de burgemeester van de gemeente Zundert, de burgemeester.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] (de woningstichting),
(gemachtigde: mr. M.C.E. Wirken).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van de burgemeester om de door haar gehuurde woning aan [adres] (de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden met ingang van 13 november 2025 op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De woning is daadwerkelijk per die datum gesloten en verzoekster verblijft in de doorstroomvoorziening in [plaats 3].
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester en een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. P.F.M. Gulickx als waarnemer van de gemachtigde van verzoekster, en mr. M.M.A.J. Braspenning-Hereijgers en [naam] namens de burgemeester. Namens de woningstichting waren mr. S. Walters-van den Elshout en de gemachtigde aanwezig.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter moet beoordelen of het bezwaar van verzoekster voldoende kans van slagen heeft en zo ja, of dat gezien de betrokken belangen moet leiden tot het treffen van een voorziening totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van de burgemeester wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de sluiting van de woning nu niet mag voortduren en dat verzoekster de woning weer in mag. De voorzieningenrechter legt uit waarom zij dat beslist.
De burgemeester baseert het besluit op artikel 13b van de Opiumwet. Op grond van dat artikel is de burgemeester bevoegd een woning te sluiten als in die woning drugs wordt verkocht, wordt afgeleverd of wordt verstrekt of met één van die redenen daar aanwezig is. Uit de rechtspraak volgt dat de burgemeester daadwerkelijke drugshandel niet hoeft te bewijzen, maar dat de burgemeester dit mag aannemen als een zogenaamde handelshoeveelheid drugs aanwezig is. In deze zaak is zonder twijfel meermaals een handelshoeveelheid drugs, namelijk distikstofmonoxide (lachgas), aangetroffen, bijvoorbeeld op 28 augustus 2025 en 4 september 2025 respectievelijk netto 3.140 gram en 1.940 gram lachgas in cilinders. Dit is een middel genoemd in lijst II van de Opiumwet, zodat artikel 13b Opiumwet een bevoegdheidsgrondslag tot sluiting kan vormen.
Verzoekster heeft echter aangevoerd dat ondanks deze grote hoeveelheden sprake is van lachgas voor eigen gebruik, inclusief gebruik door haar bij haar wonende zusje. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft zij dat in dit specifieke geval voldoende aannemelijk gemaakt. In de verschillende bestuurlijke rapportages is immers opgenomen dat de politie meermaals verzoekster en haar zusje aantreft in de woning, terwijl zij in aanwezigheid van de politie lachgas blijven gebruiken. Eén van de rapportages vermeldt letterlijk dat verzoekster ‘de ene na de andere ballon aan haar mond zet en inhaleert’. Andere personen dan verzoekster en haar zusje worden, op eenmalig één enkele andere persoon na, ook niet aangetroffen, zodat uit de bestuurlijke rapportages geen aanwijzingen blijken van verstrekking aan derden. Uit het dossier blijkt daarnaast geen informatie over loop naar de woning of andere indicaties voor handel. Ook bevat het dossier een brief van de begeleider bij Novadic Kentron waarin staat dat een gemiddelde gebruiker van lachgas op één avond wel 2,5 kg gebruikt. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat het lachgas, ondanks de grote hoeveelheid, niet in de woning aanwezig was ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking. Dan ontbreekt de bevoegdheid tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. Dat eerder een waarschuwing is gegeven, maakt niet dat een situatie als bedoeld in 13b Opiumwet aan de orde is en dat is het enige artikel dat de burgemeester aan de sluiting ten grondslag heeft gelegd. Als de voorzieningenrechter daar dan ook nog het belang van verzoekster bij betrekt om in de woning te kunnen verblijven in plaats van in de doorstroomvoorziening, ziet de voorzieningenrechter reden een voorlopige voorziening te treffen.
De beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025 door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier. Deze uitspraak zal geanonimiseerd worden gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: