beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/438511 / FA RK 25/4057
Beschikking d.d. 25 november 2025
op het verzoek van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. S.J. Nijssen te Goes.
Als informanten zijn in de procedure betrokken:
[de juridische vader] ,
hierna te noemen: de juridische vader,
wonende te [de biologische vader]
[de biologische vader] ,
hierna te noemen: de biologische vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Middelburg.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 4 augustus 2025 ingekomen verzoek tot gezagsbeëindiging, met bijlagen;
- de oproeping van de griffier van deze rechtbank van de biologische vader in de Staatscourant van 17 september 2025.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 21 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de juridische vader, een vertegenwoordiger van de Raad en twee vertegenwoordigers van de GI. Alhoewel correct en tijdig opgeroepen is de biologische vader niet verschenen.
Voorafgaand aan de zitting is [minderjarige] gehoord.
2. De feiten
[minderjarige] is geboren uit de moeder. De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Op 28 april 2022 is [minderjarige] erkend door de heer [de juridische vader] .
Bij beschikking van 11 december 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 11 december 2020 en tot 4 november 2021. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oom en tante moederszijde (fam. [oom en tante moederszijde] ), met ingang van 11 december 2020 en tot 11 juni 2021, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
Bij beschikking van 9 juni 2021 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oom en tante moederszijde (fam. [oom en tante moederszijde] ) verlengd, met ingang van 11 juni 2021 en tot 4 november 2021.
Bij beschikking van 13 oktober 2021 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 4 november 2021 en tot 4 november 2022. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oom en tante moederszijde (fam. [oom en tante moederszijde] ) verlengd, met ingang van 4 november 2021 en tot 4 mei 2022, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 19 januari 2022 is toestemming verleend tot het wijzigen van het verblijf van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, en is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 19 januari 2022 en tot 4 november 2022.
Bij beschikking van 28 oktober 2022 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 4 november 2022 en tot 4 november 2023. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 4 november 2022 en tot 4 februari 2023, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 24 januari 2023 is het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg afgewezen.
Bij beschikking van 5 september 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 5 september 2024 en tot 5 september 2025. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 5 september 2024 en tot 5 juni 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 30 mei 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd, met ingang van 5 juni 2025 en tot 5 september 2025.
Bij beschikking van 27 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 5 september 2025 en tot 5 september 2026. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd, met ingang van 5 september 2025 en tot 5 september 2026.
Op grond van de laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] .
3. Het verzoek
De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige [minderjarige] te beëindigen en adviseert Jeugdbescherming west Zeeland te belasten met de voogdij over [minderjarige] . Daarbij wordt verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , wanneer de moeder belast blijft met het gezag over haar omdat zaken die in het belang zijn van [minderjarige] dan onvoldoende geregeld worden. Als het met de moeder goed gaat, is zij in staat beslissingen voor [minderjarige] te nemen, maar als de moeder terugvalt in middelengebruik worden praktische zaken niet geregeld. De moeder is onvoldoende in staat (gebleken) om gezagsbeslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. Zij komt haar verplichtingen richting [minderjarige] structureel niet na, zowel op financieel, praktisch en op emotioneel vlak. Het is duidelijk dat de moeder van [minderjarige] niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor haar aanvaardbare termijn volledig en continu te dragen. De moeder is onvoorspelbaar in haar gedrag en kan de belangen van [minderjarige] niet op de eerste plaats zetten. Er is geen perspectief op terugplaatsing van [minderjarige] bij moeder, omdat zij onvoldoende heeft kunnen profiteren van de hulp gericht op het binnen de aanvaardbare termijn werken aan een terug thuisplaatsing. De Raad verzoekt daarom om in het belang van [minderjarige] de voogdij over haar te beleggen bij Jeugdbescherming west Zeeland omdat zij een neutrale en gespecialiseerde partij zijn. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is ruimschoots verstreken en zij heeft behoefte aan rust en duidelijkheid. Het opvoedperspectief is niet bij haar moeder bepaald. Op korte termijn moet duidelijk worden of de biologische vader hierin iets kan betekenen. De juridische vader kan hierin onvoldoende betekenen. Hij voedt [minderjarige] immers niet op en is op momenten te loyaal aan moeder en stelt daarbij niet altijd [minderjarige] ’s belangen voorop. De GI kan als neutrale partij passende interventies inzetten en het belang van [minderjarige] blijvend vooropstellen. De GI moet daarbij goed naar [minderjarige] blijven luisteren en haar zoveel mogelijk meenemen in de te nemen beslissingen. De GI kan ook een rol blijven spelen in het contact tussen [minderjarige] en haar moeder.
[minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting met de voorzitter van de meervoudige kamer gesproken. In het kort heeft [minderjarige] het volgende gezegd. Ze begrijpt dat de Raad heeft verzocht om het gezag van haar moeder over haar te beëindigen. Als haar moeder nuchter is kan zij dingen voor [minderjarige] regelen, maar [minderjarige] kan daar niet altijd op rekenen. [minderjarige] maakt zich echter ook zorgen als niet haar moeder, maar de GI het gezag zou krijgen. Als haar huidige woonplek, [accommodatie] , gaat sluiten weet zij niet waar ze naar toe zal gaan. De GI kan haar overal plaatsen. Haar moeder zal er zeker voor zorgen dat [minderjarige] in dat geval in Zeeland zal blijven wonen. [minderjarige] en haar moeder zijn het over zulke dingen vaak samen eens. Dat geldt niet altijd voor de jeugdbeschermers. [minderjarige] heeft het gevoel dat de jeugdbeschermers niet altijd goed naar haar luisteren. Het is wel fijn dat [minderjarige] nu naar haar moeder mag als ze daar om vraagt, maar ze mag - ondanks eerdere toezeggingen – haar zusjes nog steeds niet zien. Ook vindt [minderjarige] het vervelend dat haar privacy in [accommodatie] niet altijd wordt gerespecteerd. Voor de toekomst zal veel afhangen van de vraag bij wie het gezag over [minderjarige] wordt belegd. Als het een jeugdbeschermer is met wie [minderjarige] niet goed overweg kan, wordt ze opstandig en zal ze weglopen.
De moeder verzet zich niet tegen het verzoek. Zij heeft een goede band met [minderjarige] en vindt het belangrijk om goed contact met haar te blijven houden. Daarvoor is het niet nodig om het gezag over haar te hebben. De moeder maakt zich wel zorgen over hoe de relatie tussen de GI en [minderjarige] zich zal ontwikkelen als de GI het gezag zou dragen. [minderjarige] is eigenzinnig en zal haar eigen plan trekken als ze het niet eens is met haar hulpverlener of voogd. De moeder wil graag dat [minderjarige] in haar buurt blijft wonen als ze uit [accommodatie] moet vertrekken, om makkelijk contact met haar te kunnen houden.
De juridische vader zou het begrijpen als het nodig wordt gevonden dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. Het gaat op en af met moeder; dat is niet goed voor [minderjarige] . De juridische vader maakt zich zorgen over hoe het verder zal gaan met [minderjarige] . Hij springt bij waar hij kan, voor [minderjarige] en voor de moeder. De juridische vader wil graag dat [minderjarige] bij hem in de buurt blijft wonen zodat hij haar kan blijven bijstaan.
De GI deelt de zorgen van de Raad over de uitoefening van het gezag door de moeder. Zij verklaart zich bereid om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. De GI geeft aan dat zij goed naar [minderjarige] proberen te luisteren en steeds proberen een compromis te vinden tussen de wensen van [minderjarige] en de verantwoordelijkheid van de GI om de veiligheid voor [minderjarige] te waarborgen. [minderjarige] mag nu bijvoorbeeld haar moeder opzoeken wanneer zij dat wil, maar dat betekent ook dat [minderjarige] haar moeder soms in slechte toestand aantreft. Dat zou de GI [minderjarige] eigenlijk willen besparen. Het klopt dat [accommodatie] op heel korte termijn moet sluiten. Samen met [minderjarige] zal de GI zoeken naar een plek die geschikt is voor [minderjarige] en zoveel mogelijk in de buurt is van haar school en haar juridische vader, aangezien dat de twee vaste ankerpunten zijn in het leven van [minderjarige] . Net als de Raad vindt de GI het belangrijk voor [minderjarige] dat ingezet blijft worden op goed contact met de moeder.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1: 266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
Op grond van de jurisprudentie van het Europese Hof voor Rechten van de Mens (hierna EHRM) is de maatstaf voor een gezagsbeëindiging een andere dan die van de wetgever in artikel 1:266 BW. Bij artikel 1:266 BW is volgens de memorie van toelichting ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Artikel 8 van het EVRM vereist echter niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.
