[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. De griffier heeft aan verzoekster gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Daarbij is ook gevraagd om een overzicht van haar vaste lasten en inkomsten te geven. Verzoekster heeft geen toelichting gegeven op het spoedeisend belang maar heeft volstaan met het toesturen van bankafschriften.
6. Met de toegezonden bankafschriften is onvoldoende gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 25 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: