RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440698 / KG ZA 25/521
Vonnis in kort geding van 21 november 2025
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: vrouw,
advocaat: mr. P.B.J. Dekker,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. E.E.M. Molkenboer.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 4;
- de brief van mr. Dekker van 6 november 2025 met producties 16 tot en met 22.
De mondelinge behandeling is gehouden op 7 november 2025. Daarbij zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
- zij hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit deze relatie zijn de volgende, nu minderjarige, kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2015;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2018;
De man heeft de kinderen erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.
3. Het geschil
In conventie
De vrouw vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning aan [adres] (hierna: de woning) toe te wijzen;
II. het uitsluitend gebruik zal gelden totdat partijen een nadere regeling treffen dan wel een onherroepelijke uitspraak is gedaan in een bodemprocedure;
III. te bevelen dat de man binnen twee dagen na betekening van het vonnis de woning dient te verlaten en deze niet meer mag betreden, op straffe van een dwangsom van € 250,= per dag, met een maximum van € 20.000,=
IV. de kinderen aan de vrouw toe te vertrouwen.
De man voert gemotiveerd verweer.
In voorwaardelijke reconventie
De man heeft zijn vordering ter zitting als volgt verduidelijkt. Hij vordert, uitvoerbaar bij voorraad, voorwaardelijk, namelijk voor het geval de vordering van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning wordt toegewezen:
te bepalen dat tussen de man en de kinderen een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) zal gelden, inhoudende dat de kinderen om de week op zaterdag en zondag van 11:00 uur tot 19:00 uur contact hebben met de man in de woning, waarbij de vrouw gedurende deze tijd niet in de woning zal zijn;
te bepalen dat de vrouw zich actief inspant om binnen een termijn van zes maanden andere woonruimte te verkrijgen, met de mogelijkheid tot verlenging indien daar gegronde redenen voor bestaan;
te bepalen dat de man toegang behoudt tot de schuur bij de woning te [plaats] ten behoeve van zijn persoonlijke eigendommen, waaronder zijn motor;
te bepalen dat de vrouw voortaan voor de periode dat zij nog woont in de woning de gebruikerskosten met betrekking tot de woning voldoet en de huurlasten tussen partijen bij helfte worden gedeeld.
De vrouw voert verweer.
In conventie en voorwaardelijke reconventie
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie
Vorderingen onder I. tot en met III.: het uitsluitend gebruik van de woning
De vrouw legt het volgende aan haar vorderingen onder I. tot en met III. ten grondslag. Partijen verbleven lange tijd sinds de verbreking van hun relatie eind 2023 nog samen in de woning. De spanningen tussen hen zijn echter zodanig opgelopen dat sprake is van verbaal en/of fysiek geweld, intimidatie, psychische druk vanuit de man richting de vrouw en voortdurende conflicten binnen de woning. Dit leidt tot ernstige stress en angst bij de vrouw en de kinderen. Veilig Thuis is begin december 2024 betrokken geraakt. Hierna zijn afspraken gemaakt over de zorg voor de kinderen en het gebruik van de woning. De man heeft zich slechts enkele weken aan deze afspraken gehouden. Na nog een escalatie in januari 2025, met betrokkenheid van de politie, is opnieuw Veilig Thuis betrokken geraakt en zijn nieuwe afspraken gemaakt over het samen gebruik maken van de woning. Het dossier is overgedragen aan het Sociaal team [plaats] en er is voor beide partijen een maatschappelijk werker ingezet. De vrouw heeft het afgelopen jaar op alle mogelijke manieren geprobeerd een woning te vinden, maar dit is niet gelukt. Op 2 oktober jl. heeft een gesprek plaatsgevonden met Veilig Thuis, dit heeft geleid tot veiligheidsafspraken, maar de man heeft tegen de gemaakte afspraken in daarna alsnog de woning betreden. Hij vernielt zaken in de woning en neemt persoonlijke spullen mee. Veilig Thuis is nu bezig met een veiligheidsonderzoek. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij het gevorderde gebruik van de woning. Zij heeft 80% van de zorg over de kinderen en wenst escalaties te voorkomen. Ter zitting heeft de vrouw verder toegelicht dat de man zich niet houdt aan de afspraken en dat daarom een dwangsom nodig is.
De man heeft aangegeven dat zijn primaire standpunt is dat de vorderingen van de vrouw moeten worden afgewezen. Subsidiair wenst hij dat de vorderingen van de vrouw enkel worden toegewezen als zijn (reconventionele) vorderingen worden toegewezen. Hij voert daartoe het volgende aan. Het is altijd de afspraak tussen partijen geweest dat de vrouw de woning zou verlaten en de man in de woning zou blijven wonen. Gelet daarop heeft de vrouw ook de huurovereenkomst tussen haar en de woningcorporatie op enig moment opgezegd. De vrouw is voor meerdere woningen in aanmerking gekomen, maar heeft deze woningen niet geaccepteerd. Het is dus aan haar te wijten dat zij nu geen andere woning heeft. De man betwist dat hij de vrouw heeft mishandeld en geeft aan dat het eerder andersom is. Het is echter, aldus de man, in het belang van de kinderen dat escalaties tussen hem en de vrouw worden voorkomen. Hij is daarom bereid om de woning onder de door hem in voorwaardelijke reconventie gestelde voorwaarden (tijdelijk) te verlaten. Hij maakt overigens al geruime tijd geen gebruik van de woning, want hij verblijft bij zijn vader. Van enige noodzaak tot het opleggen van een dwangsom is dan ook geen sprake. Die vordering mist juridische grondslag.
De vrouw vraagt in deze procedure om voorlopige maatregelen. Om dergelijke maatregelen te kunnen treffen moet sprake zijn van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan sprake is. Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat sprake is van grote spanningen tussen partijen alsook van betrokkenheid van Veilig Thuis in verband met zorgen over de veiligheid van de vrouw en (daarmee) de kinderen. Partijen zijn het er met elkaar over eens dat de situatie waarbij zij beide in de woning verblijven onhoudbaar is. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het voorgaande voldoende blijkt van een spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een vordering strekkende tot toekenning van het exclusieve huurrecht van de gezamenlijk gehuurde woning, waarbij de andere huurder de woning dus moet verlaten, in geval van contractuele medehuurders die ook samenwoners zijn kan worden gegrond op artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling ziet weliswaar op samenwoners waarvan de niet-contractuele huurder op grond van voormeld artikel medehuurder is geworden, maar kan naar analogie worden toegepast wanneer contractuele medehuurders een geschil hebben over wie van hen het gehuurde moet verlaten en wie daarin mag blijven. Ter zitting hebben partijen in dit verband bevestigd dat (nog steeds) sprake is van contractueel medehuurderschap.
De voorzieningenrechter kan binnen dit kort geding geen definitieve beslissing geven over de toedeling van het huurrecht van de woning aan een van de partijen. De vorderingen van partijen kunnen enkel leiden tot een voorlopige voorziening in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure aan wie van partijen het huurrecht wordt toebedeeld. De vrouw heeft ter zitting aangekondigd een bodemprocedure te starten en op dit punt wordt voorts verwezen naar r.o. 4.9. hierna. Bij de vraag aan wie (voorlopig) het gebruiksrecht van de woning moet worden toegewezen, gaat het om een belangenafweging. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.
Zoals hiervoor is overwogen onder r.o. 4.3. zijn partijen het er met elkaar over eens dat gezamenlijke bewoning niet langer mogelijk is. Hoewel de man niet zelf het uitsluitend gebruik van de woning vordert, vordert hij in voorwaardelijke reconventie wel het (mede) gebruik van de schuur en (ter zitting toegevoegd:) de garage, zodat een afweging van ieders belang dient te worden gemaakt. Nu er minderjarige kinderen in de woning wonen, moet bij het nemen van een maatregel over de woonsituatie van partijen ook hun belang een eerste overweging vormen (artikel 3 IVRK).
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging uitvalt in het voordeel van de vrouw en neemt daartoe het volgende in aanmerking. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken op de zitting is gebleken dat de verhouding tussen partijen sinds in ieder geval enkele maanden ernstig is verstoord. Door de vrouw zijn WhatsApp-gesprekken overgelegd (producties 7, 11, 13, 16, 17 en 18) waarin de man zich zeer negatief, intimiderend en bedreigend uitlaat richting de vrouw. Ook dreigt hij zichzelf wat aan te zullen doen als de vrouw de woning van hem afpakt, waarbij hij intimiderende foto’s meestuurt. Anders dan de man stelt, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat dit een enkele emotionele uitspatting was. Dergelijke berichten heeft de man namelijk veelvuldig en op verschillende momenten in de afgelopen periode verstuurd. Vanwege de onrust en meldingen in verband met zorgen is Veilig Thuis meerdere keren betrokken geweest in de afgelopen periode. Uit het e-mailbericht van Veilig Thuis van 7 oktober 2025 (productie 21 van de vrouw) blijkt dat recent, naar aanleiding van een escalatie tussen ouders, veiligheidsafspraken zijn gemaakt met de man en de vrouw. Deze afspraken houden onder andere in dat partijen geen contact hebben met elkaar, op geen enkele manier, de man niet in de woning komt om de rust en veiligheid voor de kinderen te waarborgen, en hij geen contact heeft met de kinderen. Ondanks deze afspraken is de man daarna toch onaangekondigd in de woning verschenen en heeft hij spullen meegenomen. De voorzieningenrechter gaat in dit verband voorbij aan de stelling van de man dat op dat moment de veiligheidsafspraken niet meer golden. Uit de veiligheidsafspraken blijkt namelijk niet van de door de man gesteld beperking in tijd.
Voldoende is gebleken dat al het voorgaande bij de vrouw en de kinderen zorgt voor veel spanning, onrust en (een gevoel van) onveiligheid. Het is in het belang van de kinderen dat zij in deze onrustige tijd van de relatiebreuk tussen hun ouders met de vrouw in de voor hen stabiele, vaste en vertrouwde omgeving van de woning kunnen blijven wonen. In dat verband is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw de volledige (en tot voor kort grotendeels de) zorg voor de kinderen heeft. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat de vrouw voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat, hoewel zij graag zou verhuizen naar een andere woning, zij op dit moment geen alternatieven heeft. Gebleken is verder dat de vrouw (tot op heden) niet in aanmerking komt voor urgentie, geen geschikte woonruimte heeft gevonden en geen netwerk heeft waar zij kan verblijven. Dat zij door eigen toedoen geen andere woonruimte heeft kunnen vinden, zoals door de man is aangevoerd, blijkt nergens uit. De voorzieningenrechter is gelet op al het voorgaande van oordeel dat het belang van de vrouw bij het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning groter is dan het belang van de man bij het (mede) gebruik van de daarbij behorende schuur en de garage.
Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning zal toekennen - waaronder dus is begrepen het uitsluitend gebruik van de bij de woning behorende garage en de schuur - en de man zal bevelen de woning binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis te verlaten en niet verder te betreden. Dit betekent dat de man, zoals door hem is gevorderd in voorwaardelijke reconventie, ook geen gebruik mag maken van de garage en de schuur. Het hiervoor geschetste belang van de vrouw (en de kinderen) is groter dan het belang van de man om over zijn persoonlijke eigendommen in de schuur en garage te beschikken. Van een spoedeisend belang daarbij is overigens ook niet gebleken.
De voorziening om aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning toe te kennen behoort in tijd te worden beperkt omdat de vordering ziet op een tijdelijk gebruik van de woning. De vrouw heeft kenbaar gemaakt dat het exclusieve gebruik dient te gelden totdat partijen een nadere regeling treffen en dat zij anders in een bodemprocedure het exclusieve huurrecht zal vorderen. Dit laatste heeft zij tot op heden nog niet gedaan. De voorzieningenrechter verbindt om die reden aan de veroordeling de voorwaarde dat de vrouw binnen zes weken na de datum van dit vonnis hierover een bodemprocedure moet starten. De vordering onder I., II. en III. van de vrouw in conventie zullen in zoverre als na te melden worden toegewezen.
De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding aan de veroordeling van de man om de woning te verlaten en niet verder te betreden een dwangsom te verbinden. Hoewel de man aangeeft dat een dwangsom niet nodig is, omdat hij al geruime tijd bij zijn vader verblijft, heeft hij tegen de veiligheidsafspraken in en onaangekondigd toch de woning betreden en op de zitting heeft hij ook niet laten zien dat hij begrijpt dat hij de woning niet meer kan betreden bij toewijzing van de vordering van de vrouw. Een dwangsom is naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom nodig. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw onder III. toewijzen, met dien verstande dat de dwangsom bij overtreding van het voorgaande € 100,= per dag zal bedragen met een maximum van € 10.000,=.
Vordering onder IV.: toevertrouwing van de kinderen
Omdat de man geen verweer heeft gevoerd tegen de voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw onder IV., toewijzen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van de vordering.
In reconventie
Nu aan de voorwaarde voor de reconventionele vorderingen is voldaan, komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de vorderingen van de man.
Vordering onder 1.: een voorlopige zorgregeling
De man legt aan zijn vordering onder 1. ten grondslag dat hij de kinderen al een maand niet heeft gezien. Hij wenst weer contact te kunnen hebben met zijn kinderen, maar de vrouw frustreert dit. Op de zitting heeft de man verder toegelicht dat hij recht heeft op contact met de kinderen en dat het huidige handelen van de vrouw de belangen en de emotionele ontwikkeling van de kinderen schaadt.
De vrouw heeft op de zitting verweer gevoerd. Volgens haar moet deze vordering worden afgewezen. Het contact tussen de man en de kinderen is voor hen belastend geweest. De man heeft zeer negatieve en schadelijke uitlatingen over de vrouw gedaan in het bijzijn van de kinderen en hij gedraagt zich onvoorspelbaar. Gelet hierop en op de dreigende berichten die de man haar stuurt heeft zij zorgen over hun veiligheid. Er zijn nu ook veiligheidsafspraken van kracht waaruit volgt dat er voorlopig geen contact plaatsvindt tussen de man en de kinderen. Veilig Thuis is verder bezig met een onderzoek naar de veiligheid en situatie van partijen, waarbij de mogelijkheden voor contact tussen de man en de kinderen worden meegenomen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij de vorderingen over de omgangsregeling het spoedeisende belang voortvloeit uit de aard van de vordering, omdat het gaat om contact tussen de vader en de kinderen.
Uit de herhaalde meldingen bij en betrokkenheid van Veilig Thuis volgt dat sprake is van zorgen op het gebied van de veiligheid van de vrouw en (daarmee) de kinderen. Als gevolg daarvan is Veilig Thuis een onderzoek gestart en hebben partijen onder leiding van Veilig Thuis op 7 oktober jl. veiligheidsafspraken gemaakt. De man stelt weliswaar dat deze afspraken slechts 2 weken zouden gelden (na 7 oktober), maar daarvan blijkt niet uit de afspraken zelf. Daaruit volgt namelijk dat de afspraken gelden tot anders wordt bepaald door de vaste casemanager van Veilig Thuis. Vast staat dat dat nog niet is gebeurd. Onderdeel van die veiligheidsafspraken is dat er geen contact is tussen de man en de kinderen. Uit de in r.o. 4.7. hiervoor aangehaalde WhatsApp gesprekken tussen partijen volgt daarnaast van (ook recente) ernstige dreigementen door de man aan het adres van de vrouw en daarnaast is gebleken van onvoorspelbaar gedrag van de man (zoals het onaangekondigd verschijnen in de woning). Bij voornoemde stand van zaken, de ernstig verstoorde communicatie tussen partijen en de naar voren gebrachte veiligheidsrisico’s waarnaar op dit moment door Veilig Thuis nader onderzoek wordt gedaan - en die de man lijkt te bagatelliseren-, ziet de voorzieningenrechter op dit moment en in het kader van deze procedure geen mogelijkheden om een (voorlopige) omgangsregeling vast te stellen. De voorzieningenrechter acht (de veiligheidsafspraak van) voorlopig geen contact tussen de man en de kinderen, gelet op alle zorgen, op dit moment in overeenstemming met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter geen voorlopige zorgregeling zal vaststellen en de vordering van de man onder 1. zal afwijzen. Partijen hebben aangegeven dat vanuit Veilig Thuis binnen het onderzoek dat zij uitvoert ook aandacht is voor de mogelijkheid van contact tussen de man en de kinderen en de voorzieningenrechter gaat er van uit dat, zodra wordt geconstateerd dat er op een veilige manier, in het belang van de kinderen, contact kan plaatsvinden tussen de kinderen en de man, dat zal worden opgestart.
Vordering onder 2.: inspanningsverplichting voor het zoeken van een andere woning
De man voert aan dat de vrouw zich actief dient in de spannen om binnen zes maanden een nieuwe woning te vinden. Dit past bij de afspraken tussen partijen, waarbij de man de bewoning van de woning zal voortzetten, aldus de man.
De vrouw heeft op de zitting verweer gevoerd. Volgens haar moet deze vordering worden afgewezen. Zij wil wel een nieuwe woning vinden, maar dit is nog niet gelukt. Zodra de vrouw urgentie krijgt en een andere woning vindt, zal zij zo snel mogelijk de woning verlaten. In het geval zij geen urgentie krijgt, verwacht zij echter niet binnen zes maanden een andere woning te kunnen vinden.
De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Namens de man is voor deze vordering geen juridische grondslag gesteld, en deze is ook nergens uit gebleken. Bovendien heeft de vrouw op de zitting aangegeven zich actief in te zullen spannen voor het vinden van een andere woning. Van belang daarbij is of zij voor urgentie in aanmerking komt; zij heeft aangegeven dit op korte termijn te horen. Daarnaast is de gegeven voorziening al tijdelijk en zal de vrouw een bodemzaak starten waarin een definitieve beslissing over het huurrecht zal worden genomen.
Vordering onder 3.: toegang tot de schuur en de garage
Onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverweging 4.7. en 4.7 is overwogen, zal de voorzieningenrechter deze vordering van de man afwijzen.
Vordering onder 4: kosten van de woning
De man heeft op de zitting toegelicht dat hij op dit moment alle woonlasten betaalt voor de woning. De man acht dit onredelijk, omdat hij een beperkt inkomen heeft en geen voordeel geniet van het gebruik van de woning.
De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat, zodra zij de huurtoeslag en zorgtoeslag op haar rekening ontvangt, zij ermee kan instemmen dat zij de helft van de huurlasten en de volledige gebruikerslaten betaalt. De man ontvangt tot op heden haar zorgtoeslag en heeft deze niet aan haar over willen maken.
De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Namens de man is voor deze vordering geen juridische grondslag gesteld, en deze is ook nergens uit gebleken. Bovendien is gebleken dat de man (in ieder geval) de zorgtoeslag van de vrouw ontvangt en deze niet aan haar overmaakt. De voorzieningenrechter constateert verder dat de vrouw heeft toegezegd dat zodra de vrouw de toeslagen ontvangt, zij de helft van de huurlasten en de volledige gebruikerslasten zal betalen. De rechtbank gaat er van uit dat zij zich houdt aan haar toezegging.
Overige afspraken
Tenslotte hebben partijen op de zitting afgesproken dat zij geen contact met elkaar hebben, op geen enkele wijze (WhatsApp, sms, telefonisch, e-mail etc.), tenzij dit uiterst noodzakelijk is in verband met de kinderen, in welk geval het contact zal plaatsvinden via e-mail. Daarnaast heeft de man toegezegd dat hij de privéfoto’s en -filmpjes van de vrouw die hij in zijn bezit heeft, bij partijen genoegzaam bekend, niet zal verspreiden en niet zal versturen aan anderen. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat partijen zich hieraan zullen houden.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
In conventie
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw, totdat in een binnen zes weken na de datum van dit vonnis aanhangig te maken bodemzaak definitief is beslist over het huurrecht van de woning of zo veel eerder als partijen terzake een nadere regeling treffen, gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning gelegen aan de [adres] (daarbij inbegrepen de schuur en de garage);
beveelt, uitvoerbaar bij voorraad, de man om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woning gelegen aan de [adres] (daarbij inbegrepen de schuur en de garage), te verlaten en niet verder te betreden, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,= per dag dat hij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,=;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2015,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2018;
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
wijst de vorderingen af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel, voorzieningenrechter, en, in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.