming van de politiegegevens is geen absoluut recht. Het kan worden beperkt als dit in een democratische rechtsorde noodzakelijk is in het belang van, onder andere, de bestrijding van strafbare feiten. Uit artikel 27, eerste lid, van de Wpg volgt dat een verzoek om kennisneming van politiegegevens wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is vanwege de in die bepaling vermelde belangen, waaronder (b) ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen en (d) ter bescherming van rechten en vrijheden van derden. Aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg moet een belangenafweging ten grondslag liggen.
Is de zoekslag volledig en is inzage verleend in alle verwerkte persoonsgegevens?
6. Eiser stelt dat evident nog steeds geen volledige inzage is gegeven in zijn verwerkte persoonsgegevens. Eiser stelt in de eerste plaats dat een SIS-signalering niet zomaar ontstaat. Volgens eiser moeten documenten bestaan over de beslismomenten om een signalering van eiser te registeren. Ten tweede verwijst eiser naar productie drie van zijn beroepschrift waaruit blijkt dat de gemeente [plaats] informatie heeft ontvangen van de politie over eiser. Omdat de korpschef nog steeds niet alle gegevens heeft gedeeld, verzoekt eiser de rechtbank om een digitaal forensisch expert aan te wijzen als gerechtelijk deskundige.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) moet niet ongeloofwaardig overkomen dat de gevraagde gegevens niet (of niet meer) berusten bij een bestuursorgaan. De korpschef kan deze mededeling motiveren door de verrichte zoekslag toe te lichten. Wanneer deze mededeling niet ongeloofwaardig overkomt, dan is het aan degene die verzoekt om informatie om het tegendeel aannemelijk te maken – dus dat het bestuursorgaan wel over deze informatie beschikt.
De rechtbank oordeelt dat – na de aanvullende motivering in deze beroepsprocedure – de mededeling van de korpschef dat inzage is gegeven in alle stukken niet ongeloofwaardig overkomt. De motivering in het bestreden besluit zelf is onvoldoende, zodat sprake is van een motiveringsgebrek, maar de rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eiser hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
De rechtbank heeft de korpschef voorafgaand aan de zitting om nadere informatie gevraagd over de verrichte zoekslag, omdat de toelichting van de zoekslag in het bestreden besluit onvolledig was. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk alleen in welke politiesystemen (te weten: BVH en Summit) is gezocht, maar niet op welke wijze. Het ontbreken van een toelichting op de verrichte zoekslag in het bestreden besluit is een motiveringsgebrek. Ook in het verweerschrift heeft de korpschef slechts toegelicht in welke systemen is gezocht en vermeld dat eiser met uitzondering van de registraties in BVH, Summit, de SIS-signalering en de Interpol diffusion ten tijde van de aanvraag bij de politie verder onbekend was.
Tijdens de zitting heeft de korpschef dit motiveringsgebrek hersteld door alsnog toe te lichten in welke systemen is gezocht én door de verrichte zoekslag toe te lichten. De korpschef heeft gezocht in de politiesystemen BVH en Summ-it en heeft daarbij gezocht op de KENO-code en op variaties van zijn naam met mogelijke schrijffouten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef de zoekslag hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat eiser wijst op twee aanknopingspunten dat toch meer documenten moeten bestaan. Deze aanknopingspunten zijn het ontbreken van documenten over beslismomenten om een SIS-signalering van eiser te registeren en de brief van de gemeente [plaats] . De rechtbank is echter van oordeel dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de korpschef toch over meer informatie beschikt. De korpschef heeft toegelicht hoe een SIS-signalering tot stand komt. Wanneer een melding binnenkomt wordt (eventueel) na overleg met andere organisaties zoals het Openbaar Ministerie een registratieformulier ingevuld. De overleggen zijn (vaak) mondeling waardoor het kan zijn dat van deze overleggen geen documenten terug te vinden zijn. De volgende stap is dat het formulier wordt geplaatst in het SIS. De korpschef heeft over het SIS zelf uitgelegd dat gegevens in dit systeem worden vernietigd, een jaar nadat de SIS-signalering is opgeheven. Onder de vernietigde informatie valt ook dit ingevulde registratieformulier. Alle gegevens die in dit systeem zitten zijn niet meer beschikbaar nadat ze zijn vernietigd. Omdat de SIS-signalering van eiser inmiddels is opgeheven, houdt dit in dat de korpschef geen inzage kan verschaffen in bijbehorende gegevens, omdat deze zijn vernietigd. Ondanks dat deze informatie in het SIS-systeem is vernietigd, blijft het volgens de korpschef wel mogelijk dat gegevens kunnen blijven bestaan in systemen van andere organisaties. De omstandigheid dat de gemeente [plaats] nog over informatie beschikte, maar de korpschef niet meer, kan hiermee dus worden verklaard. De rechtbank weegt ten slotte mee dat de korpschef als extra controle nogmaals navraag heeft gedaan bij bureau SIRENE en dat ook na deze controle geen nieuwe documenten zijn gevonden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de stelling van de korpschef dat hij niet over meer persoonsgegevens van eiser beschikt niet ongeloofwaardig overkomt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de korpschef over meer gegevens beschikt. Voor het benoemen van een gerechtelijk deskundige ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.
