ECLI:NL:RBZWB:2025:8193

ECLI:NL:RBZWB:2025:8193, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07-11-2025, C/02/440273 / JE RK 25-1744

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-11-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer C/02/440273 / JE RK 25-1744
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002656

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling 1 jaar - verlenging machtiging tot uithuisplaatsing bij vader met gezag 6 maanden onder aanhouding van resterende deel - toetsmoment - kinderrechter wenst verder geïnformeerd te worden over het adres van vader, de contactmomenten tussen de minderjarige en haar moeder en het verloop van het ouderschapstraject.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/440273 / JE RK 25-1744

Datum uitspraak: 7 november 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie ‘s-Hertogenbosch, hierna: de gecertificeerde instelling (GI),

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. N. van Vliet te Breda,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 1] .

1. Het verloop van de procedure

Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 september 2025;

het stelbericht van mr. Van Vliet van 2 oktober 2025;

het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 29 oktober 2025;

het bericht met bijlagen van mr. Van Vliet van 3 november 2025;

de pleitnotities van mr. Van Vliet, ter zitting overhandigd.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 november 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader;

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft zij gebruik gemaakt op 5 november 2025. De kinderrechter heeft de aanwezigen voorgehouden wat [minderjarige] hem heeft verteld. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Bij beschikking van 15 november 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 15 november 2024 tot 15 november 2025.

Bij beschikking van 12 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten in een gezinsgerichte voorziening, verleend met ingang van 12 juni 2025 tot 15 november 2025.

Bij beschikking van 9 juli 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de andere ouder met gezag (in dit geval bij de vader) verleend voor de duur van twee weken, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

Laatstelijk, bij beschikking van 22 juli 2025 heeft de kinderrechter een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de andere ouder met gezag (de vader), met ingang van 23 juli 2025 tot 15 november 2025.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.

Tevens verzoekt de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (de vader) te verlengen voor de duur van een jaar.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de GI

Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] heeft onthullingen gedaan van seksueel misbruik door haar halfbroer (hierna: [persoon] ). Hierna is overgegaan tot een gezinsopname. Vervolgens zijn de ouders gescheiden. Recent, in maart 2025, heeft [minderjarige] opnieuw onthullingen gedaan over seksueel misbruik door [persoon] .

Op dit moment verblijft [minderjarige] met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, met wie zij eerder elf maanden geen contact had. Er is een contacthersteltraject geweest bij [hulpverlening] . Dit traject verliep niet soepel, onder andere omdat de moeder afspraken afzegde. Gezien wordt dat de moeder negatief over de vader praat en dat zij het belang van [minderjarige] ondergeschikt maakt aan haar eigen belang. De signalen van [minderjarige] over seksueel misbruik door [persoon] worden door de moeder niet (h)erkend. De moeder blijft in gesprekken met de GI aangeven dat van seksueel misbruik geen sprake kan zijn. Zij zwakt het af tot grensoverschrijdend gedrag.

Er zijn voorwaarden gesteld aan het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Begeleide omgang tussen hen kwam moeilijk op gang, doordat de moeder haar eigen voorwaarden bleef stellen. De GI ziet bij de moeder het patroon dat zij alleen met haar eigen belangen bezig is en dat zij daarmee niet handelt in het belang van [minderjarige] . Een voorbeeld daarvan is dat het na het sturen van een BCU (beslissing van contact tijdens uithuisplaatsing) bijna zes weken heeft geduurd om de moeder te laten instemmen om in contact te komen met [minderjarige] . Op dit moment is er sprake van begeleide omgang van één uur in de week. Zodra dit mogelijk is zal er een uitbreiding plaatsvinden.

De GI maakt zich zorgen over [minderjarige] . Zij laat tekenen van hechtingsproblematiek zien en zij is op de hoogte van volwassenzaken. Rondom de contactmomenten met de moeder laat [minderjarige] opstandig gedrag zien. Op school is zij daarna minder geconcentreerd. Hieruit concludeert de GI dat de contactmomenten door [minderjarige] als spannend worden ervaren. Ook haar seksuele ontwikkeling is zorgelijk te noemen, zo bevestigt de MST-therapeut. Sterk Huis, als zorgaanbieder betrokken bij het gezin in het kader van de gezinsopname, heeft geadviseerd dat er éérst rust moet komen voor [minderjarige] alvorens behandeling kan worden opgestart. Inmiddels is geadviseerd om [minderjarige] aan te melden voor HSM (Hulp bij seksueel misbruik).

