ECLI:NL:RBZWB:2025:8359

ECLI:NL:RBZWB:2025:8359, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-11-2025, C/02/439269 / FA RK 25-4426

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 14-11-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer C/02/439269 / FA RK 25-4426
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002685

Samenvatting

Beschikking meervoudige kamer: gezagsbeëindiging ten aanzien van de moeder - de moeder is al negen jaar onvoldoende in staat geweest om haar gezag op een behoorlijke manier uit te oefenen – de moeder is onvoldoende beschikbaar en bereikbaar geweest en heeft geen constructieve bijdrage geleverd aan de samenwerking met de GI, hulpverlening en de pleegmoeder – de moeder accepteert plaatsing bij de pleegmoeder niet volledig – minderjarigen kunnen niet langer worden belast met onzekerheid over toekomstperspectief - GI wordt belast met de voogdij.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/439269 / FA RK 25-4426

Datum uitspraak: 14 november 2025

Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,

locatie Breda,

hierna: de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,

hierna: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 1] , hierna: [minderjarige 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna: de moeder,

wonende in [plaats 1] ,advocaat: mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,

[de pleegmoeder] ,

hierna: de pleegmoeder,

wonende in [plaats 2] ,

advocaat: mr. H. Plantenga uit Amsterdam.

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: de gecertificeerde instelling (GI),

De rechtbank merkt als informant aan:

[de vader] ,

hierna: de vader,

wonende in [plaats 3] .

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 26 augustus 2025;

de op 2 september 2025 van de Raad ontvangen schriftelijke reactie van de moeder op het rapport van de Raad;

het F9-formulier van mr. Witteveen van 23 oktober 2025;

de op 24 oktober 2025 van de Raad ontvangen uittreksels van het gezagsregister;

het verweerschrift met bijlagen van mr. Witteveen, ontvangen op 27 oktober 2025;

het F9-formulier van mr. Witteveen van 29 oktober 2025.

Op 31 oktober 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank deze zaak mondeling behandeld met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

de moeder met haar advocaat;

de pleegmoeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- twee vertegenwoordigsters van de GI;

Als toehoorder was de begeleidster van de moeder vanuit [hulpverlening] aanwezig. De rechtbank heeft haar, met instemming van aanwezigen, bijzondere toestemming verleend.

De vader is correct opgeroepen maar niet bij de zitting verschenen.

Gelet op de nauwe samenhang tussen dit verzoek van de Raad en het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/428849 / JE RK 24-2099, zijn deze zaken gelijktijdig mondeling behandeld. In beide zaken wordt bij aparte beschikkingen van heden beslist.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek of op een andere manier. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2. De feiten

De moeder is de biologische moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De vader is de biologische vader van [minderjarige 2] . De vader heeft zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] erkend. De biologische vader van [minderjarige 1] is onbekend.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

In 2017 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg zijn sindsdien steeds verlengd.

Laatstelijk, bij beschikking van 16 september 2025, zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 september 2025 tot 17 november 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 31 oktober 2025. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken dat in het dictum van de beschikking van 16 september een verkeerde afloopdatum van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing staat. Gelet op de motivering en het contact wat er met (de advocaten van) partijen is geweest, moet dit worden gezien als een kennelijke verschrijving. Uit voornoemde beschikking volgt dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg zijn verlengd met ingang van 17 september 2025 tot 17 november 2025 (en niet tot 31 oktober 2025, zoals per abuis in het dictum is opgenomen).

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging bij de pleegmoeder.

