RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/442150 / JE RK 25-2060
Datum uitspraak: 20 november 2025
Beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het mondelinge spoedverzoek van de Raad van 20 november 2025;
- de schriftelijke bevestiging van het spoedverzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 21 november 2025.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader en moeder.
De ouders en de minderjarigen hebben de Hongaarse nationaliteit.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het is de kinderrechter gebleken dat zowel de beide ouders als de beide minderjarigen de Hongaarse nationaliteit hebben. Gelet hierop draagt deze zaak een internationaal karakter. Dit maakt dat de kinderrechter eerst moet beoordelen of deze rechtbank rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek, alvorens de rechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de beide minderjarigen in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling spoedverzoek
De kinderrechter heeft de volgende informatie van de Raad ontvangen. Er zijn al enige tijd grote zorgen over de situatie van de minderjarigen. Zo hebben er de afgelopen tijd diverse incidenten plaatsgevonden waarbij de moeder zich met de minderjarigen zonder schoenen en sokken op of nabij een autoweg (N-weg) begeeft waar 100 kilometer per uur wordt gereden. De moeder zou de minderjarigen voortdurend overal mee naar toe nemen en hen verder isoleren. Ook is er sprake van veelvuldig huiselijk geweld binnen het gezin. Dit vindt plaats tussen de ouders en in het bijzijn van de minderjarigen. De Raad heeft aangegeven dat dit geweld zowel van vader en moeder als van moeder naar vader plaatsvindt. Er wordt veelvuldig geschreeuwd en geslagen en er is onder meer een Veilig Thuis melding geweest waarin gemeld werd dat moeder vader in het bijzijn van de kinderen aftuigde. Er zijn daarnaast diverse signalen dat [minderjarige 1] inmiddels een ontwikkelingsachterstand heeft opgelopen. Vanwege al deze zorgen zijn er de afgelopen tijd meerdere Veilig Thuis meldingen gedaan. Ook is er kortgeleden ambulante spoedhulp vanuit [hulpverlening] ingezet voor het gezin. De moeder heeft haar toestemming hiervoor inmiddels ingetrokken, weigert zich aan de veiligheidsafspraken te houden en heeft aangegeven met de minderjarigen te willen vertrekken naar een onbekende bestemming. De Raad vreest, mede door het feit dat de moeder de afgelopen periode meermaals met de minderjarigen is vertrokken en op verschillende plekken in het land bij nacht en ontij aangetroffen is, dat de moeder en de minderjarigen voorgoed vertrekken en uit beeld zullen verdwijnen. De vader houdt zich wisselend aan de veiligheidsafspraken. Hij lijkt niet opgewassen tegen de moeder. De Raad constateert op grond van het vorenstaande dat de fysieke en emotionele veiligheid van de minderjarigen in het gedrang is. Hier moet spoedig zicht op worden verkregen.
Op basis van deze informatie heeft de kinderrechter het ernstige vermoeden dat de ontwikkeling van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. Aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling wordt dus voldaan. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
De kinderrechter is vanwege al het voorgaande ook van oordeel dat een mondelinge behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht voor de duur van twee weken, met ingang van 20 november 2025 en tot 4 december 2025. De beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden in afwachting van de hierna te noemen mondelinge behandeling. De Raad en de belanghebbenden worden dan in de gelegenheid gesteld hun mening te geven.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 20 november 2025 en tot 4 december 2025;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
bepaalt dat de Raad, de vader, de moeder en de GI zullen worden gehoord tijdens de mondelinge behandeling van [datum] 2025 om [uur] , welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan de Kousteensedijk 2 te Middelburg, ten overstaan van mr. Duinhof voor de duur van ongeveer 45 minuten;
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.