ECLI:NL:RBZWB:2025:8353

ECLI:NL:RBZWB:2025:8353, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27-11-2025, BRE 24/6432

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-11-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer BRE 24/6432
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840

Samenvatting

Wht - overname private schulden. Beroep gegrond. Schuld blijkt uit faillissement.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

de minister van Financiën, verweerder.

Samenvatting

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 24/6432

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),

en

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor het overnemen van private schulden die onder de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) vallen. Deze aanvraag is gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de private schuld aan [naam] over te nemen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verweerder heeft eisers aanvraag met het herziene besluit van 5 juni 2023 (primair besluit) afgewezen. Met het herziene bestreden besluit van 13 augustus 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser in persoon en de gemachtigde van eiser via beeldbellen deelgenomen. Namens verweerder is niemand verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om in aanmerking te komen voor overname van zijn private schulden. Op de schuldenlijst staan diverse schulden, waaronder een privéschuld aan [naam] .

Met het besluit van 30 januari 2023 heeft de bestuurder van SBN, namens de Belastingdienst/Toeslagen, aangegeven dat een deel van de opgegeven schulden wel en een deel van de schulden (nog) niet voor overname in aanmerking komen. De schuld aan [naam] komt niet voor overname is aanmerking, omdat het een onderhandse lening en/of een privé schuld betreft. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Met het primaire besluit heeft SBN het besluit van 30 januari 2023 herzien. In aanvulling daarop komen vier schulden voor overname in aanmerking.

Met de beslissing op bezwaar van 18 september 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift geen gronden bevat.

Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is met de uitspraak van 24 juni 2024 door de rechtbank Den Haag gegrond verklaard. Daarbij is de beslissing op bezwaar vernietigd en heeft de rechtbank verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Eiser heeft op 25 juni 2024 bezwaargronden ingediend.

Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft verweerder de beslissing op bezwaar van

18 september 2023 ingetrokken en eisers bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft overwogen dat de schuld bij [naam] van € 16.000,- niet wordt overgenomen, omdat dit een informele schuld is. De wetgever heeft bewust gekozen voor het stellen van de eis van een notariële akte bij een informele schuld. Nu de lening bij [naam] niet is vastgelegd in een geldige notariële akte of waaraan een gerechtelijk vonnis ten grondslag ligt, voldoet deze niet aan de vereiste van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. De lening is weliswaar vastgelegd in een onderhandse leningsovereenkomst, maar dit bewijsmiddel is niet toelaatbaar op grond van de Wht.

Eisers beroep op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024 slaagt niet, omdat die uitspraak ziet op een specifieke bijzondere omstandigheid waardoor is afgeweken van de bewijslast. De informele lening was namelijk vastgelegd in een jaarrekening van een besloten vennootschap met daarbij een verklaring van een gecertificeerde boekhouder en is vervolgens consequent geregistreerd in de aangiftes vennootschapsbelasting.

Daarnaast is niet gebleken dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Er zijn geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat eiser is gesommeerd per aangetekende brief en dat de schuld opeisbaar is geworden.

Beroepsgronden

4. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Verder heeft eiser aangevoerd dat hoewel geen notariële akte is opgemaakt, dit niet wegneemt dat er wel heel veel stukken zijn waaruit blijkt dat er sprake is van een schuld met een terugbetalingsverplichting. Er wordt daadwerkelijk afgelost door eiser en er is een terugbetalingsverplichting afgesproken waaraan eiser zich moet houden. Eiser beseft dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de lijn volgt dat sprake moet zijn van een notariële akte. Eiser vindt echter de lijn in voorgenoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam de juiste lijn en dat deze veel beter aansluit bij de praktische situatie van slachtoffers van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Eiser is van mening dat de wetgever destijds niet heeft nagedacht over de gevolgen van het stellen van een voorwaarde dat sprake moet zijn van een notariële akte. Het is veeleer de bedoeling van de wetgever geweest dat niet zomaar elke schuld opgevoerd kan worden en zonder enig bewijs voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen of waarbij achteraf aktes worden opgemaakt waaruit dan ineens een schuld zou blijken, terwijl die schuld in beginsel helemaal niet heeft bestaan. In eisers geval gaat het echter om een geldlening die al ver voor aanvang van de kinderopvangtoeslagaffaire is aangegaan. De wetgever heeft geen rekening gehouden met situaties zoals die van eiser en dus kan toepassing van de wettelijke regelgeving buiten beschouwing worden gelaten. Het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet gaat dan ook niet op. Eiser heeft daartoe gesteld dat de bijzondere omstandigheid dat het voor slachtoffers van de kinderopvangtoeslagenaffaire financieel simpelweg onmogelijk was om een notariële akte op te maken met betrekking tot een geldlening niet verdisconteerd is.

Daarnaast heeft eiser gesteld dat de vordering wel opeisbaar was. De vordering was namelijk opeisbaar vanaf het moment dat eiser een termijnbedrag niet of niet volledig betaalde, hetgeen meermaals het geval is geweest. Daarmee is de gehele vordering ineens opeisbaar.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht een gedeelte van de schulden van eiser niet heeft overgenomen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen slechts in geschil is of verweerder de informele schuld van eiser bij [naam] van € 16.000,- terecht niet heeft overgenomen.

