[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. J. IJntema),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 mei 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 319 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 313.
In de toelichting op de uitspraak op bezwaar van 5 april 2024 heeft de inspecteur aangekondigd dat de verzuimboete zal worden verminderd tot nihil en dat een kostenvergoeding zal worden toegekend. Bij afzonderlijke beslissing van 9 april 2024 heeft de inspecteur belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 310. De inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar van 30 mei 2024 de naheffingsaanslag, de belastingrente en de verzuimboete gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierbij komt de vraag aan bod of de kleineondernemersregeling (KOR) van toepassing is en zo ja, of het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrente terecht en niet tot een te hoog bedrag in rekening is gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Partijen zijn het erover eens dat de verzuimboete bij de uitspraak op bezwaar had moeten worden verminderd tot nihil.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, omdat de KOR van toepassing is en het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De naheffingsaanslag is niet te hoog vastgesteld. De belastingrente is naar het oordeel van de rechtbank terecht en niet tot een te hoog bedrag in rekening gebracht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. De gemachtigde heeft belanghebbende op 18 november 2019 aangemeld voor deelname aan de KOR.
Bij brieven van 9 december 2019 heeft de inspecteur de aanvraag tot deelname aan de KOR bevestigd en beslist dat belanghebbende mag deelnemen aan de KOR. Beide brieven zijn verzonden aan het adres van belanghebbende.
De gemachtigde heeft op 24 maart 2021 verzocht om beëindiging van de KOR omdat deze abusievelijk was aangevraagd. De gemachtigde heeft daarbij tevens verzocht om activering van het BTW-nummer van belanghebbende met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.
Op 31 maart 2021 heeft de inspecteur de aangifte omzetbelasting over het tijdvak van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 ontvangen. In de aangifte is € 785 als verschuldigde omzetbelasting en € 3.131 als voorbelasting opgenomen.
Per brief van 16 april 2021 heeft de inspecteur aangegeven dat het verzoek om beëindiging van de KOR niet in behandeling wordt genomen, omdat niet het juiste afmeldformulier is gebruikt.
De gemachtigde heeft op 22 april 2021 door middel van het daarvoor bestemde afmeldformulier nogmaals verzocht om beëindiging van de KOR, met ingangsdatum 1 juli 2021. De inspecteur heeft het afmeldingsverzoek op 13 mei 2021 afgewezen omdat de regeling geldt voor minimaal 3 jaar en deze wettelijke termijn nog niet was afgelopen.
Op 21 mei 2021 heeft de inspecteur, conform de ingediende aangifte, een teruggaaf van omzetbelasting verleend van € 2.346.
Met dagtekening 28 juni 2023 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd van € 3.131. Dit bedrag omvat de eerder verleende teruggaaf van € 2.346 en de door belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting van € 785. De inspecteur heeft tevens € 319 aan belastingrente in rekening gebracht. Ook heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd van € 313 vanwege het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de gestelde termijn betalen van de omzetbelasting.
Belanghebbende is uitgenodigd voor het doen van aangifte over 2022. Met dagtekening 12 januari 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een brief gestuurd met betrekking tot deze aangifte, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“U hebt onlangs een papieren aangifte of papieren aangiftes btw (omzetbelasting) over 2022 gekregen van de Belastingdienst. Deze aangifte(s) hadden wij u niet moeten sturen, omdat u vorig jaar gebruikmaakte van de Kleineondernemersregeling (KOR). Daardoor had u een vrijstelling van btw. Hiervoor bieden wij u onze excuses aan.
(…)
U hebt zich afgemeld voor de KOR vanaf 1 januari 2023. Dat betekent dat u over 2023 wel btw-aangifte moet doen.”
Tot de processtukken behoort een door belanghebbende overgelegde machtiging. In de machtiging wordt, voor zover hier van belang, vermeld dat belanghebbende de gemachtigde machtigt om namens belanghebbende:
“a. fiscale aangifte(n) en aangifte(n) inzake sociale verzekeringswetten in te dienen en te ondertekenen, dit naar eigen keuze via de daarvoor bestemde formulieren, via elektronische aanlevering of anderszins, met dien verstande dat volmachtgever te allen tijde verantwoordelijk blijft voor de juistheid van de namens volmachtgever gedane aangifte(n) en ter zake gemachtigde vrijwaart;
b. van de bevoegde instantie(s) langs elektronische weg kopieën van aanslagen en andere beslissingen te ontvangen;
c. met betrekking tot aanslagen inzake genoemde aangifte(n) voor zover nodig (na ruggespraak) bezwaarschriften in te dienen bij de ter zake bevoegde instantie(s), alsmede al datgene te verrichten wat gemachtigde nodig of nuttig oordeelt, teneinde te komen tot een juiste regeling van de betreffende aanslag(en).”