Heeft de korpschef in redelijkheid de weigeringsgronden mogen toepassen?
7. Eiser vindt het gedeeltelijk weigeren van het inzageverzoek onrechtmatig en disproportioneel en in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Allereerst heeft de korpschef nagelaten om de weigering te motiveren met duidelijke weigeringsgronden. Eiser vindt bovendien dat bij elk proces of informatiestuk een afzonderlijke belangenafweging moet worden gemaakt waarom informatie wel of niet kan worden gedeeld. Deze duidelijke motivering ontbreekt. Eiser heeft zwaarwegende belangen voor inzage. Het voor eiser onbekende algemene belang om de informatie niet (volledig) te verstrekken, staat hiermee niet in verhouding.
De rechtbank oordeelt dat – met de aanvullende motivering – de korpschef de weigeringsgronden in redelijkheid heeft mogen toepassen. Ook deze motivering is in het bestreden besluit zelf onvoldoende, zodat sprake is van een motiveringsgebrek. Aangezien eiser door dit gebrek evenmin is benadeeld, passeert de rechtbank ook dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt. Voor de beoordeling van deze grond heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de gelakte en ongelakte stukken.
De rechtbank stelt vast dat de korpschef twee weigeringsgronden van artikel 27, eerste lid, van de Wpg heeft toegepast, namelijk weigeringsgrond b (opsporingsbelang) en d (bescherming van derden). De rechtbank stelt verder vast dat bij de inzage door eiser, in de documenten per onderdeel is aangegeven welke weigeringsgrond is toegepast en dit daarna per onderdeel op de geredigeerde stukken is aangegeven. De motivering voor het toepassen van deze weigeringsgronden is echter onvoldoende gespecificeerd in het bestreden besluit, zodat sprake is van een motiveringsgebrek. Dit motiveringsgebrek heeft de korpschef tijdens de zitting hersteld door alsnog toe te lichten op welke wijze de belangen van eiser zijn afgewogen. De rechtbank zal dit voor beide weigeringsgronden hieronder bespreken.
Op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg kan inzage worden geweigerd als dit noodzakelijk en evenredig is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Tijdens de zitting heeft de korpschef toegelicht dat deze grond is toegepast op informatie over methodieken van de politie en gedragingen van agenten. Dit komt overeen met wat de rechtbank zelf heeft gelezen in de ongelakte stukken. De rechtbank begrijpt verder uit de toelichting van de korpschef dat het belang van eiser om inzage te verkrijgen, is afgewogen tegen het belang om deze methodieken geheim te houden. Aan het geheimhouden is vervolgens meer gewicht gegeven. Hierbij heeft de korpschef ook betrokken dat eiser weinig belang heeft om informatie te verkrijgen over deze methodieken, enerzijds omdat de methodieken deels basaal van aard zijn en anderzijds omdat ze niet specifiek met eiser te maken hadden. De korpschef heeft ten slotte toegelicht dat een scherpere belangenafweging zou worden uitgevoerd wanneer sprake zou zijn van methodieken die samenhangen met de SIS-registratie. Daarvan is echter geen sprake. De rechtbank kan dit volgen.
Op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg kan inzage worden geweigerd als dit noodzakelijk en evenredig is ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. De rechtbank heeft gelezen dat de onder deze grond weggelakte gegevens zien op derden, dan wel gegevens betreffen die tot individuele personen herleidbaar zijn. De korpschef heeft toegelicht dat de belangenafweging voor deze weigeringsgrond in de regel in het voordeel uitvalt van de derden, omdat zij op een gelijke wijze worden beschermd in hun rechten. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden waarom dat in dit geval anders zou moeten zijn. De rechtbank kan daarom de redenering dat meer gewicht is gegeven aan de rechten van derden volgen.
Heeft de korpschef in strijd gehandeld met fundamentele rechten?
8. Eiser stelt dat door het niet (volledig) verstrekken van zijn gegevens meerdere fundamentele rechten worden beperkt. Allereerst noemt eiser zijn recht op privéleven (Artikel 8 van het EVRM). In het bijzijn van zijn familie wordt hij bij grenscontroles behandeld als terreurverdachte en wordt zijn goede naam aangetast. Zonder te weten waarom en hoe zijn gegevens zijn verwerkt, kan hij geen maatregelen treffen om dit te voorkomen.
Ten tweede wordt eiser beperkt in zijn bewegingsvrijheid (Artikel 2 van het Vierde Protocol van het EVRM in samenhang met artikel 5 van het EVRM). Het onthouden van informatie beperkt dit recht, omdat op een lidstaat de actieve plicht rust om iedereen te beschermen tegen onrechtmatige beperkingen van zijn bewegingsvrijheid.
Ten derde wijst eiser op zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en een eerlijk proces (Artikel 6 en 13 van het EVRM). Eiser vindt dat het ten onrechte toepassen van artikel 27 van de Wpg ertoe leidt dat hij niet kan achterhalen wie of welke instantie verantwoordelijk is voor onrechtmatig handelen door de overheid en dus heeft hij geen rechtsbescherming tegen onrechtmatig handelen van de politie en van derden. De beperkingen van deze rechten zijn disproportioneel en niet noodzakelijk en daarom is sprake van een schending van deze rechten.
9. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken van schending van fundamentele rechten door de (gedeeltelijke) weigering van het inzageverzoek. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS vloeit uit het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat onder meer is vastgelegd in artikel 8 van het EVRM en artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voort dat degene over wie persoonsgegevens worden verwerkt door de politie, in de gelegenheid moet worden gesteld om van die gegevens kennis te nemen. Dit brengt met zich dat eenieder in beginsel in de gelegenheid moet zijn om na te gaan of zijn gegevens worden verwerkt en, zo nodig, deze verwerking in rechte aan te vechten. Uit artikel 8, tweede lid, van het EVRM vloeit voort dat dit recht niet absoluut van aard is, maar kan worden beperkt als dit in een democratische rechtsorde noodzakelijk is in het belang van de nationale en openbare veiligheid. In artikel 27 van de Wpg is van deze beperkingsmogelijkheid gebruikgemaakt. Hoewel het juist is dat toepassing van artikel 27 ertoe leidt dat eiser (gedeeltelijk) geen inzicht krijgt in welke politiegegevens over hem zijn verwerkt, biedt artikel 8, tweede lid, van het EVRM de grondslag voor deze beperking. Gelet op overweging 7.1 en verder volgt dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom (gedeeltelijke) weigering van de inzage noodzakelijk is. Voor zover eiser heeft gesteld dat de gevolgen van de SIS-signalering en/of de Interpol diffusion een inbreuk maken op zijn persoonlijke levenssfeer, is de rechtbank van oordeel dat dit buiten het toetsingskader van deze zaak valt. Het gaat hier immers om een verzoek tot inzage in verwerkte persoonsgegevens en niet om de rechtmatigheid van de registraties als zodanig.
