V.O.F. [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 november 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns opgelegd van € 18.334 (de naheffingsaanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 492 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende: [naam 1] (vennoot) en [naam 2] (vennoot). Namens de inspecteur hebben [inspecteur 1] , mr. drs. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Ook is de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende exploiteert een supermarkt onder de handelsnaam ' [handelsnaam] ' gelegen op het [adres] te [plaats] (de supermarkt). In de supermarkt worden onder meer waterpijpen en kooltjes verkocht.
Op 24 augustus 2023 heeft een toezichthouder van de gemeente [plaats] een controle uitgevoerd in de supermarkt. De bevindingen van deze controle zijn in een proces-verbaal vastgelegd. In het proces-verbaal wordt, voor zover hier van belang, onder meer het volgende vermeld:
“Ik hoorde dat de collega zei dat de medewerker die wegrende een grote, bruine, kartonnen doos tijdens zijn vlucht meenam en ik hoorde dat de collega zag dat de medewerker de doos in een geparkeerd Landrover zette. Deze Landrover zou naast de achteruitgang van de supermarkt staan.”
En:
“Ik, toezichthouder, zag op de bestuurdersstoel van de auto een grote, kartonnen doos staan en ik hoorde dat mijn collega tegen mij zei dat dat de doos betrof die de medewerker van [handelsnaam] in de auto had gezet.”
In de auto die naast de achteruitgang van de supermarkt stond geparkeerd, werden in totaal 18.360 sigaretten en 59.750 gram waterpijptabak aangetroffen. Op de sigaretten en op 46.000 gram waterpijptabak zaten geen accijnszegels. 13.750 gram waterpijptabak was voorzien van een Duits accijnszegel.
De auto waarin de tabaksproducten waren aangetroffen, stond op naam van belanghebbende. De auto was niet afgesloten.
Ter zake van de bevindingen van de controle is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
4. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de auto waarin de sigaretten en de waterpijptabak zijn aangetroffen reeds was verkocht en dat de sigaretten en de waterpijptabak niet van haar waren. Belanghebbende voert verder aan samen met de toezichthouder de camerabeelden en personeelscontracten te hebben gecontroleerd en dat hieruit bleek dat de persoon die de doos in de auto had geplaatst geen werknemer van de supermarkt was. Ook heeft belanghebbende nog aangevoerd dat de bovenburen meerdere (volgens belanghebbende onterechte) meldingen over belanghebbende hebben gedaan bij diverse overheidsinstanties en dat bij controles van de douane na augustus 2023 geen onregelmatigheden meer zijn aangetroffen.
De inspecteur stelt dat belanghebbende belastingplichtig is, omdat zij de sigaretten en de waterpijptabak voorhanden had of daarbij betrokken was. Hiertoe voert de inspecteur aan dat een toezichthouder heeft gezien dat een medewerker van de supermarkt een doos vanuit de supermarkt in de auto legde. De auto stond geparkeerd bij de achterdeur van de supermarkt. Belanghebbende is de eigenaar van deze auto. De inspecteur is daarom van mening dat belanghebbende de beschikkingsmacht over de sigaretten en de waterpijptabak had. De inspecteur betwist dat de toezichthouders camerabeelden en personeelscontracten hebben bekeken.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de in de auto aangetroffen sigaretten en waterpijptabak niet waren voorzien van Nederlandse accijnszegels en ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat voor die sigaretten en de waterpijptabak accijns was betaald. Daarom is accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van die sigaretten en de waterpijptabak. Onder uitslag tot verbruik wordt onder meer verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Voor dat geval wordt de accijns geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is.
Uit het proces-verbaal van de toezichthouder van de gemeente volgt dat een collega van de toezichthouder zag dat een medewerker van de supermarkt met een grote kartonnen doos door de achterdeur van de supermarkt wegrende en de doos in een geparkeerde auto zette die naast de achteruitgang van de supermarkt stond. De auto stond op naam van belanghebbende. De auto was niet op slot en in de auto werden tassen en dozen met sigaretten en waterpijptabak aangetroffen.
De stelling van belanghebbende dat tezamen met de toezichthouder camerabeelden en personeelscontracten zijn bekeken, is niet met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de stelling van de inspecteur, die is onderbouwd met een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van de toezichthouder, onvoldoende betwist.
Ook de overige stellingen van belanghebbende kunnen belanghebbende niet baten. Dat de bovenburen meerdere (volgens belanghebbende onterechte) meldingen over belanghebbende hebben gedaan bij diverse overheidsinstanties en dat bij controles van de douane na augustus 2023 geen onregelmatigheden meer zijn aangetroffen, verandert niets aan de bevindingen van de controle op 24 augustus 2023. Gelet op de duidelijke verklaringen van de toezichthouder in het proces-verbaal acht de rechtbank niet aannemelijk dat op die datum iemand anders dan een werknemer van belanghebbende de sigaretten en waterpijptabak in de auto heeft gelegd.
De omstandigheid dat een werknemer van belanghebbende vanuit de supermarkt van belanghebbende naar de auto rende, die ook op naam van belanghebbende staat, maakt dat belanghebbende de sigaretten en waterpijptabak voorhanden had of in ieder geval betrokken was bij het voorhanden hebben van deze goederen. Niet van belang is of belanghebbende enig recht kon doen gelden met betrekking tot de sigaretten en waterpijptabak, of dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had behoren te weten dat het ging om onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak. Ten aanzien van de stelling dat de auto reeds was verkocht overweegt de rechtbank dat dit, zo dit al het geval zou zijn, aan het voorgaande niets afdoet, nu belanghebbende nog steeds als houder van de auto geregistreerd was en belanghebbende nog feitelijk toegang had tot de auto en daarmee ook tot de sigaretten en de waterpijptabak. De auto was immers niet afgesloten en stond achter de supermarkt geparkeerd.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Belanghebbende heeft niets ingebracht tegen de berekening van de hoogte van de naheffingsaanslag en de rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de berekening van de inspecteur. De naheffingsaanslag is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 1 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch .