ECLI:NL:RBZWB:2025:8459

ECLI:NL:RBZWB:2025:8459, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-12-2025, BRE 24/4831

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 01-12-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer BRE 24/4831
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

8:54; Het beroep is gegrond voor zover het ziet op de kostenvergoeding in bezwaar. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op het verzoek om een dwangsom vast te stellen vanwege het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom. Het is niet mogelijk om binnen een lopende dwangsomprocedure een nieuwe dwangsprocedure te starten en aldus dwangsommen te 'stapelen'.

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 mei 2024. Het beroep ziet op de dwangsombeschikking met dagtekening 30 mei 2023 in verband met het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2020 met aanslagnummer [BSN] .H.06.01.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende is het niet eens met de toegekende kostenvergoeding in bezwaar en stelt verder dat de inspecteur een dwangsom is verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep dat zich richt tegen de kostenvergoeding gegrond is en voor zover gericht tegen de dwangsom ongegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase

Belanghebbende stelt zich terecht op het standpunt dat de waarde per punt van de kostenvergoeding in bezwaar € 624,- had moeten bedragen in plaats van de toegekende € 310,-. De inspecteur onderkent dit ook in het verweerschrift. De rechtbank volgt belanghebbende in zijn stelling onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024. De heffingsambtenaar had voor de bezwaarfase moeten uitgaan van een bedrag per punt van € 624,-. Het beroep is op dit punt dus gegrond.

Dwangsom

Ten aanzien van het verzoek om een dwangsom vast te stellen vanwege het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende hier geen aanspraak op kan maken en dat dit verzoek zal worden afgewezen. Een dwangsombesluit is geen beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, Awb, zodat niet krachtens deze bepaling een dwangsom kan worden verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Dit geldt ook voor het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Het is niet mogelijk om binnen een lopende dwangsomprocedure een nieuwe dwangsomprocedure te starten en aldus dwangsommen te ‘stapelen’. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding. De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor bezwaar vast op € 312,-. Voor zover de inspecteur al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier, op 1 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. drs. S.J. Willems-Ruesink

Griffier

  • mr. W. Dekkers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?