Volgens eiser rust op de Nederlandse Staat de actieve plicht om eenieder te beschermen tegen onrechtmatige beperkingen van zijn bewegingsvrijheid. De rechtbank vat deze grond zo op dat eiser vindt dat het onthouden van informatie dit recht beperkt en strijd oplevert met artikel 2, vierde Protocol van het EVRM. De rechtbank constateert dat het beroep op artikel 6 EVRM in het verlengde hiervan ligt, aangezien eiser stelt dat hij zich vanwege de beperkte inzage niet goed kan verdedigen tegen eventueel onrechtmatig handelen van de politie en van derden. Dit levert volgens eiser strijd op het met recht op een eerlijk proces. Ook voor deze fundamentele rechten geldt dat het bestreden besluit ziet op het recht van eiser op inzage in de op hem betrekking hebbende politiegegevens en niet op de inhoud van de registraties en de mogelijke gevolgen die uit deze registraties voor eiser zouden kunnen voortvloeien. Dat in deze procedure niet duidelijk is geworden waarom eiser problemen ondervindt met (buitenlandse) autoriteiten als hij zich buiten Nederland verplaatst, betekent nog niet dat de korpschef toch over meer gegevens zou beschikken dan in deze procedure aan de orde is gekomen. Het doet dan ook niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de zoekslag van de korpschef uiteindelijk voldoende is geweest en dat de korpschef op een aantal onderdelen inzage in de politiegegevens mocht weigeren. Hiermee is nog geen sprake van strijd met het beginsel van het recht op vrijheid van verplaatsing of het recht op een eerlijk proces.
Heeft de korpschef de vragen van eiser voldoende beantwoord?
10. Eiser heeft ook gesteld dat de korpschef de vragen bij het inzageverzoek niet of niet volledig heeft beantwoord.
De rechtbank oordeelt dat de korpschef de vragen van eiser die moesten worden beantwoord, heeft beantwoord. Artikel 25, eerste lid, onder a tot en met g, van de Wpg geeft een opsomming van informatie waarop een verzoeker om inzage recht heeft, naast de inzage zelf. Niet is gebleken dat de korpschef heeft nagelaten om de in deze onderdelen bedoelde informatie te verstrekken, voor zover de korpschef over deze informatie beschikte.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank heeft twee motiveringsgebreken geconstateerd onder overweging 6.2 en 7.1, maar deze kunnen worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De korpschef heeft de motiveringsgebreken namelijk hersteld met een aanvullende toelichting en niet is gebleken dat eiser is benadeeld door het ontbreken van deze motivering. Voor eiser verandert dus niets en het bestreden besluit blijft in stand.
12. Vanwege toepassing van artikel 6:22 van de Awb bepaalt de rechtbank wel dat de korpschef de door eiser in beroep gemaakte proceskosten moet vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (= 2 punten x € 907). Daarnaast moet de korpschef het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzitter, mr. J.W. Ponds en mr. J.E.C. Vriends, leden, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 12 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 8
Wet politiegegevens
Artikel 1 van de Wpg
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. politiegegeven: politiegegeven: elk persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, met uitzondering van:
– de uitvoering van wettelijke voorschriften anders dan de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;
– de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 1° en artikel 4, eerste lid, onderdeel f, van de Politiewet 2012;
b. persoonsgegeven: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
c. verwerken van politiegegevens: elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot politiegegevens of een geheel van politiegegevens, al dan niet uitgevoerd op geautomatiseerde wijze, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, afschermen of vernietigen van politiegegevens.(…)
Artikel 25, eerste lid, van de Wpg
De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:
a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
b. de betrokken categorieën van politiegegevens;
c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens;
f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
Artikel 27 van de Wpg
1. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 28, eerste en tweede lid, wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is:
a. ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures;
b. ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;
c. ter bescherming van de openbare veiligheid;
d. ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden;
e. ter bescherming van de nationale veiligheid;
f. ingeval van een kennelijk ongegrond of buitensporig verzoek, als bedoeld in artikel 24a, vierde lid.
2. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en bevat de redenen voor de afwijzing.
3. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 28, eerste lid, wordt afgewezen als het verzoek de gegevens betreft, die worden verwerkt bij of krachtens artikel 12.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
Artikel 6
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 13
Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.
Vierde Protocol bij het EVRM
Artikel 2
1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen.
2. Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.
3. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
4. De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook, in bepaalde omschreven gebieden, worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en gerechtvaardigd worden door het algemeen belang in een democratische samenleving.