RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11622484 \ OV VERZ 25-1104
Beschikking van 11 november 2025
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. J.A.A. van der Weijst,
tegen
1. [verweerder 1] ,
2. [verweerder 2],
beiden wonende te [plaats 2] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: de kinderen,
gemachtigde: mr. E.A. Kronenburg.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 t/m 6, ontvangen op de griffie op 23 mei 2025,
- het verweerschrift van [verweerder 1] en [verweerder 2] met tegenverzoeken, met producties,
- de mondelinge behandeling van 30 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verweerder 1] en [verweerder 2] zijn de kinderen van [erflater] (hierna te noemen: [erflater] ).
[verzoekster] had een relatie met [erflater] . Zij waren niet gehuwd. [verzoekster] en [erflater] hebben op 27 juni 2008 een notariële samenlevingsovereenkomst (hierna: SLO) gesloten. In de SLO is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“[…]
G. EINDE
Artikel 7
Deze overeenkomst eindigt:
[…]
e. indien, zonder dat een ontbinding als sub a. bedoeld of een opzegging als sub b. bedoeld heeft plaatsgevonden, de verschenen personen in gezamenlijk overleg de overeenkomst feitelijk hebben beëindigd en hun gezamenlijke vermogensbestandsdelen hebben verdeeld.
[…]”
Bij testament van eveneens 27 juni 2008 heeft [erflater] over zijn nalatenschap beschikt. [erflater] heeft [verzoekster] tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd. Verder is in het testament het volgende opgenomen:
“[…]
D. ERFSTELLING
Voor het geval ik ongehuwd overlijd, beschik ik als volgt:
1. Primaire benoeming en toekenning erfdelen
Ik benoem tot mijn enige erfgenamen:
a. mevrouw [verzoekster] , […], met wie ik een gemeenschappelijke huishouding voer en blijkens een vandaag […] verleden akte een samenlevingsovereenkomst ben aangegaan; en
b. ieder van mijn kinderen.
[…]
N. VERVAL BESCHIKKINGEN
1. Verval beschikkingen partner
Alle beschikkingen die ten behoeve van mijn partner zijn getroffen, waaronder mede begrepen de benoeming tot executeur, vervallen:
a. indien ik ten tijde van mijn overlijden niet gehuwd ben met mijn partner en mijn samenleving met mijn partner anders dan door mijn overlijden […] is beëindigd; […]”
[erflater] is op [datum] 2024 overleden.
3. De verzoeken en het verweer
[verzoekster] verzoekt – samengevat – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat zij erfgenaam is in de nalatenschap van [erflater] en rechtsgeldig is benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. [verzoekster] verzoekt daarnaast om in de executele te worden gesteld.
Aan de verzoeken heeft [verzoekster] – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de relatie tussen haar en [erflater] niet was beëindigd, zodat de beschikkingen in het testament ten behoeve van [verzoekster] niet zijn komen te vervallen. Evenmin was sprake van een opzegging of feitelijke beëindiging van de relatie zoals bedoeld in de SLO.
De kinderen verweren zich tegen toewijzing van de verzoeken en voeren daartoe het volgende aan. De samenleving van [erflater] en [verzoekster] was feitelijk al beëindigd vóór het overlijden van [erflater] . Zij hadden een boedelbeschrijving opgesteld en voorstellen gedaan voor een verdeling van de bezittingen. Zowel [erflater] als [verzoekster] hebben het beëindigen van de relatie aan verschillende personen kenbaar gemaakt. Zij woonden ook niet meer samen, maar verbleven afwisselend, afzonderlijk van elkaar, in de woning in [plaats 1] . De kinderen hebben zeven tegenverzoeken ingediend.
4. De beoordeling
Gelet op de samenhang tussen de verzoeken van [verzoekster] en de tegenverzoeken van de kinderen zal de kantonrechter deze gezamenlijk behandelen.
In deze zaak draait het om de vraag of de beschikkingen die [erflater] ten behoeve van [verzoekster] in zijn testament heeft getroffen zijn komen te vervallen. Daarom dient te worden beoordeeld of er op het moment van het overlijden van [erflater] sprake was van samenleven in de zin van het vervalbeding in het testament van [erflater] .
Bij de uitleg van een testament moet worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder het is gemaakt. Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen alleen bij de uitleg worden gebruikt als het testament zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.
Uit de toelichting van partijen ter zitting leidt de kantonrechter af dat de omstandigheden waaronder het testament is opgemaakt de volgende zijn. [erflater] had twee kinderen uit een eerdere relatie en hij had een affectieve relatie met [verzoekster] , met wie hij sinds ruim anderhalf jaar samenwoonde. [erflater] en [verzoekster] hebben op de dag waarop het testament is opgemaakt met elkaar ook een SLO gesloten.
De verhoudingen die [erflater] met zijn uiterste wil kennelijk wilde regelen waren dat zijn kinderen en [verzoekster] zijn erfgenamen waren met benoeming van [verzoekster] tot executeur, met het beding dat [verzoekster] geen erfgenaam en executeur zou zijn als de samenleving met haar zou zijn beëindigd.
De hiervoor vermelde omstandigheden en verhoudingen maken aannemelijk dat de in het vervalbeding bedoelde samenleving ziet op een feitelijk samenwonen waarbij sprake is van een affectieve relatie met een duurzaam karakter. Daar komt bij dat in de formulering van het vervalbeding de samenleving centraal wordt gesteld in de context van de partnerrelatie van [erflater] en [verzoekster] . Ook is in het testament onder de erfstelling opgenomen dat [erflater] en [verzoekster] een gemeenschappelijke huishouding voerden en duidt [erflater] [verzoekster] aan als “mijn partner”.
Voor beantwoording van de vraag of de samenleving van [erflater] en [verzoekster] in de hiervoor bedoelde zin ten tijde van het overlijden van [erflater] was beëindigd, geldt het volgende.
Uit wat partijen tijdens de mondelinge behandeling van de zaak hebben verteld, volgt dat [erflater] ongeveer eind september 2024 uit de gezamenlijke woning in [plaats 1] is vertrokken en dat [erflater] en [verzoekster] hadden besloten om afwisselend, dus afzonderlijk van elkaar, in de woning te verblijven. De kantonrechter leidt daaruit af dat van feitelijk samenwonen vanaf ongeveer eind september 2024 tot aan het overlijden van [erflater] niet langer sprake was.
Van een affectieve relatie met een duurzaam karakter leek evenmin nog sprake. De kantonrechter leidt dit onder meer af uit:
het Whatsappbericht van 29 september 2024 van [erflater] aan [verweerder 2] : “Ik ga weg bij [verzoekster] en kies deze keer helemaal voor mezelf”
het Whatsappbericht van 30 september 2024 van [erflater] aan vrienden: “[verzoekster] heeft besloten geen heil meer in onze relatie te zien […]. Er komt nu teveel op mij af zoals de verkoop van het huis, de zaak etc. […] Woonruimte zoeken etc. Het huis gaat in de verkoop.”
het Whatsappbericht van 1 oktober 2024 van [verzoekster] aan een vriend van [erflater] : “Ondanks dat we niet meer samen zijn […]”.
het Whatsappbericht (ongedateerd) van [erflater] aan medewerkers: “Veel van jullie zullen het inmiddels misschien wel gehoord hebben maar [verzoekster] en ik zijn op een heel vervelende manier uit elkaar gegaan.”
de Whatsappberichten (ongedateerd) van [verzoekster] aan een vriend van [erflater] : “De emotie die zolang blijft en het up en down gaan is o.a. voor mij één van de redenen geweest waardoor ik de relatie niet meer wilde en kon.” en “Aan de hand daarvan zijn we zaterdag gaan praten. Ik heb hem geen enkele hoop gegeven in een appje dat het goed zou komen want ik wilde de relatie niet meer maar hij was bereid te praten over ons […]. […] Hij wilde het graag nog een kans geven maar ik op dat moment niet meer.”
het proces-verbaal van de politie van 20 oktober 2024: “[…] [verzoekster] vertelt dat er veel ellende in de relatie is en dat ze hem vandaag verteld heeft dat ze hem niet terug wil. […]”
Dat [erflater] later terugkwam op zijn uitlatingen en blijkbaar toch nog heil zag in de relatie met [verzoekster] (gelet op onder meer de e-mail van 17 oktober 2024 van [erflater] aan [verzoekster] ), doet niets af aan het feit dat [verzoekster] er op dat moment géén heil meer in zag. [verzoekster] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd. Niet is gebleken dat de samenleving was hervat vóór het overlijden van [erflater] .
Van feitelijk samenwonen waarbij sprake was van een affectieve relatie met een duurzaam karakter, was naar oordeel van de kantonrechter op het moment van overlijden van [erflater] geen sprake meer. Dat volgt duidelijk uit de genoemde verklaringen, waarbij de verklaring van [verzoekster] tegenover de politie zwaar weegt. Weliswaar zijn [erflater] en [verzoekster] niet aan een verdeling van hun gemeenschap toegekomen, maar dat is inherent aan het plotselinge overlijden van [erflater] . Dat de SLO nog niet overeenkomstig de in de SLO opgenomen bepalingen was beëindigd, doet aan voorgaand oordeel niet af. Van een situatie als bedoeld in artikel 4:46 lid 2 BW is geen sprake.
Het gevolg is dan ook dat de ten gunste van [verzoekster] gemaakte beschikkingen zijn komen te vervallen. De verzoeken van [verzoekster] zullen daarom worden afgewezen. De gevorderde verklaringen voor recht van de kinderen dat de samenleving tussen [erflater] en [verzoekster] voor zijn overlijden is beëindigd en dat [verzoekster] geen erfgenaam is in de nalatenschap van [erflater] , zijn toewijsbaar.
De kinderen hebben verzocht te verklaren dat de benoeming van [verzoekster] tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder niet rechtsgeldig is. De benoeming in het testament was op zichzelf genomen rechtsgeldig. De benoeming is slechts door intreding van het beding komen te vervallen. De kantonrechter zal daarom, met inachtneming van het verzochte, voor recht verklaren dat [verzoekster] geen rol als executeur of afwikkelingsbewindvoerder zal vervullen bij de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater] .
Omdat de beschikking waarbij [verzoekster] tot executeur is benoemd is komen te vervallen, is een benoemde executeur komen te ontbreken. De kinderen hebben in deze procedure met een tegenverzoek weliswaar verzocht om een onafhankelijke executeur aan te stellen, maar nagelaten een executeur voor te stellen en een bereidheidsverklaring over te leggen. Om onnodige vertraging van deze procedure te voorkomen, zal dit verzoek worden afgewezen. Voor eventuele vervolgstappen worden de kinderen gewezen op de ‘Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter’, die te vinden is op www.rechtspraak.nl.
Het verzoek met betrekking tot het verkrijgen van een back-up van de telefoon van [erflater] zal worden afgewezen, nu het verzoek voorwaardelijk is ingesteld en niet is vast komen te staan waarom de kinderen als de erfgenamen van [erflater] geen recht hebben op het verkrijgen van de telefoon.
De tegenverzoeken sub 5 en sub 7 behoeven geen bespreking, nu het geen inhoudelijke verzoeken betreffen waar een beslissing op dient te worden gegeven.
Het geschil is gelegen in de relationele sfeer. De rechtbank zal daarom de gevraagde proceskostenveroordeling afwijzen en de proceskosten compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de verzoeken van [verzoekster] af,
verklaart voor recht dat de samenleving tussen [erflater] en [verzoekster] vóór het overlijden van [erflater] was beëindigd,
verklaart voor recht dat [verzoekster] geen erfgenaam is in de nalatenschap van [erflater] ,
verklaart voor recht dat [verzoekster] geen rol als executeur of afwikkelingsbewindvoerder zal vervullen bij de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater] ,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.