Daar waar onze wetgever ervan uitgaat dat het gezag reeds beëindigd kan worden als de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen, is het EHRM van oordeel dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag op het moment dat gebleken is dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind (EHRM 6 oktober 2015 N.P./Moldavië, 58455/13, rechtsoverweging 65 en 66). In latere jurisprudentie van het EHRM (waaronder EHRM 30 november 2017, Strand Lobben/Noorwegen nr. 37283/13) wordt deze lijn bevestigd.
Niet is gebleken dat de moeder het gezag over [minderjarige] misbruikt. Wel vindt de rechtbank dat er sprake is van de eerste grond voor de beëindiging van het gezag van de moeder. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] namelijk geschaad als de moeder haar gezag behoudt. De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.
[minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar leven. Zij is getuige geweest van huiselijk geweld, middelengebruik bij moeder en bij de vader van haar halfzusjes, ze is al meer dan eens uit huis geplaatst en staat al jarenlang onder toezicht van de GI. [minderjarige] is ook een periode weer teruggeplaatst bij haar moeder en heeft een korte tijd met haar moeder en haar twee halfzusjes samengewoond. Helaas is het toen toch weer mis gegaan door een terugval van moeder in middelengebruik, waarna [minderjarige] sinds 2024 bij [accommodatie] is gaan wonen. Juist de wisselingen in perspectief en de onzekerheid over de situatie van moeder zijn erg belastend voor [minderjarige] .
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [minderjarige] en haar moeder een goede band hebben, maar dat de onvoorspelbaarheid en onberekenbaarheid van de moeder aan een goede uitoefening van het gezag over [minderjarige] in de weg staan. De moeder heeft zich niet in staat getoond om structureel haar financiële, praktische en emotionele verplichtingen jegens [minderjarige] na te komen. Zo heeft het lang geduurd voordat de moeder [minderjarige] heeft aangemeld voor de middelbare school, staat moeder, tegen de afspraken in, ineens op de stoep bij [accommodatie] , en belast ze [minderjarige] met zorgelijke informatie over haar halfzusjes. Dat is niet goed voor [minderjarige] . De hulpverlening die aan moeder is aangeboden heeft niet tot een blijvende verbetering geleid. Met de Raad oordeelt de rechtbank dat het belangrijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat het gezag over haar wordt uitgeoefend door een betrouwbare, stabiele partij die er onvoorwaardelijk voor haar is en handelt in haar belang. De GI kan deze rol vervullen. Daarbij is het ook van belang dat [minderjarige] positief contact blijft houden met haar ouders, ‘[de juridische vader] ’ (haar juridische vader) en, voor zover mogelijk, met haar twee halfzusjes.
Vanwege al het voorgaande ziet de rechtbank met de Raad onvoldoende mogelijkheden bij de moeder om de opvoeding van [minderjarige] in voldoende mate vorm te geven. Ook is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de aanvaardbare termijn van [minderjarige] is verstreken. Het voortduren van de onzekerheid over haar perspectief vormt een bedreiging voor haar verdere ontwikkeling. Omdat de moeder zich niet structureel aan afspraken houdt en op momenten dat zij onder invloed is niet open staat voor hulpverlening ziet de rechtbank geen mogelijkheid om deze situatie vanuit een vrijwillig kader voort te zetten. Voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] vindt de rechtbank, gelet op het tijdelijke karakter van die maatregelen, niet passend. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. De rechtbank zal daarom het verzoek van de Raad toewijzen.
Deze beslissing betekent echter niet dat de moeder geen belangrijke rol meer speelt in het leven van [minderjarige] . Uit het gesprek met [minderjarige] voorafgaand aan de zitting en het gesprek met moeder op zitting is het de rechtbank gebleken dat de moeder en [minderjarige] een goede band hebben en dat [minderjarige] steun en sturing zoekt bij haar moeder. De moeder kan haar dochter dit ook bieden in periodes dat het goed met haar gaat. Het blijft daarom onverminderd belangrijk dat de moeder zich blijft inzetten om de best mogelijke moeder voor haar dochter te zijn. Dit kan ook inhouden dat zij de GI steunt in de beslissingen die nodig zijn in het belang van [minderjarige] en dat zij het welzijn en de veiligheid van [minderjarige] steeds op één moet blijven zetten.
