RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440324 / JE RK 25-1748
Datum uitspraak: 5 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter waren tevens aanwezig:
de partner van de moeder;
een begeleidster van de vader van het [hulpverlening 1] .
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft beide verzoeken. Tijdens het raadsonderzoek is gezien dat de ontwikkeling van [minderjarige] wordt bedreigd op vrijwel elk levensgebied, waarbij de basale veiligheid en verzorging van [minderjarige] en de emotionele beschikbaar van de moeder de grootste zorgen zijn. Er is gezien dat de moeder [minderjarige] al langere tijd niet kan bieden wat hij nodig heeft. De psychische problemen van de moeder beheersen haar leven en haar draagkracht is uit balans. Wat de vader betreft heeft de Raad zorgen of het hem voldoende zal lukken om structuur aan te brengen in het leven van [minderjarige] . Ook zijn er zorgen over de beperkte leerbaarheid van de vader. De ingezette hulpverlening in het vrijwillige kader heeft er niet voor gezorgd dat de zorgen zijn weggenomen en daar komt bij dat de moeder de hulpverlening als last ervaart. Dit maakt een ondertoezichtstelling noodzakelijk. Omdat de zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige] bij de moeder dusdanig groot zijn, is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is noodzakelijk. De Raad kan uit het rapport niet opmaken of de mogelijkheid voor een plaatsing bij de schoonmoeder van de moeder is onderzocht. De Raad verzoekt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet alleen te beperken tot een bestandspleeggezin, maar ook tot een netwerkpleeggezin. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van negen maanden omdat dit een passende termijn is om het perspectief van [minderjarige] te bepalen. Binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de doelen zoals geformuleerd op pagina 36 van de rapportage van de Raad. De GI zal allereerst de mogelijkheden voor een plaatsing bij de schoonmoeder van de moeder moeten onderzoeken en daarna moeten zorgen voor een goede voorbereiding van de moeder en [minderjarige] voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarnaast is het belangrijk dat de moeder de hulp krijgt die zij nodig heeft, maar ook dat de opvoedondersteuning voor de vader wordt voortgezet. Ook dient de GI te bezien of het passend is om een onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap (GGO) in te zetten. Daarnaast is het belangrijk dat het contact met de vader gedurende de uithuisplaatsing volgens de huidige regeling wordt voortgezet en indien mogelijk op termijn wordt uitgebreid. Ook moet worden onderzocht hoe de contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] tijdens de opname van de moeder kan worden vormgegeven. Voor wat betreft de hulpverlening voor [minderjarige] vindt de Raad dat eerst moet worden gewerkt aan stabiliteit in zijn opvoedomgeving en pas daarna moet worden gekeken naar de inzet van hulpverlening voor [minderjarige] zelf. Voor wat betreft de keuze voor Stichting Jeugdbescherming west Zeeland als passende gecertificeerde instelling verklaart de Raad dat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering passender zou zijn dan Stichting Jeugdbescherming west Zeeland. Daar komt bij dat de Raad op dit moment niet kan aangeven of William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering bereid is de ondertoezichtstelling uit te voeren.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen beide verzoeken. In het raadsrapport zijn veel risico’s en aannames opgenomen en de zorgen over [minderjarige] zijn uitvergroot. Dit maakt dat de moeder hetgeen in het raadsrapport wordt gesteld betwist, tenzij het uitdrukkelijk wordt erkend. Er wordt ten onrechte uitgegaan van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Uit het raadsrapport volgt dat bij [minderjarige] sprake is van een taalontwikkelingsachterstand, maar niet duidelijk is door wie dit is vastgesteld. Er is geen sprake van middelengebruik in het bijzijn van [minderjarige] en er is geen sprake van een strijd tussen de ouders. Het contact tussen de ouders verloopt goed en de omstandigheid dat er nog geen zorgregeling vastligt en dat