De GI heeft zich bij brief van 12 februari 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te aanvaarden.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt om het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te benoemen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4. Het standpunt van de Raad

De Raad heeft, samengevat, het navolgende aangevoerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn al acht jaar onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst bij de pleegmoeder. In 2019 heeft de GI de Raad verzocht om onderzoek te doen naar gezagsbeëindiging van de moeder. Destijds zag de Raad daar onvoldoende gronden voor. Nu, zes jaar later, concludeert de Raad dat een gezagsbeëindiging wel noodzakelijk is. De moeder is onvoldoende in staat gebleken om de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbare termijn weer te kunnen dragen. Sinds 2019 is al duidelijk dat niet zal worden gewerkt aan terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder. De moeder is al jarenlang minimaal betrokken bij de hulpverlening en school van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij is niet altijd bereikbaar voor de hulpverlening waardoor er geen constructieve samenwerking is tussen de moeder, de pleegmoeder en de hulpverlening. Daarnaast komt zij haar afspraken onvoldoende na. Zo is de moeder niet verschenen op afspraken bij de GGZ, bij het afhalen van ID-bewijzen, sportwedstrijden en oudergesprekken. Dit voelt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] telkens als een enorme afwijzing. Hoewel de moeder erkent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet volledig bij haar kunnen wonen, staat zij nog altijd niet (volledig) achter de plaatsing bij de pleegmoeder. Dit maakt dat de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hiermee tot op de dag van vandaag belast.

De grootste zorg die de Raad heeft, is de sociaal emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] lijkt verscheurd te raken door de loyaliteit richting zijn moeder. Hij is hierdoor volledig stil komen te staan in zijn ontwikkeling. De moeder bespreekt volwassenzaken met [minderjarige 1] en doet belastende uitspraken over de pleegmoeder richting [minderjarige 1] én [minderjarige 2] . [minderjarige 1] lijkt klem te zitten en is vaak opstandig richting zijn pleegmoeder. Ondanks de forse inzet van hulpverlening vanuit de GGZ blijft [minderjarige 1] in een loyaliteitsconflict verkeren. Hoewel de zorgen om [minderjarige 1] groter zijn, mag [minderjarige 2] niet vergeten worden. Zij ervaart ook veel last van de spanningen en de belastende uitspraken die worden gedaan. Daarnaast lijkt [minderjarige 2] minder ruimte te voelen om zich openlijk te uiten over haar gevoelens.

De Raad ziet dat de moeder veel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] houdt en dat zij voornamelijk handelt uit onmacht vanwege haar belaste verleden, verstandelijke beperking, verslaving en Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH). Minder ingrijpende opties zijn niet mogelijk. De aanvaardbare termijn is, na negen jaar, verstreken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen niet langer in onzekerheid verkeren over hun toekomstperspectief. Een overdracht naar het vrijwillig kader is geen mogelijkheid, omdat dit een pro-actieve houding van de moeder zal vragen, iets wat zij vanuit onvermogen niet lijkt te kunnen. Een jaarlijkse verlenging van de maatregelen is ook geen mogelijkheid omdat alle betrokkenen dan telkens opnieuw emotioneel belast zullen worden. Ook is de moeder praktisch gezien onvoldoende uitvoerend in haar gezag waardoor zij onvoldoende op de hoogte is van de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om goed onderbouwde gezagsbeslissingen in hun belang te kunnen nemen.

Gelet op het voorgaande vindt de Raad een gezagsbeëindiging van de moeder noodzakelijk. Op die manier zal de feitelijke situatie geformaliseerd worden en zal voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijk worden dat het opgroeiperspectief niet meer bij de moeder ligt. De relatie tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan op deze manier weer gericht worden op het hebben van prettig en onbelast contact.

In het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet de GI de voogdij krijgen, omdat het noodzakelijk is dat een neutrale derde gezagsbeslissingen over hen gaat nemen. Daarnaast is het van belang dat de GI de regie gaat voeren in het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De pleegmoeder kan hier onvoldoende zelf de verantwoordelijkheid voor dragen, omdat de contacten tussen de pleegmoeder en de moeder fragiel zijn. De Raad heeft ook overwogen of de voogdij naar de vader kan, maar kiest hier niet voor. Het leven van de vader is al jaren niet stabiel. Hij komt afspraken over de omgang niet na, heeft geen vaste woon- en verblijfplaats en verblijft regelmatig in detentie. Daarnaast komen er geregeld meldingen binnen van Veilig Thuis over huiselijk geweld in relatie tot de vader. Bovendien heeft de vader geen zicht op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geven aan geen contact met de vader te willen. Wanneer de vader langskomt bij de pleegmoeder, loopt dit meestal uit op een woordenwisseling met de pleegmoeder.