In reactie op de stellingen van de moeder, verklaart de GI dat er inspanningen zijn verricht om een geschikt gezinshuis voor [minderjarige] te vinden. Tijdens de spoed, was er geen plek in een gezinshuis voorhanden, terwijl de situatie thuis bij de moeder onhoudbaar was. De GI had eerder twijfels over de plaatsing van [minderjarige] bij de vader, juist vanwege een periode dat er geen contact tussen hen was. Echter, de plaatsing bij de vader verloopt positiever dan verwacht. De vader en zijn partner pakken het goed op. Zij kunnen [minderjarige] opvangen en haar de rust bieden. Het gaat beter met [minderjarige] sinds zij bij de vader verblijft, wat ook door school wordt bevestigd. Zij komt nu toe tot leren en wordt door de vader buiten de strijd gehouden. De GI ziet daarom geen reden om [minderjarige] elders te plaatsen. Bovendien zou dit afwijken van het uitgangspunt dat éérst gekeken moet worden naar een plaatsing bij een van de ouders. Daarbij komt ook dat [minderjarige] een verkeerd signaal zou worden gegeven als zij nu in een gezinshuis, in een voor haar vreemde omgeving, zou worden geplaatst. Bij de vader thuis is ambulante spoed hulp (hierna: ASH) ingezet. Deze hulpverlening is positief afgesloten. De GI heeft vertrouwen in de plaatsing bij de vader. Er is voldoende monitoring en voldoende hulpverlening aanwezig. Zo is [minderjarige] recent gestart met paardencoaching. Aan de zijde van de moeder is sprake van betrokkenheid van KANZ alsook heeft zij een aanmelding gedaan bij [hulpverlener].

Het is de GI bekend dat de moeder zich zorgen maakt over de verblijfplaats van [minderjarige] en de vader. De GI heeft daar echter geen zorgen over. De GI is ervan op de hoogte dat de vader een andere woning heeft gekocht. De gemeente [plaats 1] is een onderzoek gestart naar de verblijfplaats van de vader. De GI gaat er van uit dat de vader dit verder met de gemeente en moeder oppakt. Voor de GI is daar nu geen rol weggelegd. In de komende periode zal worden ingezet op oudercommunicatie en hoopt de GI het ouderschapstraject op poten te kunnen zetten. Belangrijk is namelijk dat de ouders afspraken met elkaar kunnen gaan maken.

5. Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder staat achter een verlenging van de ondertoezichtstelling. Dat staat niet ter discussie. Wel heeft zij bezwaar tegen een verlening van de uithuisplaatsing bij de vader en de wijze waarop de begeleide omgang verloopt. De moeder merkt dat zij afstand creëert, omdat zij kritiek krijgt op alles wat zij doet. In het contact met [minderjarige] wordt zij door de GI beperkt. Zo mag de moeder geen snoepje meenemen en wordt zij ervan beschuldigd een GPS-tracker in de armband van [minderjarige] te hebben gedaan. De moeder hoopt dat [minderjarige] bij haar teruggeplaatst kan worden met de inzet van de juiste hulpverlening. De moeder staat open voor elke vorm van hulpverlening. Desgevraagd ontkent de moeder grensoverschrijdend gedrag van [persoon] niet. Zij is juist degene geweest die aan de bel heeft getrokken. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat maar één kant van het verhaal wordt belicht. Het tijdsbesef en de fantasie van [minderjarige] lopen door elkaar.

De moeder is geschrokken van de insteek van het verzoek door de GI. Zij wordt negatief weggezet door de aaneenschakeling van feiten. Waar het echter werkelijk om gaat, is de plaatsing van [minderjarige] bij de vader en of deze in haar belang is. Eerder is het niet gelukt om in te zetten op een gezinshuis of plaatsing in een behandelsetting. Er is bij [kliniek] geïnformeerd voor een klinische opname en er zou een plek zijn in [plaats 2] . De Raad adviseerde bovendien een neutrale plaatsing. De GI heeft hierin een switch gemaakt, terwijl er eerder twijfel was over de plaatsing bij de vader in combinatie met de loyaliteit van [minderjarige] . Van de koers naar een plaatsing op een neutrale plek is afgeweken. Het voelt voor de moeder als duwen op een puzzelstukje dat niet past; [minderjarige] wordt bij vader geplaatst, omdat er niets anders mogelijk is. Eerdere bezwaren tegen een plaatsing bij vader, zoals het klem zitten van [minderjarige] , zouden ineens weg zijn. De moeder is er niet van overtuigd dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader in haar belang is. De GI heeft dit onvoldoende gemotiveerd. Bovendien was die plaatsing bedoeld om [minderjarige] rust te bieden. Gebleken is dat zij die rust nu heeft gevonden, terwijl een behandeling van [minderjarige] nog niet is gestart. De moeder bepleit om de machtiging tot uithuisplaatsing met vier maanden te verlengen én voor die periode een brede machtiging af te geven en het overige deel van het verzoek af te wijzen. In die periode moet goed worden bezien waar [minderjarige] het meest mee geholpen is. Wellicht is dat een plaatsing in een gezinshuis. Ondertussen moet, juist nu er rust is, worden ingezet op diagnostiek en moet er gekeken worden naar de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Als er meer of andere hulpverlening nodig is, dan werkt de moeder daaraan mee. Zij verwacht hierover dan wel duidelijkheid van de GI. Ook hoopt zij dat de GI in overleg zal gaan met Sterk Huis.

