RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440570 / JE RK 25-1796
Datum uitspraak: 7 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
hierna te noemen: de Raad, locatie Breda.
over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. B.E.S. Chin-a-Fat in Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
1. Het verloop van de procedure
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 oktober 2025;
het bericht met bijlage van de Raad van 9 oktober 2025, betreffende de geboorteakte;
het bericht met bijlage van de Raad van 20 oktober 2025, betreffende een uittrekstel van de huwelijksakte;
het stelbericht van mr. Chin-a-Fat van 20 oktober 2025;
het e-mailbericht van [minderjarige] van 29 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 november 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
de moeder;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. [minderjarige] heeft de kinderrechter een e-mailbericht gestuurd waarin zij schrijft dat zij niet naar de rechtbank komt om met de kinderrechter te praten.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank bij beschikking van 2 april 2024 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en bepaald dat [minderjarige] in de even weken van woensdag uit school (12.30 uur) tot vrijdag naar school (8.30 uur) bij de vader is en daarnaast in de oneven weken van woensdag uit school (12.30 uur) tot zondagavond 18.00 uur. Tevens heeft de rechtbank een zorgregeling bepaald gedurende de schoolvakanties, feestdagen en bijzondere dagen.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de Raad
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. De Raad merkt op dat het raadsrapport op delen onvoldoende uitgebreid is en wenst daarover op voorhand transparant te zijn. Zo maakt de Raad zich zorgen over een geschiedenis van huiselijk geweld binnen het gezin, wat in het raadsrapport onderbelicht althans onvoldoende toegelicht, is gebleven. Ook is niet gesproken met de betrokken kindbehartiger. Dit had wel gemoeten.
Dit neemt echter niet weg dat de Raad vindt dat een ondertoezichtstelling nodig is.
De Raad maakt zich zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Zij zit klem tussen haar ouders en heeft last van een loyaliteitsconflict. Dit wordt bevestigd door school en de kindbehartiger. Tevens geeft school aan dat [minderjarige] stil en teruggetrokken kan zijn en vlak is in haar emoties. Er is sprake van een strijd tussen de ouders, onderling wantrouwen en slechte communicatie. De ouders zijn het niet eens met elkaars opvoeding en het lukt hen niet om de daaruit voortkomende spanning en strijd bij [minderjarige] weg te houden.
De emotionele onveiligheid waar [minderjarige] zich in begeeft, is zelfs groter dan in het raadsrapport is beschreven. Regievoering van de GI is dan ook nodig. Bezien moet worden of er een vorm van samenwerking tussen de ouders mogelijk is en zo ja welke. Gedacht kan worden aan Solo Parallel Ouderschap. Daarnaast moet er zicht komen op de opvoedsituaties bij beide ouders. Dit kan er mogelijk voor zorgen dat het vertrouwen van de ouders in elkaar kan groeien. Tevens is bij hulpverlening aandacht nodig voor [minderjarige] , die getuige is geweest van huiselijk geweld. Het verbaast de Raad dat hiervoor niet eerder aandacht is geweest.
Hulpverlening in een vrijwillig kader ziet de Raad als een gepasseerd station. Eerder is [hulpverlening] ingezet voor gezinsbehandeling en een kindbehartiger. Bij [hulpverlening] zijn de gestelde doelen deels behaald. Deze hulpverlening is echter gestopt in maart 2025, omdat de moeder geen vertrouwen had in de gezinsbehandelaar. Zonder hulpverlening lukt het de ouders niet om op een constructieve manier met elkaar te communiceren. Zij vervallen dan in oude patronen. Hoewel de ouders zeggen bereidwillig te zijn ten aanzien van de hulpverlening, is het nu toch al twee keer niet gelukt om een hulpverleningstraject positief af te ronden. De Raad begrijpt dat er een intake is geweest bij De GezinsManager. De GI kan uitzoeken wat er stand van zaken hierin is.