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
4. De inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar de verzuimboete in stand gelaten. Dit in tegenstelling tot hetgeen de inspecteur in de eerder verstuurde motivering van de uitspraak op bezwaar heeft vermeld. Hangende het beroep heeft de inspecteur de verzuimboete alsnog verminderd tot nihil. Het beroep is daarom reeds gegrond.
De naheffingsaanslag
KOR
5. In artikel 25 van de Wet OB is met betrekking tot de KOR, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
1. Een ondernemer die in Nederland is gevestigd of aldaar een vaste inrichting heeft en van wie de omzet in een kalenderjaar in Nederland niet meer bedraagt dan € 20.000 kan kiezen voor toepassing van vrijstelling van belasting ter zake van door hem in dat en volgende kalenderjaren verrichte leveringen van goederen en diensten. De vrijstelling is niet van toepassing op leveringen van nieuwe vervoermiddelen die door of voor rekening van de verkoper of afnemer worden verzonden of vervoerd naar een plaats in een andere lidstaat en op de levering van onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen die de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt.
(…)
4. De ondernemer die de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, toepast, heeft geen recht op aftrek van belasting als bedoeld in artikel 2 en mag op de factuur op geen enkele wijze melding maken van omzetbelasting.
(…)
7. De toepassing van de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt tot wederopzegging door de ondernemer doch ten minste voor drie jaren na aanvang van de toepassing van de vrijstelling. De ondernemer kan pas drie jaren na die wederopzegging opnieuw kiezen voor de toepassing van de vrijstelling.
Machtiging
6. Belanghebbende stelt dat zij de deelname aan de KOR niet heeft aangevraagd en niemand opdracht heeft gegeven of gemachtigd heeft om dit voor haar te doen. Het verzoek tot deelname aan de KOR wordt niet gesteund door de verleende volmacht. De inspecteur heeft gesteld dat uit de machtiging volgt dat de gemachtigde wel bevoegd was om deelname aan de KOR aan te vragen.
De rechtbank overweegt dat de toepassing van de KOR zodanig samenhangt met het doen van aangiften omzetbelasting dat de machtiging moet worden geïnterpreteerd als mede betrekking hebbend op de aanvraag van deelname aan de KOR. Daarbij merkt de rechtbank op dat de gemachtigde zelf niet heeft aangegeven dat hij niet bevoegd was, maar enkel dat hij abusievelijk de KOR heeft aangevraagd. Verder heeft belanghebbende ter zitting desgevraagd verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat zij de aan haar verzonden brieven heeft gezien waarin de bevestiging van deelname aan de KOR is medegedeeld (zie 3.1), maar dat het zou kunnen dat ze die heeft ontvangen. Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende daarop actie heeft ondernomen om de aanmelding ongedaan te maken. Daaruit leidt de rechtbank af dat belanghebbende en de gemachtigde oorspronkelijk wel van mening waren dat de gemachtigde bevoegd was om in verband met de aangifte ook regelingen zoals de KOR aan te vragen. Nu de machtiging naar het oordeel van de rechtbank toereikend was om de deelname aan de KOR aan te vragen, de deelname aan de KOR door de inspecteur is verleend en belanghebbende gedurende het gehele jaar 2020 aan de voorwaarden van de KOR heeft voldaan (zie overweging 5), is de KOR van toepassing in het jaar 2020 en is de naheffingsaanslag in beginsel terecht opgelegd.
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat de verleende teruggaaf juist was, omdat de inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte en vervolgens met kennis van alle gegevens weloverwogen een teruggaaf heeft verleend.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Voor het in rechte te beschermen vertrouwen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur de teruggaaf van omzetbelasting bij beschikking heeft verleend. De gerechtvaardigdheid van in rechte te beschermen vertrouwen hangt af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat het verlenen van de teruggaaf van omzetbelasting door de inspecteur berust op een bewuste standpuntbepaling. Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in het verlenen van de teruggaaf in overeenstemming met een aangifte en/of verzoek waarin de belastingplichtige de van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld of in het verlenen van de teruggaaf na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of na gevoerde correspondentie.
