RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 96-002781-25
raadkamernummer : 25-021580
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.T.K. Davidse, advocaat te Middelburg (Damplein 3, 4331 GC Middelburg),
hierna te noemen: de verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 16 juni 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 14 oktober 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs, verzoeker en mr. R.T.K. Davidse advocaat van verzoeker gehoord.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat verzoeker er van verdacht werd te hebben gereden onder invloed van alcohol. Er zijn aanwijzingen dat verzoeker alcohol minder snel afbreekt waardoor er gerede twijfel is bij het aantal ugl dat verzoeker heeft geblazen. Gezien deze omstandigheden is het de vraag of verzoeker veroordeeld zou zijn indien de zaak niet geseponeerd was. De advocaat van verzoeker stelt zich op het standpunt dat gezien deze omstandigheden er gronden van redelijkheid en billijkheid zijn om de door verzoeker gemaakte kosten te vergoeden en verzoekt de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld er sprake was van een sepot omdat de politie het procesdossier niet tijdig had ingezonden en dat er op zitting wel een veroordeling was gevolgd, zodat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 18 april 2025 overgegaan tot een sepot omdat de politie het proces-verbaal niet tijdig heeft ingestuurd. Echter het proces-verbaal is wel tijdig opgesteld en aan het dossier toegevoegd. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
Dat de zaak tegen verzoeker is geseponeerd, maakt niet zonder meer dat hij recht heeft op schadevergoeding. De reden van het sepot dient tevens in de afweging te worden betrokken. De officier van justitie heeft besloten verzoeker niet verder te vervolgen omdat het proces-verbaal niet tijdig door de politie is ingezonden. De reden voor het sepot was niet gelegen in het ontbreken van bewijs. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier naar voren komt dat verzoeker bekent heeft dat hij een voertuig heeft bestuurd nadat hij 5 bier gedronken had. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen gronden van billijkheid zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen en zij zal het verzoek tot toekenning van een vergoeding afwijzen.
Nu het verzoek tot toekennen van een vergoeding wordt afgewezen, wijst de rechtbank ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer af.
3. De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 28 oktober 2025 gegeven door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).