5. Het standpunt van belanghebbenden en informant
De moeder brengt, samengevat, naar voren dat uit het oog wordt verloren waarmee de problemen zijn begonnen. Het vreemdgaan van de vader ligt hieraan ten grondslag. [minderjarige] is hierin meegenomen, waardoor zij in een loyaliteitsconflict is geraakt. [minderjarige] moest het vreemdgaan verborgen houden. Wat de moeder stoort is dat zij niet door de vader wordt geïnformeerd. Ook houdt de vader zich niet altijd aan afspraken. Zo is het gebeurd dat er onverwachts iemand anders op het schoolplein stond om [minderjarige] op te halen, terwijl de vader dit zelf zou doen. Door niets met de moeder te delen, geeft de vader [minderjarige] het idee dat zij dingen verborgen moet houden. De moeder verwacht van de vader open communicatie en over [minderjarige] geïnformeerd te worden. De moeder vraagt zich af of een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Mogelijk zal de strijd tussen de ouders juist groter worden als de GI en andere hulpverlening betrokken is. De moeder bevestigt dat er een intakegesprek is geweest bij De GezinsManager, echter haar is onbekend wat daar mee vervolgens is gedaan.
Door en namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat hij het eens is met het verzoek. De ouders zijn al langere tijd met hulpverlening bezig, maar door incident op incident verloopt het stroef. Ook door veranderingen van het systeem van beide ouders zijn dingen anders geworden. De vader begrijpt dat de situatie als zorgelijk wordt gezien. Dit heeft te maken met de ouderstrijd en de focus op elkaar. Dit moet doorbroken worden. De vader ziet in dat er hulpverlening nodig is. Hij staat hiervoor open. In het vrijwillig kader is er onvoldoende vooruitgang geboekt. Ook de vader beaamt dat er een intakegesprek is geweest bij De GezinsManager. Na de intake heeft de vader niets meer vernomen.
Door de GI wordt, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De GI kan zich vinden in het verzoek van de Raad. Verbeteren van het onderlinge vertrouwen van de ouders en zorgen voor veiligheid voor [minderjarige] zijn tijdens de ondertoezichtstelling de belangrijkste speerpunten. Ook de GI ziet dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders en dat zij last heeft van een loyaliteitsconflict. Regievoering van de GI is nodig voor de inzet van de juiste hulpverlening enerzijds, en anderzijds om ervoor te zorgen dat de ouders zich niet meer focussen op elkaar. Bezien moet worden welke vorm van ouderschap het beste bij de ouders past en in welke vorm zij het beste met elkaar kunnen communiceren. Bovendien moet [minderjarige] een neutrale plek krijgen waar zij haar eigen verhaal kan doen. Op korte termijn is er helaas geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar. Het Provinciaal Instroom Team zal de casus oppakken alvorens er een vaste jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin. Er wordt vanuit het Provinciaal Instroom Team een tijdelijke jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld, zodat eerste dingen alvast kunnen worden opgepakt en er met de ouders en [minderjarige] wordt gesproken.
6. De beoordeling
Wat zegt de wet?
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Door de strijd die de ouders met elkaar voeren, zit zij klem tussen hen. Er is bij [minderjarige] sprake van een loyaliteitsconflict, waardoor zij wordt bedreigd in haar sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderrechter betrekt daarin ook dat [minderjarige] een traumatische ervaring heeft meegemaakt door het overlijden van haar zusje en zij mogelijk getuige is geweest van huiselijk geweld. Er bestaan bij de ouders vermoedens van huiselijk geweld aan de zijde van moeder (door haar partner) en aan de zijde van vader (door hem naar zijn partner).
De communicatie tussen de ouders is slecht. Het lukt hen niet om op een constructieve manier met elkaar te communiceren. Hier heeft [minderjarige] last van. Zowel school als de kindbehartiger geven aan dat zij klem zit tussen haar ouders. [minderjarige] is bang voor de reactie van de ouders als zij eerlijk zou zijn over wat er speelt. Zij heeft moeite met zichzelf te uiten en laat haar emoties niet goed zien, wat haar welzijn negatief beïnvloedt. Daarbij komt ook dat de ouders geen vertrouwen in elkaar hebben. Zij spreken wantrouwen uit over de ander en diens partner. De ouders zijn het niet eens met elkaars manier van opvoeden van [minderjarige] . Het lukt hen niet om de spanning die dat geeft bij [minderjarige] weg te houden. De ouders kunnen de zorgen die zij over elkaar hebben niet loslaten.
Samen met de Raad ziet de kinderrechter dat hulpverlening in het vrijwillig kader is geprobeerd, maar niet volledig van de grond is gekomen, dan wel vroegtijdig is beëindigd. Zo is hulpverlening van [hulpverlening] gestopt en is eerder ook gezinsbehandeling gestopt, omdat de moeder geen vertrouwen had in de gezinsbehandelaar. Hulpverlening stagneert door gebrek aan vertrouwen, hetgeen een succesvolle afronding daarvan in de weg staat. Met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat verplichte regievoering van de GI daarom nodig is. De kinderrechter heeft er geen vertrouwen in dat de ouders zonder een dwangkader tot een oplossing van de tussen hen bestaande problemen kunnen komen.
Zoals tijdens de zitting al ter sprake kwam, zijn de ouders op intake geweest bij De GezinsManager. Onduidelijk is wat de stand van zaken is ten aanzien van de daadwerkelijke aanmelding. De GezinsManager kan de ouders helpen om de conflicten tussen hen te verminderen en de ouders te helpen in hun onderlinge communicatie. De kinderrechter volgt de Raad in het standpunt dat tijdens de ondertoezichtstelling ook aandacht moet worden besteed aan het onderlinge wantrouwen. Hiervoor moeten de opvoedsituaties van beide ouders in kaart worden gebracht. Wanneer de ene ouder vervolgens merkt dat de opvoedsituatie bij de andere ouder als goed genoeg wordt beschouwd door de GI, zal dit hopelijk het onderlinge vertrouwen in elkaar doen toenemen. Tegelijkertijd is in de komende periode ook individuele hulpverlening voor [minderjarige] nodig. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat zij dringend behoefte heeft aan individuele begeleiding, omdat zij regelmatig wordt blootgesteld aan de strijd tussen haar ouders. Het is daarnaast aan de GI om te bezien welke vorm van ouderschap het beste bij de ouders en [minderjarige] past.
De kinderrechter verwacht van de GI een strakke regievoering op genoemde punten. De ouders hebben duidelijke en strakke kaders nodig.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderrechter het verzoek van de Raad zal toewijzen voor de verzochte duur van één jaar. De kinderrechter acht deze termijn passend en neemt daarbij in aanmerking dat er langdurige inzet van hulpverlening nodig is.
Doelen
Als doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling gewerkt dient te worden, worden aangemerkt:
- [minderjarige] groeit op in een stabiele en veilige opvoedingsomgeving;
- [minderjarige] is geen getuige van spanningen tussen ouders;
- [minderjarige] kan de spanningen met betrekking tot de scheiding bespreken
en verwerken;
- De communicatie tussen ouders wordt verbeterd.
De GI heeft aangegeven dat zij een wachtlijst heeft waardoor onderhavige casus eerst door het Provinciaal Instroom Team opgepakt zal worden. De kinderrechter benadrukt dat hulpverlening voor [minderjarige] en de ouders noodzakelijk is en deze niet kan wachten, met name omdat er mogelijk sprake is van huiselijk geweld. De GI wordt daarom met klem verzocht om binnen het Provinciaal Instroom Team al de mogelijkheden van hulpverlening te onderzoeken. Daaronder verstaat de kinderrechter ook dat het Provinciaal Instroom Team zal onderzoeken wat de stand van zaken is in de aanmeldingsprocedure bij De GezinsManager.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur met ingang van 7 november 2025 tot 7 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.