RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440014 / JE RK 25-1700
Datum uitspraak: 13 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. N. Wouters uit Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat mr. M. Cortet uit Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 22 september 2025, ontvangen op 22 september 2025;
de brief van mr. Wouters van 7 november 2025, met als bijlage de beschikking van het hof Den Bosch van 30 oktober 2025;
de brief van mr. Cortet van 13 november 2025, met bijlage.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
de vader;
de advocaat van de vader via een Teamsverbinding;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
Bij beschikking van 21 november 2022 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig
onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 november 2022 en tot 21 februari 2023.
Bij beschikking van 17 februari 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht
gesteld van de GI voor de duur van negen maanden, met ingang van 17 februari 2023 en tot
17 november 2023.
Bij beschikking van 16 november 2023 heeft de kinderrechter de
ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 november 2023 en tot 17
november 2024.
Bij beschikking van 4 november 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 november 2024 en tot 17 november 2025.
Bij beschikking van het hof Den Bosch van 30 oktober 2025 is de vader het recht op omgang tussen hem en [minderjarige] ontzegd.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden, waarvan een restant van 6 maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tijdens de zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd in die zin dat zij verzoekt de ondertoezichtstelling, uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van drie maanden te verlengen.
4. De standpunten
De GI verklaart tijdens de zitting dat de beschikking van het hof van 30 oktober 2025 het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in een ander daglicht heeft geplaatst. Doordat de omgang tussen de man en [minderjarige] is ontzegd zijn de doelen die zien op het contactherstel tussen [minderjarige] en de man en de invulling van de rol van de vader in het leven van [minderjarige] komen te vervallen. De GI ziet alleen nog toegevoegde waarde in een ondertoezichtstelling voor zover die ziet op het werken aan een borgingsplan. Daarvoor vindt de GI een termijn van drie maanden voldoende. De GI wijzigt het verzoek dan ook in die zin dat zij verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van drie maanden. De GI vindt het niet nodig om de ondertoezichtstelling langer dan drie maanden te verlengen nu haar rol alleen ziet op het zicht houden en monitoren van de situatie. De GI ziet dat de moeder meewerkt aan de ingezette hulpverlening. Ook zal de GI de komende maanden kijken naar de informatievoorziening vanuit de moeder richting de vader, en in de overweging daarvan meenemen hetgeen het hof over de ontzegging van de omgang heeft beslist. Ook de rol van vader en stappen voor contact in de toekomst zullen in het borgingsplan worden meegenomen.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat [minderjarige] momenteel in groep 3 zit. Ze kan onder voorwaarden en met veel sturing en begeleiding naar school. Er is veel contact tussen de juf en [hulpverlening 1] . Ook [hulpverlening 2] is betrokken. [minderjarige] zit op dansles en ze speelt met een meisje uit de buurt. De eetstoornis van [minderjarige] is nog onverminderd aanwezig. Bij spanningen wordt gezien dat [minderjarige] nog meer dan anders haar eten laat liggen. In december staat weer een consult in het ziekenhuis gepland. [minderjarige] blijft in haar lengte flink achter op leeftijdsgenootjes dus nu wordt gekeken naar de mogelijkheden van sondevoeding. De moeder voert geen verweer tegen het gewijzigde verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling met drie maanden. De moeder vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling goed wordt afgesloten door middel van een borgingsplan. Gelet op de uitspraak van het hof moet nu de focus liggen op de gezondheid van [minderjarige] en op de manier waarop zij kan herstellen. De moeder accepteert de hulpverlening in het vrijwillig kader. [hulpverlening 1] is op aangeven van de GI betrokken en daar ervaart de moeder veel baat bij. De moeder vindt dan ook dat na een goede borging de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten nu de doelen die door de Raad zijn gesteld aangaande het herstel van contact tussen de vader en [minderjarige] en de invulling van de rol van de vader in het leven van [minderjarige] gelet op de uitspraak van het hof zijn komen te vervallen. De moeder is er mee akkoord dat hier in het borgingsplan wel aandacht voor zal zijn.
Door en namens de vader wordt tijdens de zitting aangegeven dat hij de uitspraak van het hof erg teleurstellend vindt. Hij wil heel graag omgang met [minderjarige] en betrokken raken in haar leven. Hij is het niet eens met het standpunt van de GI dat kan worden toegewerkt naar borging. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd doordat er ernstige zorgen over haar gezondheid zijn. Het is van belang dat de GI als regievoerder betrokken blijft, nu de moeder steeds maar andere instanties blijft betrekken in de gezondheid rondom [minderjarige] . In de hoger beroepprocedure heeft de moeder de [instantie] weer betrokken en ook op haar eigen initiatief bij [hulpverlening 1] om hulp verzocht. De moeder blijft de vader beschuldigen van ernstige feiten. De vader heeft er geen vertrouwen in dat de moeder meewerkt aan herstel van contact tussen hem en [minderjarige] in het vrijwillig kader. Er is een positieve ontwikkeling bij [minderjarige] te zien maar daarmee zijn niet alle zorgen weggenomen. De regie van de GI blijft noodzakelijk omdat het eetprobleem van [minderjarige] nog steeds aanwezig is en er nog de nodige hulpverlening moet worden ingezet.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten zoals hierboven vermeld en dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden moet worden verlengd. De kinderrechter zal derhalve het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van drie maanden met ingang van 17 november 2025 en tot 17 februari 2026. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
De gezondheidssituatie van [minderjarige] en haar voeding blijven een grote zorg in het leven van [minderjarige] . Ondanks haar precaire gezondheidssituatie zet [minderjarige] echter stappen vooruit op school en houdt ze zich staande in de klas. Ook ontwikkelt ze zich op sociaal vlak steeds meer. De kinderrechter begrijpt de wens van de vader en dat hij het idee heeft dat hij steeds meer grip op de situatie verliest nu hem door het hof de omgang is ontzegd. De kinderrechter is echter van oordeel dat het hof duidelijk heeft overwogen dat de gezondheid van [minderjarige] moet prevaleren boven herstel van contact tussen de vader en [minderjarige] . Gelet op deze uitspraak van het hof kan er binnen de ondertoezichtstelling niet meer gewerkt worden aan de oorspronkelijk gestelde doelen omtrent het herstel van contact tussen de vader en [minderjarige] en het invullen van de rol van de vader in het leven van [minderjarige] . Het derde doel dat de Raad heeft gesteld waaraan binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt is dat er zicht komt op de juiste hulpverlening voor [minderjarige] . De kinderrechter volgt het standpunt van de GI dat de moeder laat zien dat zij meewerkt aan inzet van hulpverlening. De moeder organiseert de hulp voor [minderjarige] die nodig is. De kinderrechter is dit alles overwegende van oordeel dat toegewerkt kan worden naar een afronding van de ondertoezichtstelling. Een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling langer dan drie maanden ligt ook niet voor. De kinderrechter is van oordeel dat de komende drie maanden gewerkt moet worden aan het opstellen van een borgingsplan. In dit borgingsplan moeten afspraken komen te staan over de inzet van de hulpverlening in het vrijwillig kader. Hieruit moet blijken wat er moet gebeuren als de hulpverlening stagneert, maar ook hoe er informatie over [minderjarige] met de vader wordt gedeeld en op welke wijze het contact tussen [minderjarige] en de vader kan worden opgestart als de gezondheid van [minderjarige] verbeterd is.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden, met ingang van 17 november 2025 en tot 17 februari 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier, en op schrift gesteld op 25 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.