RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440859 / JE RK 25-1853
Datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.L. Witteveen te Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 14 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen op 14 oktober 2025;
- het op 10 november 2025 ontvangen verweerschrift van de moeder.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] gelet op haar leeftijd naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is bij de moeder bepaald. [minderjarige 1] verblijft momenteel feitelijk grotendeels bij de vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad om ten aanzien van [minderjarige 1] een machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het wel goed met haar gaat, al is zij wel erg moe. Ze baalt ervan dat ze vandaag niet op school kan zijn, omdat de finale van [spel] vandaag plaatsvindt. Verder vindt [minderjarige 1] het niet leuk op school. Zij gaat volgend jaar naar de middelbare school, maar er is nog wat onduidelijkheid over welk niveau zij kan gaan volgen. Desgevraagd benoemt [minderjarige 1] dat zij de afgelopen tijd op verschillende adressen heeft verbleven. Eerst enige tijd bij haar oma in [plaats 3] , toen bij haar vader en toen weer even bij haar moeder, omdat haar vader in het ziekenhuis lag. De komende tijd zou [minderjarige 1] het liefst een week bij haar vader zijn, en dan vier dagen bij haar moeder en drie dagen bij haar vader. Zij heeft daar goed over nagedacht. [minderjarige 1] vertelt dat zij zich bij haar moeder veelal op haar kamer terugtrekt, omdat het daar erg druk is doordat haar broertje veel geluid maakt met zijn tablet. [minderjarige 1] en haar broertje hebben ook vaak ruzie, waarbij [minderjarige 1] dan soms, mogelijk door de drukte, heel boos kan worden en met spullen kan gooien. Bij haar vader heeft [minderjarige 1] daar minder last van. Over het verzoek tot ondertoezichtstelling heeft [minderjarige 1] geen mening, omdat zij daar weinig van begrijpt. Haar ouders hoeven volgens [minderjarige 1] niets te veranderen, want zij zijn goed genoeg. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader vindt [minderjarige 1] prima, omdat zij nu toch al grotendeels bij haar vader verblijft en het daar – net als bij haar moeder – fijn vindt en er gewend is. Tot slot geeft [minderjarige 1] haar leven een cijfer 8.
De Raad handhaaft het verzoek. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij zijn belast met complexe kind eigenproblematiek en er zijn daarnaast grote spanningen tussen de ouders, in de onderlinge gezinsrelaties en in de woon- en opvoedingssituaties. Er zijn bepaalde patronen tussen de ouders ontstaan waarbij zij niet meer met elkaar communiceren en de verantwoordelijkheid bij elkaar of bij de hulpverlening neerleggen. De minderjarigen zijn daardoor klem komen te zitten tussen de ouders, en hun problematiek wordt daardoor enorm versterkt. Ondanks dat de moeder de afgelopen jaren haar best heeft gedaan om hulpverlening voor de minderjarigen in te zetten, lijkt de zorg nu te stagneren doordat de moeder niet altijd haar toestemming verleent. Ook is er tot op heden nog geen hulpverlening ingezet voor de systeemproblematiek. De situatie is de laatste tijd bovendien alleen maar zorgelijker geworden, ondanks de inzet van casusregie. Ter illustratie benoemt de Raad de vele wisselingen van [minderjarige 1] de afgelopen tijd en de omstandigheid dat [minderjarige 2] inmiddels niet meer naar school gaat vanwege zijn zorgelijke gedrag waarbij hij niet komt tot werken, impulsen niet kan onderdrukken, hij continu geluiden maakt, plasongelukken heeft en steeds bevestiging zoekt. De school kan hem niet meer bieden wat hij nodig heeft. Al het voorgaande maakt volgens de Raad dat de ouders voldoende bereid, maar onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Nu er sprake is van meervoudige problematiek binnen het systeem waarin (gevoelens van) onveiligheid een centrale rol spelen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , verzoekt de Raad [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. De Raad verwacht dat de ouders baat zullen hebben bij een jeugdbeschermer die de belangen van de minderjarigen vooropstelt en de ouders waar nodig aanstuurt, zodat de juiste stappen vlot kunnen worden genomen. Daarnaast acht de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader met gezag noodzakelijk voor [minderjarige 1] , omdat zij op dit moment feitelijk grotendeels bij haar vader verblijft terwijl zij haar hoofdverblijf bij haar moeder heeft. Deze situatie dient de komende tijd, zolang het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet duidelijk is, op de huidige wijze te worden voortgezet, ook om nog meer wisselingen voor [minderjarige 1] te voorkomen en om duidelijkheid en rust te creëren. Daarom verzoekt de Raad ten aanzien van [minderjarige 1] een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader te verlenen voor de duur van negen maanden.
Door en namens de moeder wordt primair afwijzing van het verzoek bepleit. Volgens de moeder wordt niet voldaan aan de voorwaarden van de verzochte maatregelen dan wel heeft de Raad onvoldoende onderbouwd waarom deze nodig zijn. De moeder heeft de afgelopen jaren namelijk steeds hulpverlening gezocht en aanvaard, en dit heeft wel degelijk enig effect gehad. Tegelijkertijd erkent de moeder dat er meer nodig is nu er steeds meer zorgen zijn. Zij is dan ook (nog steeds) bezig met de inzet van passende hulpverlening. Inmiddels is er een IPT-traject opgestart bij de moeder, volgt [minderjarige 2] speltherapie en is [minderjarige 1] aangemeld voor een traject bij [hulpverlening 1] . Ook is de moeder bezig met het regelen van een dagbesteding voor [minderjarige 2] . Het is verder niet juist dat de moeder weigert om haar toestemming te verlenen voor het netwerkberaad en voor een traject MST-CAN vanuit De Viersprong, maar zij heeft eerst nog aanvullende vragen gesteld. Zo zou het MST-CAN traject niet tegelijk met het traject van [minderjarige 1] bij [hulpverlening 1] kunnen worden ingezet, terwijl het voor [minderjarige 1] erg belangrijk is dat dit traject nu eindelijk van start kan gaan. Volgens de moeder wacht iedereen nu op de uitkomst van deze procedure, maar staan de belangrijke trajecten wel al in de startblokken. Ook erkent de moeder dat zij opvoedondersteuning nodig heeft en denkt zij dat er kan worden gewerkt aan het verbeteren van de onderlinge verstandhouding en de communicatie van de ouders, al vindt zij dat onder meer vanwege alle verwijten van de afgelopen tijd wel heel erg lastig. De moeder stemt in ieder geval in met de benodigde hulpverlening, waardoor er geen aanleiding is voor een gedwongen kader. Ten aanzien van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing benoemt de moeder dat de inzet van hulpverlening het meest effectief is als beide minderjarigen bij de moeder thuis verblijven, zodat vanuit die situatie de problemen kunnen worden aangepakt en het perspectief van [minderjarige 1] kan worden onderzocht. Gedurende de machtiging tot uithuisplaatsing zal er bovendien moeten worden toegewerkt naar een terug-thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder, hetgeen juist voor onduidelijkheid en onrust zorgt. Subsidiair verzoekt de moeder om het verzoek van de Raad aan te houden voor duur van zes maanden, nu de belangrijke hulpverlening zich al in de startfase bevindt. Meer subsidiair verzoekt de moeder om de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor een kortere duur van zes maanden. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] dient vanwege het vorengaande in alle gevallen te worden afgewezen.
De vader stemt in met het verzoek van de Raad. Nadat de hulpverlening enige tijd geleden diverse alarmerende zaken had gemeld, heeft de vader ingegrepen. Sindsdien zijn zowel de situatie als de communicatie tussen de ouders gestagneerd. De ouders zitten op bepaalde punten niet op één lijn en komen er samen niet uit. Ook stagneert bepaalde hulpverlening op dit moment, omdat de moeder daar, zo heeft de vader vernomen van [hulpverlening 2] , geen toestemming voor verleent. Het lijkt de vader daarom goed dat er een onafhankelijke jeugdbeschermer bij de ouders betrokken raakt die in het belang van de minderjarigen kan bepalen wat er moet gebeuren. Wellicht lukt het de ouders dan ook om hun verstandhouding en communicatie te herstellen, al zal dat een hele lange weg worden nu er zoveel is gebeurd.
De GI is van mening dat het verzoek moet worden toegewezen. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader is aangewezen. Helaas is er niet direct een jeugdbeschermer beschikbaar voor de ouders en de minderjarigen. Het instroomteam zal ervoor zorgen dat de belangrijkste zaken worden opgepakt.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de Raad deels toewijzen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van zes maanden, met ingang van 21 november 2025 en tot 21 mei 2026. Ook zal de kinderrechter de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlenen voor de duur van zes maanden, met ingang van 21 november 2025 en tot 21 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
Op basis van de ingediende stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter met de Raad van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Beide minderjarigen zijn belast met complexe kind eigenproblematiek en er zijn veel zorgen over hun sociaal emotionele ontwikkeling. Zo is er bij [minderjarige 1] sprake van ADHD, ASS, dyslexie en een beperkte leerbaarheid. Daarnaast vertoont [minderjarige 1] dominant, agressief en dreigend gedrag, dat zij zowel fysiek als verbaal vooral tegen [minderjarige 2] , maar ook tegen haar ouders, docenten en medeleerlingen uit. Hierbij is mogelijk sprake (geweest) van grensoverschrijdend gedrag tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 2] is op zijn beurt belast met een ongespecificeerde psychotrauma- of stress gerelateerde stoornis (ontwikkelingstrauma en onveilige gehechtheidsstrategie) en hij vertoont emotionele, sociale en gedragsproblemen, mogelijk voortkomend uit forse spanningsklachten en de instabiliteit en onveiligheid in de thuissituatie. Als gevolg hiervan kan [minderjarige 2] inmiddels niet meer naar school. Naast deze zorgen hebben de minderjarigen te maken met forse systeemproblematiek. Met name de afgelopen tijd is er sprake van erg veel spanningen tussen de ouders en een gebrek aan communicatie tussen hen. De problematiek van de minderjarigen neemt hierdoor verder toe.
Het is de kinderrechter dan ook gebleken dat de bovengenoemde zorgen ondanks de al jarenlange inzet van diverse hulpverlening in het gezin op dit moment nog niet zijn weggenomen, maar de afgelopen tijd – mede vanwege de forse systeemproblematiek – juist verder zijn toegenomen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de kinderrechter – in tegenstelling tot hetgeen door en namens de moeder is betoogd – dat de ouders weliswaar bereid, maar onvoldoende in staat zijn om de zorgen over de minderjarigen op eigen kracht te doen afnemen. De omstandigheden dat het traject bij [hulpverlening 1] voor [minderjarige 1] nu op korte termijn van start gaat, de moeder bezig is met het regelen van een dagbesteding voor [minderjarige 2] en er kortgeleden een IPT-traject bij de moeder thuis is opgestart, doen daar niet aan af. De kinderrechter is namelijk met de Raad van oordeel dat er naast passende hulpverlening voor de minderjarigen ook dringend hulpverlening voor de systeemproblematiek moet worden ingezet. Gelet op de moeizame verstandhouding van de ouders heeft de kinderrechter niet de verwachting dat de ouders dit zelfstandig voor elkaar krijgen. Daarbij komt dat bepaalde zorg de afgelopen tijd is gestagneerd doordat de moeder daar niet (meteen) mee kon instemmen. Het vorengaande maakt, zeker gezien de complexe, langdurig bestaande en recent verder toegenomen zorgen, dat er een strakke regievoerder bij de ouders en de minderjarigen betrokken moet raken om de belangen van de minderjarigen blijvend voorop te stellen, de benodigde hulpverlening voortvarend in te zetten en deze te monitoren.
De kinderrechter zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom onder toezicht stellen voor de duur van een half jaar, met ingang van 21 november 2025 en tot 21 mei 2026. In de omstandigheid dat tijdens de zitting door en namens de moeder is aangevoerd dat zij wel degelijk in staat is om de zorgen over de minderjarigen in het vrijwillig kader te doen afnemen nu zij niet alleen instemt met de benodigde hulpverlening, maar zich hier ook voor wil (blijven) inzetten, ziet de kinderrechter, nu ook de vader welwillend tegenover de hulpverlening staat, aanleiding om het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vooralsnog gedeeltelijk toe te wijzen en voor het overige aan te houden. De kinderrechter acht het van belang dat er een tussentijdse evaluatie zal plaatsvinden, zodat het verloop van de ondertoezichtstelling kan worden gemonitord en de stand van zaken omtrent de hulpverlening kan worden besproken. Ook dient er zicht te worden verkregen op de beide opvoedsituaties van de ouders.
De doelen waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling in ieder geval moet worden gewerkt, zijn:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn fysiek en emotioneel veilig bij beide ouders en hier is zicht op;
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een onbelast contact met beide ouders;
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een onbelast contact met elkaar;
Het toekomstperspectief met betrekking tot de woon- en verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is helder;
[minderjarige 1] heeft een onafhankelijk persoon, die los staat van haar beide ouders, bij wie zij haar verhaal kwijt kan.
Ouders hebben inzicht in wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gezien de complexe situatie met meervoudige problematiek waarin zij zich bevinden, van hen nodig hebben en wat zij daarin zelf kunnen betekenen.
De kinderrechter is verder van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Daartoe overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 1] de afgelopen tijd, nadat de situatie bij de moeder thuis is geëscaleerd, meermaals is gewisseld van verblijfplaats. Dit heeft voor veel onrust en onduidelijkheid gezorgd en dit acht de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige 1] . Op dit moment verblijft [minderjarige 1] grotendeels bij haar vader en hier lijkt het naar omstandigheden goed met haar te gaan. De kinderrechter vindt het tegen de achtergrond van de hiervoor beschreven forse zorgen van belang dat de huidige situatie de komende tijd ongewijzigd wordt voortgezet, zodat [minderjarige 1] in die zin wat rust en duidelijkheid wordt geboden en nog meer wisselingen worden voorkomen. Daarom zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader verlenen voor de duur van zes maanden, met ingang van 21 november 2025 en tot 21 mei 2026, en aanhouden voor het overige deel in afwachting van de hiervoor genoemde tussentijdse evaluatie.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland voor de duur van zes maanden, met ingang van 21 november 2025 en tot 21 mei 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van zes maanden, met ingang van 21 november 2025 en tot 21 mei 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het verzoek van de Raad voor het overige aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling gelegen vóór 21 mei 2026 en verzoekt de GI om uiterlijk op 14 april 2026 via een briefrapport de kinderrechter, de (advocaat van de) moeder, de vader en de Raad te voorzien van de actuele stand van zaken in het kader van de ondertoezichtstelling, de ontwikkelingen in de situatie en het verloop en de resultaten van de hulpverlening;
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.