het ouderschapsplan nog moet worden opgesteld, maakt niet dat een ondertoezichtstelling nodig is. Het klopt dat de moeder veel hulp krijgt van haar partner, maar daarmee wordt de veiligheid van [minderjarige] juist gewaarborgd. Dit zorgt er namelijk voor dat er altijd een volwassene aanwezig is die de zorg voor [minderjarige] kan dragen als de moeder dat even niet aan kan. Verder volgt uit het raadsrapport dat vanuit [hulpverlening 2] en de kinderopvang is aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] en dat de moeder sensitief en responsief reageert. De intern begeleider van de kinderopvang heeft geen zorgen over de sociaal-emotionele of cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] en er wordt beschreven dat [minderjarige] er over het algemeen verzorgd uit ziet en altijd fruit bij zich heeft. De moeder erkent de zorgen over haar verminderde belastbaarheid en realiseert zich dat zij tegen een burn-out aan zit door alle stress en onzekerheden, maar benoemt dat zij openstaat voor de benodigde hulpverlening. Er wordt ten onrechte vanuit gegaan dat de hulpverlening heeft gefaald of zal falen. De moeder heeft om hulp gevraagd, maar er wordt niet naar haar geluisterd en zij heeft het gevoel dat haar hulpvraag zich nu tegen haar keert. Het klopt dat de huidige hulpverlening niet toereikend is, maar er kan meer of andere hulpverlening worden ingezet. Ook staat de moeder er voor open dat [minderjarige] vaker naar de kinderopvang zal gaan. Dit maakt dat de mogelijkheden voor hulpverlening in het vrijwillige kader nog niet zijn uitgeput. Daar komt bij een gedwongen kader mogelijk averechts zal werken bij de moeder en de GI werkt met een instroomteam waardoor niet direct een vaste jeugdbeschermer betrokken kan worden. Ook daarom wil de moeder de hulpverlening graag in het vrijwillige kader voortzetten. Ingeval de ondertoezichtstelling van [minderjarige] toch wordt uitgesproken, heeft de moeder twijfels of Stichting Jeugdbescherming west Zeeland de passende gecertificeerde instelling is om de redenen zoals door Stichting Jeugdbescherming west Zeeland ter zitting naar voren zijn gebracht. Voor wat betreft de uithuisplaatsing van [minderjarige] verklaart de moeder dat zij begrijpt dat [minderjarige] gedurende haar opname op een andere plek zal moeten verblijven. Het is op dit moment nog niet duidelijk waar en wanneer de moeder opgenomen zal worden. De moeder maakt zich zorgen dat als [minderjarige] in het gedwongen kader in een pleeggezin wordt geplaatst, hij uiteindelijk niet meer thuisgeplaatst zal worden. De opname van de moeder zal namelijk langere tijd duren en mogelijk komt daarmee de aanvaardbare termijn van [minderjarige] in het geding. Daar komt bij dat nog onvoldoende is onderzocht of een uithuisplaatsing van [minderjarige] absoluut noodzakelijk is. Er is nog onvoldoende onderzoek gedaan naar de opvoedvaardigheden van de moeder en er is nog niet onderzocht of haar ouderschap goed genoeg is. De moeder zou graag zien dat [minderjarige] tijdens haar opname gedeeltelijk bij de vader en gedeeltelijk bij haar schoonmoeder verblijft. De schoonmoeder van de moeder is bereid om de screening voor pleegouders te ondergaan, woont in de buurt en de moeder vertrouwt haar. Deze mogelijkheid moet eerst worden onderzocht, ook omdat de moeder dan zeker weet heeft dat [minderjarige] na haar opname wordt teruggeplaatst. Gelet op het voorgaande wordt verzocht beide verzoek aan te houden en aanvullend onderzoek te laten verrichten door de Raad.
De vader verklaart dat hij [minderjarige] op dit moment om het weekend van vrijdagmiddag tot maandagochtend ziet, maar bereid is om de volledige zorg voor [minderjarige] te dragen gedurende de opname van de moeder. Hij is ook bereid om [minderjarige] dan in het weekend naar de moeder te brengen. Ook wil de vader zijn medewerking verlenen aan een onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap. Dit heeft hij eerder ook al aangegeven. Verder benoemt de vader dat er onjuistheden in de rapportage van de Raad zijn opgenomen, onder andere dat hij zijn buren op [minderjarige] zou laten passen terwijl zij onder invloed zijn van alcohol. Dat klopt niet; niemand mag onder invloed op [minderjarige] passen.