5. De standpunten van belanghebbenden

Standpunt van de moeder

Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij zich verzet tegen het verzoek van de Raad. Een gezagsbeëindigende maatregel wordt door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) beschouwd als een inmenging in het familie- en gezinsleven. Bij een dergelijke inmenging moet worden onderzocht of deze inmenging gerechtvaardigd is op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Dit betekent dat de inmenging een geoorloofd doel moeten dienen en noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. De moeder stelt zich op het standpunt dat niet aan deze vereisten is voldaan omdat er minder ingrijpende maatregelen zijn om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen, namelijk middels de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing.

De moeder voert daartoe aan dat zij, mede door het naar haar meningonterecht stopzetten van de omgang in mei 2024, een terugval heeft gehad in drugsgebruik en niet goed bereikbaar en beschikbaar is geweest. Ook de verhouding tussen haar en de pleegmoeder stond destijds enorm onder druk. Op dit moment gaat het beter met de moeder. Haar verblijfvergunning is weer in orde en zij krijgt hulp vanuit het FACT en [hulpverlening] . Hierdoor ervaart de moeder meer rust en beschikbaarheid. Het contact met de pleegmoeder is ook weer verbeterd, hetgeen direct zichtbaar is in het gedrag van [minderjarige 1] .

De moeder erkent dat zij vanwege haar problematiek hulp nodig heeft bij het houden van overzicht. Door de begeleidster van [hulpverlening] bij de gezagsbeslissingen te betrekken, kunnen deze beslissingen tijdig worden genomen en is een gezagsbeëindiging niet noodzakelijk. Ook stelt de moeder zich op het standpunt dat gezagsbeëindiging niet noodzakelijk is om aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid te verschaffen over hun opvoedperspectief. De moeder erkent dat zij niet in staat is om de volledige zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen en is van mening dat zij het, op enkele zorgen na, goed hebben bij de pleegmoeder. De moeder stemt ook al jaren in met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Het is dan ook duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegmoeder blijven wonen, ondanks onhandige uitspraken die de moeder in het verleden heeft gedaan. Nog meer duidelijkheid over het perspectief en de problematiek van de moeder kan ook worden verkregen door het verhaal van de moeder aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor te lezen.

Wat de moeder betreft, is het doel nog steeds om te werken naar het vrijwillig kader. Er is nimmer hulpverlening ingezet om het contact tussen de pleegmoeder en de moeder te verbeteren. De moeder sluit niet uit dat wanneer dat wel gebeurt een overdracht naar het vrijwillig kader mogelijk is. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de GI in juli 2024 zelfs voornemens is geweest om deze zaak over te dragen naar het vrijwillig kader. De moeder staat open voor hulpverlening en wil laten zien dat zij stabiel kan blijven en, met behulp van [hulpverlening] , tijdig toestemming kan geven.

Gelet op het voorgaande stelt de moeder zich op het standpunt dat het beëindigen van haar gezag de toets van proportionaliteit en subsidiariteit niet kan doorstaan, althans dat dit onvoldoende is onderbouwd. Er zijn volgens de moeder nog middelen die kunnen worden ingezet om daarmee de gezagsbeëindiging te voorkomen. Dit maakt dat de moeder meent dat de gezagsbeëindiging in strijd is met artikel 8 EVRM, waardoor het verzoek van de Raad dient te worden afgewezen.

Standpunt van de pleegmoeder

Door en namens de pleegmoeder is, samengevat, aangevoerd dat zij achter het verzoek van de Raad staat. De pleegmoeder zorgt al sinds 2017 voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het opvoedperspectief ligt al geruime tijd bij haar. De afgelopen jaren is gebleken dat de moeder niet in staat is de opvoedverantwoordelijkheden te dragen. Zij kent periodes van inzet, maar houdt dit niet vol. De GI was in juli 2024 voornemens de ondertoezichtstelling te beëindigen, maar heeft daarvan afgezien omdat de moeder meermaals heeft aangegeven niet achter de plaatsing bij de pleegmoeder te staan. Tijdens de omgangsmomenten belast de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met negatieve uitspraken over de pleegmoeder. De omgangsmomenten zijn ook ingekort, omdat een achteruitgang bij de moeder werd geconstateerd. Ook was de moeder regelmatig niet bereikbaar om toestemming te geven voor gezagsbeslissingen en verscheen zij niet bij belangrijke afspraken voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in de loop der jaren meerdere vormen van hulpverlening gehad, maar de moeder is daar nooit bij betrokken geweest. Ook de GI kent geen actieve samenwerking met de moeder.

Een gezagsbeëindigende maatregel is weliswaar een inmenging in het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, maar kan gerechtvaardigd zijn als die bij wet is voorzien en noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van het kind. Volgens het EHRM mag bij de belangenafweging het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit prevaleren wanneer terugkeer naar de ouder niet reëel is. Een gezagsbeëindiging is volgens de pleegmoeder noodzakelijk omdat de moeder al negen jaar instabiel is in haar acceptatie van de plaatsing. Daardoor is al negen jaar een uithuisplaatsing in het gedwongen kader noodzakelijk geweest. Een doorverwijzing naar het vrijwillig kader is dan ook niet mogelijk. Ook een jaarlijkse verlenging van de maatregelen behoort niet tot de mogelijkheden omdat de procedures te belastend zijn voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de pleegmoeder. De moeder kan daarnaast, vanwege haar problematiek, blijvend niet in staat worden geacht om een gezagdragende functie op zich te nemen. Door het gezag te beëindigen komt de jaarlijkse verlengingscyclus te vervallen, ontstaat een stabiel juridisch kader en kan de pleegmoeder zich volledig richten op de verdere ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Standpunt van de GI

De GI heeft, samengevat, aangevoerd dat zij het verzoek van de Raad ondersteunt. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt belemmerd doordat de moeder gezag over hen heeft. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren last van de onderlinge spanningen en het loyaliteitsconflict waarin zij verkeren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lijken klem te zitten vanwege de onduidelijkheid over hun toekomstperspectief. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid krijgen en onbelast kunnen opgroeien en contact kunnen hebben met de moeder.

6. De beoordeling

Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:

een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de moeder haar gezag niet heeft misbruikt. Van een situatie als vermeld in artikel 1:266, eerste lid, onder sub b BW is dus geen sprake. Ter beoordeling van de rechtbank ligt voor of er sprake is van een situatie als vermeld in artikel 1:266, eerste lid, onder a BW.

Naast de wettelijke maatstaf van artikel 1:266 BW, heeft het EHRM ook bepaald dat in het kader van de beoordeling of het ouderlijk gezag dient te worden beëindigd er ook dient te worden vastgesteld of de maatregel voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM vereist niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. Daar waar de Nederlandse wetgever ervan uitgaat dat het gezag beëindigd kan worden als de ouder niet binnen een aanvaardbare termijn in staat is de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen, is het EHRM van oordeel dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag op het moment dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind (EHRM, 6 oktober 2015 N.P. t. Moldavië, zaaknummer 58455/13, r.o. 65 en 66 en EHRM, 30 november 2017, Strand Lobben t. Noorwegen, zaaknummer 37283/13).

De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun jonge leven al veel hebben meegemaakt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn jarenlang geconfronteerd met onrustige opvoedsituaties, waarin er zorgen waren over huiselijk geweld en de persoonlijke problematiek van de ouders. Dit heeft ertoe geleid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2017 uit huis zijn geplaatst. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven inmiddels ruim acht jaar bij de pleegmoeder. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stabiliteit en veiligheid ervaren bij de pleegmoeder, is er nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in hun ontwikkeling. Voornamelijk [minderjarige 1] laat gedrags- en ontwikkelingsproblemen zien. Hij ontvangt al jaren hulp vanuit de GGZ, maar dit is niet afdoende geweest om de zorgen weg te nemen. [minderjarige 1] lijkt volledig klem te zitten tussen zijn opvoeders. Het loyaliteitsconflict dat [minderjarige 1] ervaart, maakt dat hij niet aan zijn ontwikkeling toekomt en dat hij opstandig gedrag vertoont richting de pleegmoeder. [minderjarige 2] laat geen gedragsproblemen zien, maar heeft wel zichtbaar last van de spanningen die er tussen haar opvoeders zijn. Ook voor [minderjarige 2] haar ontwikkeling is de huidige situatie derhalve zeer belastend.

De uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is meerdere malen getoetst door de kinderrechter, waarbij telkens is gebleken dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog aanwezig waren. Al in 2019 heeft de GI geconcludeerd dat er niet langer gewerkt dient te worden aan een thuisplaatsing bij de moeder en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het beste kunnen opgroeien bij de pleegmoeder. De rechtbank onderschrijft dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op hun plek zitten bij de pleegmoeder. De pleegmoeder is in staat om tegemoet te komen aan de opvoedbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld de voor hen noodzakelijke hulpverlening te volgen. Het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dan ook gelegen bij de pleegmoeder. De moeder erkent ook dat zij, vanwege haar problematiek, niet in staat is de volledige verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen.

Gelet op het voorgaande is de moeder naar het oordeel van de rechtbank niet binnen afzienbare termijn in staat om de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – de termijn waarbinnen zij de onduidelijkheid over hun perspectief kunnen verdragen – na negen jaar ruimschoots is verstreken. Aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a, BW is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan.

De rechtbank overweegt dat uit de stukken en de zitting is gebleken dat de moeder de afgelopen jaren onvoldoende in staat is geweest om haar gezag op een behoorlijke manier uit te oefenen. Zij is onvoldoende beschikbaar en bereikbaar geweest om haar toestemming te verlenen en zaken omtrent [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdig te regelen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geregeld teleurgesteld geweest omdat de moeder niet kwam opdagen bij belangrijke afspraken (op school, bij de GGZ of bij de gemeente). Ook heeft zij geen constructieve bijdrage geleverd in de samenwerking met de GI, de pleegmoeder en de hulpverlening ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI en de pleegmoeder hebben de gezagdragende rol op zich genomen, terwijl dit juist de taak van de moeder is. De moeder is echter nooit consequent bereikbaar en beschikbaar geweest.

Daarnaast is duidelijk geworden dat de moeder de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegmoeder niet volledig accepteert. De moeder zegt dat zij de plaatsing accepteert, maar laat in haar handelen en uitspraken zien dat dit niet (altijd) het geval is. De moeder heeft belastende uitspraken gedaan richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zo is gebleken dat de moeder, wanneer de jaarlijkse verlenging weer op zitting komt, tegen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zegt dat zij haar best zal doen om hen terug te krijgen. Deze uitspraken zorgen voor veel onrust en spanningen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al jarenlang bij de pleegmoeder wonen, blijft de onduidelijkheid over hun toekomstperspectief op deze manier aanwezig. Duidelijk is dat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] gevolgen van deze onduidelijkheid ervaren.

De moeder voert ten aanzien van het uitoefenen van haar gezag en haar acceptatie van de plaatsing aan dat zij een terugval heeft gehad en daardoor zo heeft gehandeld. Deze situatie is nu verbeterd, aldus de moeder. De rechtbank gaat hier niet in mee, omdat de moeder al negen jaar lang niet consequent in haar bereikbaarheid, beschikbaarheid en acceptatie is geweest. De rechtbank benadrukt dat zichtbaar is dat de moeder veel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] houdt en dat zij vanwege haar problematiek voornamelijk uit onmacht handelt. Desondanks prevaleert het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op duidelijkheid. Zij kunnen niet nog langer worden belast met onzekerheid over hun toekomstperspectief.

Zoals in rechtsoverweging 6.3. is overwogen, dient ook te worden beoordeeld of aan de maatstaf van artikel 8 EVRM is voldaan. De rechtbank dient op grond van artikel 8 EVRM ook te beoordelen of er minder ingrijpende maatregelen voor handen zijn waardoor de gezagsbeëindigende maatregel niet noodzakelijk is.

De moeder heeft aangevoerd dat er minder ingrijpende mogelijkheden ingezet kunnen worden om een gezagsbeëindiging te voorkomen. De rechtbank ziet deze mogelijkheden echter niet. Een overdracht naar het vrijwillig kader heeft de GI in juli 2024 onderzocht, maar bleek niet tot de mogelijkheden te behoren. Het is al sinds 2017 nodig gebleken om de uithuisplaatsing in een gedwongen kader plaats te laten vinden omdat het de moeder niet is gelukt om consequent achter de plaatsing bij de pleegmoeder te staan. De rechtbank heeft er dan ook geen vertrouwen in dat dit op korte termijn zal veranderen. Ook het jaarlijks verlengen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Vast staat dat de moeder de afgelopen jaren haar gezag niet naar behoren heeft uitgevoerd en onvoldoende in staat is geweest om tijdig en zorgvuldig gezagsbeslissingen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te nemen. Er zijn perioden geweest waarin dat beter ging, maar de moeder is daar niet betrouwbaar in gebleken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een jaarlijkse verlenging van de maatregelen te belastend is voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , de pleegmoeder én de moeder.

Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat het voortzetten van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] schadelijk is voor hun verdere ontwikkeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW en de vereisten, die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging, is voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen.

Voogdij

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De Raad heeft geadviseerd de voogdij bij de GI te beleggen. De rechtbank kan zich vinden in dit advies. De GI is al langere tijd betrokken bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is vanuit haar deskundigheid en professie toegerust om de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te behartigen, zoals onder meer het organiseren van de voor hen noodzakelijk geachte hulpverlening en het monitoren van het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de moeder. De GI heeft zich op 12 februari 2025 schriftelijk en tijdens de zitting mondeling bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De GI zal dan ook worden belast met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om de pleegmoeder met de voogdij te belasten. Als de pleegmoeder de voogdij zou krijgen, zal dit de verhouding tussen haar en de moeder niet ten goede komen. Ook de vader met het gezag belasten, is naar het oordeel van de rechtbank geen mogelijkheid. De vader kampt met de nodige problematiek en heeft geen contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader heeft daardoor geen zicht op het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en weet niet met welke gezagsbeslissingen zij het meest gebaat zijn.

Tot slot richt de rechtbank zich nog tot de moeder. De beslissing tot gezagsbeëindiging betekent niet dat de moeder geen rol meer kan spelen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder zal altijd de moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijven. Het verlies van het ouderlijk gezag leidt bovendien niet tot een beperking van het recht op contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder behoudt het recht en de plicht om contact te hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onverminderd recht op contact met de moeder. Er wordt vanuit gegaan dat alle betrokkenen zich zullen inspannen voor een betekenisvolle rol van de moeder in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , op een wijze die passend is bij de persoon, ontwikkeling en belastbaarheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarbij geeft de rechtbank de moeder in overweging mee dat de omgangsmomenten mogelijk uitgebreid kunnen worden als haar situatie duurzaam verbetert en dit ook past voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Indien de moeder hiertoe in staat is, verwacht de rechtbank dat de GI onderzoekt of een uitbreiding van de omgangsmomenten tot de mogelijkheden behoort.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

Gezagsregister

In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

7. De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedag 3] 1988 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ) over de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 1] ;

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarigen William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025 door mr. Tempel, voorzitter, mr. Sumner en mr. Skrotzki, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Van der Linde als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Tempel

Griffier

  • mr. Van der Linde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?