2. Het verzoek
Het verzoek van de man tot wijziging van voormelde beschikking strekt tot nadere vaststelling van de door de hem te betalen bijdrage ten behoeve van de minderjarige met ingang van 3 juni 2024 op nihil.
3. De beoordeling
In voormelde beschikking is, voor zover nu van belang, bepaald dat de man ten behoeve van de minderjarige met ingang van 30 augustus 2023 aan de vrouw een bedrag moet voldoen van € 275,= per maand.
Grondslag verzoek
De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat de omstandigheden na de beschikking van 13 oktober 2023 zodanig zijn gewijzigd dat de daarin vastgestelde voorziening ter zake de kinderbijdrage niet langer in stand kan blijven. In dit verband voert de man aan dat zijn inkomen de laatste jaren fors is gedaald omdat hij arbeidsongeschikt is geraakt. Ook stelt de man dat in voormelde beschikking ten onrechte geen rekening is gehouden met enig inkomen aan de zijde van de vrouw.
Tijdens de zitting is niet langer tussen partijen in geschil gebleken dat na de beschikking van 13 oktober 2023 sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden ex artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit omdat de man met ingang van 3 juni 2024 een WIA-uitkering ontvangt.
De rechtbank volgt partijen in hun stelling dat de omstandigheden na voormelde beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd dat de in die beschikking ten aanzien van de kinderbijdrage gegeven voorziening niet langer in stand kan blijven. De man is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.
Ingangsdatum
De man stelt dat de kinderbijdrage met ingang van 3 juni 2024 moet worden gewijzigd omdat hij per die datum een WIA-uitkering ontvangt.
De vrouw heeft aangevoerd dat de kinderbijdrage niet met terugwerkende kracht gewijzigd moet worden. Volgens de vrouw moet het voor rekening van de man blijven dat hij pas ruim een jaar na wijziging van zijn inkomen een verzoek heeft gedaan.
Uitgangspunt is dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum voor een (gewijzigde) onderhoudsbijdrage. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter wel terughoudendheid betrachten bij het wijzigen van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht. Door de man is aangevoerd dat hij een jaar lang geen rechtsbijstand heeft gehad, waardoor hij pas in oktober 2025 een verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage heeft kunnen doen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een omstandigheid die voor rekening en risico van de man komt. De rechtbank ziet aanleiding om de hierna te bespreken, gewijzigde, bijdrage pas te laten ingaan op de datum waarop de man zijn verzoek heeft ingediend, zijnde 10 oktober 2025. Met ingang van die datum had de vrouw rekening kunnen houden met een gewijzigde bijdrage.
Behoefte minderjarige
Partijen zijn het er tijdens de zitting over eens geworden dat de behoefte van de minderjarige in het kader van deze procedure kan worden bepaald op een bedrag van € 614,= per maand in 2025.
Aandeel onderhoudsplichtigen
Vervolgens moet beoordeeld worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de ouders zal worden verdeeld. De rechtbank volgt in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe moet eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen worden bepaald.
NBI en draagkracht van de vrouw
Volgens de man moet niet worden uitgegaan van het huidige inkomen van de vrouw, maar moet haar verdiencapaciteit tot uitgangspunt worden genomen. De man heeft aangevoerd dat er geen enkel beletsel is waarom de vrouw niet fulltime kan werken. Tijdens de zitting stelt de man het bruto inkomen aan de zijde van de vrouw op een bedrag van € 19.764,= per jaar.
De vrouw heeft het verweer gevoerd dat in het kader van deze procedure moet worden uitgegaan van haar huidige inkomen. Dit betreft een inkomen van € 148,= uur per week zoals zij dit met ingang van 11 september 2025 verdient voor haar werkzaamheden van gemiddeld 10 uur per week bij Brabant In- en Exterieurverzorging.
De rechtbank stelt voorop dat de beslissing in deze procedure slechts een voorlopige voorziening is die geldt voor de duur van de echtscheidingsprocedure. In deze procedure is geen ruimte voor een uitvoerig onderzoek naar de verdiencapaciteit van de vrouw. Daarbij geldt dat partijen hebben verklaard dat de discussie over de verdiencapaciteit van de vrouw uitvoerig tussen hen is besproken tijdens de zitting in de bodemprocedure. Deze zitting in de bodemprocedure heeft plaatsgevonden twee weken voor de zitting in deze procedure (op 12 november 2025). In het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure gaat de rechtbank uit van het huidige, feitelijke, inkomen van de vrouw.
Op basis van haar huidige inkomen heeft de vrouw haar NBI berekend op een bedrag van € 1.162,= per maand (productie 8 van de vrouw). Omdat de man deze berekening van de vrouw onweersproken heeft gelaten, zal de rechtbank deze draagkrachtberekening volgen. Volgens de berekening van de vrouw is haar draagkracht dan € 25,= per maand.
NBI en draagkracht van de man
Niet in geschil is tussen partijen dat voor de berekening van het NBI van de man kan worden uitgegaan van zijn huidige WIA-uitkering van € 2.193,= bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Overeenkomstig de door de man (als productie 20) in het geding gebrachte draagkrachtberekening is zijn NBI dan € 1.755,= per maand. Partijen zijn het er over eens dat – anders dan door de vrouw in haar berekening is gedaan – geen rekening moet worden gehouden met de arbeidskorting. De draagkracht van de man is dan € 25,= per maand.
Draagkrachtvergelijking en zorgkorting
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van partijen van € 50,= per maand lager is dan de behoefte van de minderjarige van € 614,= per maand.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Omdat de behoefte € 614,= per maand is, bedraagt de zorgkorting € 215,= per maand.
Hiervoor is berekend dat de totale (gezamenlijke) draagkracht van partijen € 50,= per maand is. Het tekort om in de behoefte van de minderjarige te voorzien is (€ 614,= -/- € 50,=) € 564,= per maand en dus meer dan tweemaal zo groot als de zorgkorting van € 215,= per maand waar de man recht op heeft. Gelet hierop moet de man tot het volledige bedrag van € 25,= per maand in de behoefte van de minderjarige voorzien.
Conclusie met betrekking tot de gewijzigde bijdrage
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de in de beschikking van 13 oktober 2023 vastgestelde bijdrage moet worden gewijzigd in een bedrag van € 25,= per maand. Zoals hiervoor is overwogen zal deze gewijzigde bijdrage ingaan op 10 oktober 2025.
4. De beslissing
De rechtbank
wijzigt voormelde beschikking van 13 oktober 2023 als volgt:
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, met ingang van 10 oktober 2025 wordt vastgesteld op € 25,= (vijfentwintig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.