De GI brengt naar voren dat het mogelijk passender zou zijn om William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met de uitvoering van de ondertoezichtstelling te belasten. Hoewel er geen gegevens bekend zijn over het IQ van beide ouders, volgt uit het raadsrapport dat de moeder zichzelf overschat en overvraagd is en er twijfels zijn over de leerbaarheid van de vader. De GI vraagt zich daardoor af of Stichting Jeugdbescherming west Zeeland de meest passende methodiek gebruikt voor deze ouders en voorkomen moet worden dat tijdens de uitvoering van de ondertoezichtstelling om vervanging van de GI moet worden verzocht. Ook benoemt de GI dat op dit moment wordt gewerkt met een instroomteam, waardoor niet directe een vaste jeugdbeschermer kan worden betrokken. Voorts verzoekt de GI de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing gelijk te trekken met de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Er moet namelijk nog gezocht worden naar een passend pleeggezin en de opname van de moeder zal langere tijd in beslag nemen, waardoor het prettiger is als de termijnen gelijk zijn. Daarbij geeft de GI aan dat het gelet op de opname van de moeder wellicht niet mogelijk is om binnen negen maanden het perspectief van [minderjarige] te bepalen.
5. De beoordeling
Het wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.De inhoudelijke beoordeling
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling. Dit betekent dat [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld voor de duur van een jaar. Het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen houdt de kinderrechter aan. De kinderrechter zal deze beslissingen hieronder toelichten.
De kinderrechter overweegt dat duidelijk is geworden dat beide ouders veel van [minderjarige] houden en grote betrokkenheid tonen bij [minderjarige] , maar er veel zorgen zijn over het veilig opgroeien van [minderjarige] . De ontwikkeling van [minderjarige] wordt namelijk op vrijwel ieder levensgebied bedreigd, waarbij de basale veiligheid en verzorging van [minderjarige] en de emotionele beschikbaar van de moeder de grootste zorgen zijn. Er is bij de moeder sprake van psychische problematiek, waardoor het haar niet altijd lukt om haar eigen gedrag en het gedrag van [minderjarige] te reguleren. Ook vindt de moeder het lastig om structuur aan te brengen, haar woning schoon te houden en regelmaat en duidelijkheid te bieden aan [minderjarige] . Daar komt bij dat de moeder de opvoeding en verzorging van [minderjarige] als emotioneel en fysiek uitputtend ervaart, waardoor zij in toenemende mate overbelast raakt en haar draagkracht en draaglast niet in balans is. De opvoeding van [minderjarige] in combinatie met haar eigen problematiek en de hoge mate van stress die zij mede hierdoor ervaart, zorgt ervoor dat het de moeder niet lukt om te zien wat [minderjarige] wanneer nodig heeft en hierbij goed aan te sluiten. Ook over de opvoedsituatie van de vader heeft de kinderrechter zorgen. Er is bij de vader namelijk sprake van persoonlijke problematiek en er zijn twijfels over de leerbaarheid van de vader. Ook is gebleken dat de vader moeite heeft met het houden van overzicht, het bieden van dagelijkse structuur en het aansluiten bij de leeftijdsfase van [minderjarige] .
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder op dit moment weliswaar bereid maar onvoldoende in staat zijn om deze ontwikkelingsbedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en de noodzakelijke hulpverlening te accepteren. Hoewel beide ouders betrokken zijn en bereid zijn om mee te werken aan het creëren van een veilige opvoedomgeving voor [minderjarige] , heeft de inzet van verschillende vormen van hulpverlening in het vrijwillige kader niet tot structurele verbetering in de opvoedsituatie geleid. Daar komt bij dat de moeder met momenten weerstand ervaart tegen de betrokken hulpverlening en wisselend kan zijn in hetgeen zij nodig vindt voor [minderjarige] . Hierdoor is het binnen het vrijwillige kader niet gelukt om de zorgen over [minderjarige] weg te nemen en de situatie ten positieve te veranderen.
Op basis van het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat het noodzakelijk is dat hulp en regie in een gedwongen kader wordt ingezet. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar. De kinderrechter acht Stichting Jeugdbescherming west Zeeland passend voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en stelt [minderjarige] daarom onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland.
Tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan onderstaande doelen, waarbij de kinderrechter aansluit bij de doelen van de Raad, zoals geformuleerd in de raadsrapportage op pagina 36, te weten:
- [minderjarige] groeit op in een fysiek en emotioneel veilige opvoedingsomgeving waarbij hij wordt gestimuleerd in zijn ontwikkeling en hem duidelijkheid, voorspelbaarheid, stabiliteit, structuur en regelmaat wordt geboden maar ook steun, troost en affectie aanwezig is;
- De moeder ontvangt passende hulpverlening voor haar persoonlijke problematiek;
- De draaglast-draagkracht verhouding van de moeder is in balans;
- De vader heeft inzicht in wat [minderjarige] van hem, in een bepaalde ontwikkelingsfase nodig heeft;
- [minderjarige] heeft structureel een onbelast contact met zijn moeder en met zijn
Vader.
Voor wat betreft de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin overweegt de kinderrechter als volgt. Uit het raadsrapport en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt onvoldoende wat op dit moment het meest passend is voor [minderjarige] en wat de juiste plek is voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Niet is gebleken dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] naar het oordeel van de Raad spoedeisend is, waarbij de kinderrechter de genoemde zorgen wel uiterst serieus neemt. Het is belangrijk dat goed wordt onderzocht of [minderjarige] langer of volledig bij de vader kan verblijven tijdens de opname van de moeder, temeer nu de vader heeft aangegeven dat hij de volledig zorg voor [minderjarige] wil dragen als dat nodig is. Ook moet worden onderzocht of een (gedeeltelijke) plaatsing bij de schoonmoeder van de moeder mogelijk is. De kinderrechter vindt het belangrijk dat deze twee mogelijkheden worden onderzocht, alvorens een beslissing op dit verzoek te nemen. De kinderrechter zal de behandeling van het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing daarom aanhouden en bepaalt dat de nadere zitting zal plaatsvinden op [datum 1] 2026 te [uur]. De kinderrechter verwacht dat de Raad uiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zitting, te weten op [datum 2] 2026, aanvullend zal adviseren over het vorenstaande en dat de GI de rechtbank en alle belanghebbenden alsdan schriftelijk zal informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling tot dan toe.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie voert en passende hulpverlening inzet om bovenstaande doelen te behalen. De kinderrechter overweegt dat betrokkenheid van het instroomteam, gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de aanhouding het verzoek omtrent de machtiging tot uithuisplaatsing, in deze situatie niet passend is. De kinderrechter verwacht dan ook dat op kortst mogelijke termijn een vaste jeugdbeschermer zal worden betrokken. Ook verwacht de kinderrechter dat in de komende periode wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor een (gedeeltelijke) plaatsing van [minderjarige] bij de vader en bij de schoonmoeder van de moeder. Het is van belang dat de huidige contactregeling tussen [minderjarige] en de vader wordt voortgezet en indien mogelijk stapsgewijs worden uitgebreid. Er zal ook een contactregeling moeten worden opgesteld tussen [minderjarige] en de moeder gedurende de opname voor de moeder, waarbij de moeder - zeker tijdens de opname - ondersteund moet worden in het onderhouden van structureel onbelast contact met [minderjarige] . Voorts vindt de kinderrechter het belangrijk dat de intensieve pedagogische thuishulp betrokken blijft bij de vader zodat psycho-educatie kan worden ingezet en er tegelijkertijd meer zicht komt op zijn pedagogische vaardigheden, de leerbaarheid en het inzicht van de vader. Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 5 november 2025 en tot 5 november 2026;
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de Raad, de vader, (de advocaat van) de moeder en de GI op te verschijnen tijdens de zitting van mr. Duinhof van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, op [datum 1] 2026 te [uur], teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.