De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende voor het jaar 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting. Uit de aangeleverde stukken is dit ook niet gebleken. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij voor het jaar 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting. Wel is belanghebbende voor het jaar 2022 uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting. Belanghebbende heeft kort daarna een brief ontvangen dat deze uitnodigingen abusievelijk zijn verzonden, omdat belanghebbende in 2022 nog deelnam aan de KOR (zie 3.8). Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbende in deze omstandigheden aan de uitnodiging om over 2022 aangifte omzetbelasting te doen niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de KOR toch met terugwerkende kracht was beëindigd per 1 januari 2020.
Verder heeft de inspecteur voorafgaand aan de teruggaafbeschikking tot tweemaal toe nadrukkelijk geweigerd om de deelname aan de KOR te beëindigen. Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbende dan aan het enkel volgen van de ingediende aangifte niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de inspecteur toch een ander standpunt had ingenomen.
Gelet op het vorenstaande is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.
Hoogte naheffingsaanslag
Bij deelname aan de KOR bestaat geen recht op aftrek van belasting en dient geen omzetbelasting gefactureerd te worden. Belanghebbende heeft ondanks de deelname aan de KOR toch omzetbelasting in rekening gebracht. De door belanghebbende gefactureerde omzetbelasting is zij op grond van artikel 37 van de Wet OB 1968 verschuldigd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden om de onterecht gefactureerde omzetbelasting te herzien, waaronder het verzenden van creditfacturen. De naheffingsaanslag omvat daarom naast het eerder ten onrechte teruggegeven bedrag van € 2.346 ook de door belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting van € 785. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag tot de juiste hoogte opgelegd.
Tussenconclusie met betrekking tot de naheffingsaanslag
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd.
Belastingrente
Belanghebbende heeft met betrekking tot de belastingrente aangevoerd dat het lang heeft geduurd voordat de inspecteur een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld dat de belastingrentebeschikking in verband met het tijdsverloop tot het opleggen van naheffingsaanslag moet worden vernietigd of gematigd, volgt de rechtbank belanghebbende niet in haar standpunt. De wet geeft de inspecteur een termijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de teruggaaf is verleend om een naheffingsaanslag op te leggen. De inspecteur kan niet worden verplicht de aanslag eerder op te leggen. Omdat de inspecteur de naheffingsaanslag binnen de wettelijke termijn heeft opgelegd, is geen sprake van onzorgvuldig handelen van de inspecteur. Belanghebbende heeft geen andere gronden tegen de berekening van de hoogte van de belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking blijven in stand.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907.
Belanghebbende heeft in bezwaar en beroep gevraagd om vergoeding van de (proces)kosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De rechtbank hanteert voor de bezwaarfase een wegingsfactor 1. Anders dan de inspecteur ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de verzuimboete door de inspecteur slechts uit coulance tot nihil is verminderd geen aanleiding voor een lagere wegingsfactor. Voor de beroepsfase hanteert de rechtbank een wegingsfactor 0,5, aangezien het beroep slechts gegrond is vanwege het abusievelijk niet vernietigen van de verzuimboete in de formele uitspraak op bezwaar. Uit de toelichting op de uitspraak op bezwaar en de toelichting op de toegekende kostenvergoeding blijkt evident dat de inspecteur de bedoeling had om de verzuimboete te vernietigen. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde in de beroepsfase enkel een pro-formaberoepschrift van een pagina heeft ingediend en belanghebbende zelf de motivering van het beroepschrift heeft ingediend. De vergoeding voor de rechtsbijstand door een gemachtigde bedraagt dan in totaal € 1.747,50.
Voorts heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de reis- en verletkosten die zij heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting. De inspecteur heeft verklaard akkoord te zijn met de bedragen die belanghebbende voor deze kosten op het proceskostenformulier heeft vermeld. De rechtbank kent daarom een vergoeding voor de reiskosten toe van € 50,17 en voor de verletkosten van € 300. De kosten van de aangetekende brief komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding dan € 2.097,67. Indien de toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase (zie 1.2) reeds is uitgekeerd aan belanghebbende, dient dat bedrag nog in mindering te worden gebracht op het in deze uitspraak vastgestelde bedrag.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep met betrekking tot de boetebeschikking gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vernietigt de boetebeschikking;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.097,67 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 1 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.