Voogdij
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over haar te benoemen. De Raad heeft geadviseerd om de GI met de voogdij over [minderjarige] te belasten. De GI is bereid de voogdij op zich te nemen en is al lange tijd bij [minderjarige] betrokken. Zij heeft goed zicht op haar ontwikkeling en wat zij nodig heeft. Hoewel [minderjarige] en haar moeder zich zorgen maken of de GI wel voldoende naar [minderjarige] luistert is het de rechtbank gebleken dat de GI zoveel mogelijk in overleg met [minderjarige] belangrijke beslissingen neemt. Zo mag [minderjarige] haar moeder zien wanneer zij dat wil, zelfs al acht de GI dat eigenlijk niet altijd wenselijk. Dat [minderjarige] haar halfzusjes niet zo vaak kan zien als zij zou willen is niet omdat de GI die wens van [minderjarige] niet serieus neemt. Dat heeft met andere dingen te maken, zoals de veiligheid van [minderjarige] en de twee halfzusjes. De rechtbank oordeelt daarom dat de GI de meest aangewezen partij is om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen.
Rekening en verantwoording
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW wordt de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd, er vanuit gaande dat zij het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan haar opvolger in dit bewind.
Uitvoerbaar bij voorraad
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat alle betrokkenen hebben uitgesproken behoefte te hebben aan duidelijkheid alsmede omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing direct in werking zal treden, ook als iemand eventueel in hoger beroep zou gaan tegen de beslissing.
Gezagsregister
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.
Brief aan [minderjarige]
[minderjarige] heeft in haar gesprek met de rechter gezegd dat zij graag zelf een brief wil krijgen met de beslissing. De rechtbank zal [minderjarige] daarom een brief sturen. In die brief staat het volgende.
Beste [minderjarige] ,
De rechtbank moet beslissen over het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het gezag van jouw moeder te beëindigen. Daarom heb ik jou uitgenodigd voor een gesprek voorafgaand aan de zitting. Wij hebben besproken wat het gezag inhoudt, waarom jouw moeder wel of niet in staat is om het gezag over jou uit te oefenen, en wat het alternatief is als zij het gezag niet meer zou hebben. Jij hebt toen gezegd dat je wel snapt waarom de Raad dit verzoek doet, maar ook dat je je zorgen maakt over wat er met jou gebeurt als de GI het gezag over jou zou krijgen, zeker ook omdat je had gehoord dat [accommodatie] moest sluiten. Je belangrijkste zorgen waren dat je in Zeeland wil blijven wonen zodat je naar dezelfde school kan blijven gaan en je in je vertrouwde omgeving kan blijven. Ook is wonen in Zeeland belangrijk voor je omdat je je zusjes vaker wil zien.
Tijdens de zitting van 21 oktober 2025 heb ik ook de mening gevraagd van jouw moeder, ‘[de juridische vader] ’ (jouw juridische vader) en de GI. Jouw biologische vader was wel uitgenodigd voor de zitting, maar hij is niet gekomen. Alle aanwezigen waren het eens met het verzoek van de Raad om het gezag van jouw moeder te beëindigen. De onzekerheid over hoe het met je moeder gaat en of ze in staat is beslissingen voor jou te nemen zijn niet goed voor jou. Er moet een betrouwbare, stabiele persoon of instantie zijn die altijd jouw belang voorop stelt. De rechtbank vindt daarom dat de GI met het gezag over jou moet worden belast. Dit betekent dat iemand van de GI jouw voogd wordt. Zij zal voortaan de belangrijke beslissingen over jou nemen.
Deze beslissing betekent niet dat jouw moeder niet meer belangrijk is in jouw leven. Ik heb gezien en gehoord dat jij veel van je moeder houdt, en zij van jou. Het is juist belangrijk dat je een fijne band kan hebben met je moeder. En met je vader, ‘[de juridische vader] ’ en je halfzusjes. Over je zusjes wil ik nog zeggen dat ik begrijp dat jij ze graag veel vaker zou willen zien. De GI weet ook dat jij dat graag wil. Zij weten ook hoe belangrijk het voor jou is om in Zeeland te blijven wonen. Zij hebben beloofd steeds met jou in gesprek te blijven om samen met jou te kijken wat het beste voor jou is binnen de mogelijkheden die er zijn. En als iets niet mogelijk is, zullen ze dat ook goed uitleggen.
Ik hoop dat deze beslissing jou wat rust geeft en ik wens je alle goeds voor de toekomst.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter
6. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1989 te [geboorteplaats] over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg;
veroordeelt de moeder tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland over het gevoerde bewind;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Velde, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. De Beer en mr. Van de Lockant-Geschiere, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025 in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.