Wat de moeder verder dwarszit is dat zij niet weet waar [minderjarige] verblijft. De moeder kaart dit aan bij de GI, maar er komt geen reactie. Ook over de financiële positie van de vader, uit de moeder haar zorgen. Daar wordt volgens haar evenmin iets mee gedaan. De moeder voelt zich door de GI onvoldoende gehoord.

De vader brengt, samengevat, naar voren dat hij het eens is met het verzoek. Sinds de plaatsing bij hem, gaat het beter met [minderjarige] . De vader krijgt van school en hulpverlening teruggekoppeld dat er een verbetering bij [minderjarige] is te zien. School ziet haar positief veranderen. Volgens de vader moet in het komende jaar worden gefocust op contactherstel met de moeder en de communicatie tussen de ouders. De vader stelt zich hiervoor open en hoopt dat de ouders op termijn weer samen door een deur kunnen. In het verleden is gebleken dat de hulpverlening niet vloeiend loopt, met name aan de zijde van de moeder. Over zijn adres in [plaats 1] verklaart de vader dat het juist is dat de gemeente een onderzoek heeft ingesteld. Hoewel de vader een andere woning heeft gekocht, verblijft hij negentig procent van de tijd in [plaats 1] . De vader is voorzichtig in het delen van zijn andere adres, omdat hij het niet wenselijk acht dat de moeder daar in de buurt komt. De vader wil juist een escalatie voorkomen. Wanneer de woning in [plaats 1] is verkocht, zal de vader zijn verhuizing doorgeven. De GI is daarvan op de hoogte.

6. De beoordeling

Wat zegt de wet?

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige

gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de

verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of

lichamelijke gesteldheid.

Artikel 1:265c lid 2 BW bepaalt dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.

Verlenging ondertoezichtstelling

De kinderrechter kan hierover kort zijn. Aan de wettelijke voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. Hierover bestaat tussen alle betrokkenen geen discussie. [minderjarige] wordt nog steeds in haar ontwikkeling bedreigd. Dit is erin gelegen dat er grote zorgen zijn over haar seksuele ontwikkeling. Daarnaast is zij belast met de echtscheidingsproblematiek van haar ouders en heeft zij zich lange tijd bevonden in een spanningsvolle situatie waarbij sprake was van hevige conflicten tussen de ouders.

Gelet op de spanningen tussen de ouders en het wantrouwen naar elkaar, worden zij onvoldoende in staat geacht om deze ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] in een vrijwillig kader weg te nemen. De complexe situatie is niet geschikt voor hulpverlening in een dergelijk vrijwillig kader. Regievoering vanuit de GI blijft noodzakelijk, zodat passende hulpverlening voor zowel [minderjarige] als de ouders kan worden ingezet, dan wel kan worden gecontinueerd. Daarbij komt dat de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen niet zijn behaald. Hier moet de komende periode aandacht voor blijven. Daarnaast dient er in de komende periode aandacht zijn voor de volgende doelen:

- verbetering van de communicatie tussen de ouders;

- continuering van de hulpverlening voor [minderjarige] , zodat zij hetgeen zij heeft meegemaakt kan verwerken;

- continuering, dan wel inzet van hulpverlening voor de moeder, waarbij zij aan de slag gaat bij [hulpverlener];

- beide ouders accepteren hulpverlening.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de verzochte duur van één jaar. Gelet op de bestaande problematiek en de complexe situatie acht de kinderrechter deze termijn ook passend. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders zich hiertegen ook niet verzetten.

Machtiging tot uithuisplaatsing

Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat het sinds de plaatsing van [minderjarige] bij de vader beter met haar gaat. School ziet verandering bij [minderjarige] ; zij komt nu tot leren. De kinderrechter is verheugd om te horen dat [minderjarige] een positieve ontwikkeling lijkt door te maken. Gebleken is dan ook dat de GI de plaatsing van [minderjarige] bij de vader positiever acht, dan van tevoren werd ingeschat. Gezien wordt dat de vader en zijn partner [minderjarige] ondersteunen en haar uit de strijd houden. Op dit moment ziet de GI geen reden om [minderjarige] elders te plaatsen. Hoewel de kinderrechter de twijfels van de moeder over de gang van zaken invoelbaar acht, mede gelet op de eerdere twijfels van de GI over een plaatsing bij de vader, dient als uitgangspunt te worden genomen dat een kind wordt geplaatst bij een van de ouders. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] terechtkomt in een voor haar nieuwe omgeving en zij op verschillende plekken wordt geplaatst. Gebleken is dat [minderjarige] nu een positieve lijn heeft ingezet. De kinderrechter is ervan overtuigd dat die vooruitgang nu het beste gewaarborgd is bij een verlenging van de plaatsing bij de vader. Bovendien brengt dit haar ook het meeste rust, waardoor zij toe kan komen aan haar ontwikkeling en ruimte heeft om met hulpverlening, zoals paardencoaching, aan de slag te gaan. De GI heeft vertrouwen in een plaatsing bij de vader. De kinderrechter heeft geen reden om daar anders over te denken. Daaraan draagt bij dat gebleken is dat de vader openstaat voor hulpverlening, hij deze accepteert en hij [minderjarige] ondersteunt in het contact met de moeder. De door de GI gehanteerde aanpak door de plaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlengen, wordt dan ook door de kinderrechter onderschreven.

De kinderrechter ziet gelet op hetgeen tijdens de zitting is besproken wel reden om de machtiging voor een beperkte duur te verlengen, te weten zes maanden. Het overige deel van het verzoek zal worden aangehouden. De kinderrechter betrekt daarin dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de situatie rondom de woonplaats van de vader. Hoewel hij ingeschreven staat op een adres in [plaats 1] , is gebleken dat de gemeente hiernaar een onderzoek heeft gestart. De vader verklaart tijdens de zitting dat de woning in [plaats 1] te koop staat en hij ook elders een andere woning heeft. De vader zegt in [plaats 1] te wonen en geeft het adres van zijn andere woning niet prijs. De moeder trekt de stelling van de vader over zijn woonplaats in twijfel. De kinderrechter geeft de vader – en de GI – mee dat de moeder in beginsel, als gezaghebbende ouder, op de hoogte dient te zijn waar [minderjarige] verblijft. De kinderrechter verwacht dat hier in de komende periode duidelijkheid over komt en wenst de uitkomst daarvan de monitoren. De GI heeft hierin een coördinerende taak. Daarnaast wordt de zaak aangehouden om te bezien of en op welke manier het contact tussen de moeder en [minderjarige] verder vormgegeven gaat worden en of er contact kan komen tussen [minderjarige] en [persoon] . Voor beide contacten geldt het belang van een voorzichtige opbouw. Tot slot wenst de kinderrechter een oog in het zeil te houden ten aanzien van het ouderschapstraject.

Duur van de machtiging tot uithuisplaatsing en de verdere voortgang

De kinderrechter ziet, gelet op het voormelde, reden om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing vooralsnog te beperken tot zes maanden, te weten tot 15 mei 2026.

Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden. Op deze manier kan de kinderrechter de ontwikkeling van [minderjarige] blijven volgen.

De kinderrechter verwacht van de GI dat zij hem uiterlijk op 9 april 2026 PRO FORMA in een schriftelijk verslag, onder gelijktijdige verzending daarvan aan de vader en de advocaat van de moeder, informeert over de actuele stand van zaken ten aanzien van:

- de ingezette hulpverlening voor [minderjarige] ;

- de ingezette persoonlijke hulpverlening van de moeder;

- het contact tussen [minderjarige] en de moeder;

- het contact tussen [minderjarige] en [persoon] ;

- de communicatie tussen de ouders;

- de stand van zaken ten aanzien van de woonplaats van de vader;

- andere belangrijke ontwikkelingen in deze zaak;

- het standpunt over het resterende deel van het verzoek en de vraag in hoeverre een terugplaatsing bij de moeder op dat moment tot de mogelijkheden behoort.

Indien en voor zover de GI het resterende deel van het verzoek handhaaft, zal er een

nieuwe mondelinge behandeling worden bepaald. De advocaat van de moeder zal alsdan in

de gelegenheid worden gesteld om haar verhinderdata kenbaar te maken.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld.

7. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 15 november 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, tot 15 mei 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 9 april 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI, zoals weergegeven in rechtsoverweging 6.11;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Vos als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?