Verweerder heeft deze schuld niet overgenomen, omdat deze niet is vastgelegd in een notariële akte en daaraan geen gerechtelijk vonnis ten grondslag ligt. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.

7. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Voor informele schulden geldt op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht als voorwaarde voor overname dat de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Het bestaan van de schuld kan ook blijken uit een rechterlijke uitspraak, mits de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021.

De eis van een notariële akte is vervat in de Wht, een wet in formele zin. Het zogenoemde toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat eraan in de weg dat de rechter een wettelijke bepaling toetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank kan dan alleen oordelen dat de toepassing van een wettelijk vereiste in een individueel geval achterwege moet blijven, als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het moet dan gaan om een bijzondere omstandigheid die de wetgever bij de totstandbrenging van de wettelijke bepaling niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.

De rechtbank stelt vast dat uit de beschikking van deze rechtbank van 1 december 2020 (insolventienummer: C/02/19/205 F), waarover ook verweerder beschikte bij de behandeling van het bezwaarschrift, blijkt dat eiser op 9 juli 2019 in staat van faillissement is verklaard en dat het faillissement – op 1 december 2020 – bij gebrek aan baten wordt opgeheven. Op het bij overzicht van de in het faillissement ingediende en erkende (concurrente) schuldvorderingen staat een schuld aan [naam] voor een bedrag van € 13.629,-.

Met het uitspreken van een faillissement zijn alle schulden van de schuldenaar ineens opeisbaar. Schuldeisers hebben de mogelijkheid hun vorderingen in te dienen bij de curator en die heeft tot taak te toetsen of de vordering bestaat en ook het beloop van de vordering vast te stellen. Op het werk van de curator wordt toezicht gehouden door de rechter-commissaris. Wanneer een verzoek wordt gedaan om een faillissement wegens gebrek aan baten op te heffen, vindt nog een laatste toets plaats. De rechtbank beoordeelt dan of de curator het beloop van de schulden juist heeft vastgesteld en of hij tot het oordeel kon komen dat er onvoldoende baten zijn om de schuldeisers een uitkering te kunnen doen. Door het einde van een faillissement wegens gebrek aan baten verandert er niet opnieuw iets aan de status van de vorderingen; die zijn dan allemaal nog steeds geheel opeisbaar.

Uit het feit dat de vordering van [naam] op de lijst van concurrente schuldvorderingen is opgenomen, blijkt dat deze schuld door de curator is erkend en dat de vordering bij het uitspreken van het faillissement voor een bedrag van € 13.629,- opeisbaar was. Deze erkenning heeft naar het oordeel, juist vanwege de hiervoor genoemde toets door de curator, de controle daarop door de rechter-commissaris en de rechtbank eenzelfde bewijswaarde als een notariële akte of een vonnis.

Hoewel deze omstandigheid niet wordt genoemd in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht, is naar het oordeel van de rechtbank in lijn met die bepaling het bestaan van deze informele schuld voldoende bewezen.

Gelet op het voorstaande is sprake van een bijzondere omstandigheid die de wetgever bij de totstandbrenging van de wettelijke bepaling niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging. De overweging van de wetgever dat SBN niet zou moeten worden belast met een zwaardere uitvoeringslast bij het vaststellen of zogenaamde informele bestaan én opeisbaar zijn op de peildatum, is ook niet relevant voor de onderhavige situatie. Die toets is al verricht door de curator, de rechter-commissaris en de rechtbank. Tot slot is nog van belang dat een faillissement juist verhindert dat de schuldenaar zelf – buiten het faillissement om – tegen de schuldeiser een vordering instelt en gehonoreerd krijgt. Dat recht heeft de schuldeiser weliswaar wel na de opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten maar in die situatie staat ook vast dat de schuldenaar – behoudens gewijzigde omstandigheden – geen verhaal zal bieden.

Dat de wetgever in deze situatie niet heeft voorzien bij totstandkoming van de wet, levert naar het oordeel van de rechtbank een bijzondere omstandigheid op die zodanig in strijd is met algemene rechtsbeginselen dat toepassing van het wettelijke vereiste van een notariële akte of een rechterlijke uitspraak in dit geval achterwege moest worden gelaten.

8. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt onder welke voorwaarden private schulden worden overgenomen. Een van de voorwaarden is dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Zoals hiervoor is overwogen is bij het uitspreken van het faillissement van eiser op 9 juli 2019 de schuld aan [naam] geheel opeisbaar geworden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook ten onrechte overwogen dat niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaren. Nu artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht en artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht niet in de weg mogen staan aan vergoeding van eisers schuld bij [naam] en niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden in artikel 4.1. van de Wht wordt voldaan, dient verweerder eisers schuld bij [naam] over te nemen tot ten minste een bedrag van € 13.629,-. Dit bedrag staat immers vermeld op voorgenoemd overzicht van ingediende en erkende concurrente schuldvorderingen. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.461,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647,-, wegingsfactor 1). Daarnaast dienen de reiskosten van eiser van € 11,20 vergoed te worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 27 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 4.1

1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.

2. De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;

b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en

c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:

a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;

b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;

c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;

d. de bij een geldschuld bijkomende kosten;

e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en

f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.

4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:

a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;

b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;

c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;

d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming; en

e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?