ECLI:NL:RBZWB:2025:8430

ECLI:NL:RBZWB:2025:8430, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28-11-2025, BRE 25/4443

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 28-11-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer BRE 25/4443
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

NTB KINDER - CWS is geen bestuursorgaan

Uitspraak

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),

en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) van 10 november 2021 om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep kennelijk gegrond?

3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 10 november 2021 en uit de poststempel blijkt dat verweerder de aanvraag op 12 november 2021 heeft ontvangen. Verweerder moet binnen zes maanden beslissen op de aanvraag. Verweerder had dus uiterlijk op 12 mei 2022 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 19 juni 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 23 juni 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.

4. Verweerder voert in zijn verweerschrift van 23 september 2025 aan dat het beroep niet-ontvankelijk dan wel ongegrond dient te worden verklaard. De CWS heeft namelijk duidelijk met de brief van 9 februari 2022 en de e-mail van 23 november 2022 aan eiseres gecommuniceerd dat eiseres niet als gedupeerde is aangemerkt door verweerder waardoor de aanvraag van eiseres niet in behandeling kan worden genomen. De CWS kan geen inhoudelijk advies uitbrengen en heeft duidelijk aangegeven dat opnieuw een aanvraag kan worden ingediend op het moment dat eiseres wel als gedupeerde wordt aangemerkt. Dat het verzoek om vergoeding van werkelijke schade niet in behandeling is genomen, kan volgens verweerder dan ook niet als onredelijk worden beschouwd. Volgens verweerder is de dwangsombeschikking ook ten onrechte afgegeven.

De rechtbank stelt vast dat de CWS een adviseur als bedoeld in artikel 3:5 van de Awb. De CWS is dus geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb. De mededeling van de CWS dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen, is dus geen besluit op de aanvraag. Dat de aanvraag op het moment van indienen volgens verweerder niet in behandeling kon worden genomen, neemt niet weg dat verweerder wel op tijd op deze aanvraag had moeten beslissen. Aangezien eiseres door verweerder inmiddels wel als gedupeerde is aangemerkt, dient verweerder een inhoudelijk besluit op de aanvraag te nemen.

Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?

5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.

Op 8 oktober 2025 heeft deze rechtbank een zaak op zitting behandeld waarin verweerder ook niet op tijd heeft beslist op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De rechtbank heeft op 5 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak en bepaald dat de lijn die in die uitspraak is uitgezet, geldt voor alle uitspraken die vanaf dat moment worden gedaan in (opvolgende) beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade door verweerder in het kader Wht. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van deze uitspraak. De lijn van deze rechtbank komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na de datum van het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van (maximaal) 52 weken. Dit geldt zowel bij eerste als bij opvolgende beroepen. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak.

De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 12 mei 2022 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.

Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?

6. Omdat de termijn van 60 weken al is verstreken, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 5.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 28 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P. Broeders

Griffier

  • mr. M.R. Jouvenaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?