RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441328 / JE RK 25/1935
Datum uitspraak: 20 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 29 oktober 2025;
de door de ouders opgestelde pleitaantekeningen, tijdens de zitting overhandigd.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 november 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
de vader;
de moeder;
twee vertegenwoordigers van de GI;
een vertegenwoordigster van de Raad.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van 16 mei 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 22 mei 2025 tot 22 mei 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 22 mei 2025 tot 22 juli 2025. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden.
Laatstelijk, bij beschikking van 21 juli 2025, heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een pleeggezin met ingang van 22 juli 2025 tot 22 november 2025.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging in een pleeggezin.
3. Het verzoek
De GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 26 mei 2026.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Bij [minderjarige] is er op zeer jonge leeftijd letsel geconstateerd. Hiernaar is onderzoek verricht door het LECK, waaruit is gebleken dat het letsel van [minderjarige] waarschijnlijk door niet accidentele krachtsinwerking is gekomen. De vader is de enige verdachte in de strafrechtelijke procedure omtrent het letsel bij [minderjarige].
De bedoeling was om een gezinsopname te realiseren bij [accommodatie]. Dit is afgewezen. Voorts is de vader aangemeld bij [hulpverlening], waar een risicoanalyse op huiselijk geweld en kindermishandeling wordt gemaakt. Ook is het de bedoeling om bij de vader een psychologisch onderzoek te verrichten. In de visie van de GI dient het onderzoek bij [hulpverlening] te worden afgewacht voordat er verdere stappen worden ondernomen. De exacte duur van de behandeling bij [hulpverlening] is onbekend. Dit is ook afhankelijk van het behandelplan. Ook is onbekend wanneer het onderzoek kan beginnen. Na het onderzoek bij [hulpverlening] moet worden bezien wat er nodig is om tot een terugplaatsing bij de ouders te komen. Tot die tijd moet de veiligheid van [minderjarige] worden gewaarborgd in het pleeggezin waar hij nu verblijft.
Bij het pleeggezin gaat het goed met [minderjarige]. Er zijn op dit moment geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] in het pleeggezin. Positief is dat de ouders aangeven dat zij voelen en weten dat [minderjarige] het goed heeft in het pleeggezin. De overdracht tussen de ouders en pleegmoeder verloopt soepel en er is een goede band tussen alle betrokkenen. De structuur die op dit moment aangeboden wordt vanuit de pleegmoeder, de omgangsbegeleider en de ouders is helpend voor [minderjarige]. De ouders en [minderjarige] zien elkaar twee keer per week. Op verzoek van de ouders is de duur van de omgang uitgebreid met een uur.
Desgevraagd geeft de GI aan dat ook de strafprocedure naar verwachting lang zal duren. Het is echter niet per se nodig om de uitkomst van de strafprocedure af te wachten. Wat wel nodig is, zijn de uitkomsten van het risicoanalyse onderzoek, om te bezien of er een kans is op recidive.
5. Het standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad
De moeder brengt, samengevat, naar voren dat zij het gevoel heeft dat de ouders niet verder komen en de situatie blijft zoals deze is. Het duurt allemaal te lang. Een onderzoek bij [hulpverlening] had eerder ingezet kunnen worden. Ook de strafprocedure duurt te lang. Dit is niet goed voor [minderjarige]. De ouders willen graag samen met [minderjarige] een gezin vormen. De omgang met [minderjarige] verloopt positief, deze is uitgebreid, en iedereen is altijd positief over de ouders. De ouders hopen op een kans om samen met de GI tot goede afspraken te komen. Het intakegesprek bij [hulpverlening] heeft op 18 november 2025 plaatsgevonden. De moeder hoopt dat het traject snel kan starten. Desgevraagd verklaart de moeder geen zorgen te hebben over de vader. Er wordt gesuggereerd dat het gaat om opzet, maar het was een ongeluk wat ook anderen had kunnen gebeuren.
De vader brengt, samengevat, naar voren dat hij niet weet waar hij aan toe is. Bij [hulpverlening] heeft er een intakegesprek plaatsgevonden. Onduidelijk is wanneer de behandeling kan starten en hoe lang deze duurt. Ook de strafprocedure verloopt traag. Volgens de vader heeft zijn advocaat gevraagd om een beëindiging van de strafzaak. Op 9 december 2025 is er een zitting in de strafzaak. Inmiddels zijn er drie maanden verstreken, zonder dat de vader iets van de politie heeft gehoord. Desgevraagd benadrukt de vader dat het een ongeluk betrof; hijzelf was ziek. Hij heeft [minderjarige] verschoond en een flesje gegeven. Toen de vader met [minderjarige] naar de benedenverdieping ging via de trap, was de vader niet helder en liet hij [minderjarige] uit zijn handen vallen. Er is toen gelijk met de huisarts gebeld en zo ging het balletje rollen.
De Raad adviseert de kinderrechter om het verzoek toe te wijzen. De Raad volgt de GI in het verzoek, omdat er niet veel in de feitelijke situatie is veranderd en de ouders er dezelfde visie op nahouden. De Raad maakt de ouders wel een compliment ten aanzien van de omgang. Omdat dit goed ging, is er een uitbereiding gekomen.
6. De beoordeling
Wat zegt de wet?
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Artikel 1:265c lid 2 BW bepaalt dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter kan hier kort zijn. Hoewel er een intakegesprek heeft plaatsgevonden bij [hulpverlening] is de feitelijke situatie ten opzichte van de beschikking van 21 juli 2025 niet veranderd; is er nog geen risicoanalyse verricht en daarmee is er geen zicht op mogelijk recidiverisico voor huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Daarbij komt ook dat het strafproces van de vader niet is afgerond.
De kinderrechter volgt in die zin hetgeen is overwogen in de beschikking van 21 juli 2025: nu er op korte termijn geen duidelijkheid zal zijn ten aanzien van het strafrechtelijke onderzoek betreffende het letsel van [minderjarige], waarbij de vader de enige verdachte is, is de kinderrechter met de GI en de Raad van oordeel dat een risicoanalyse op huiselijk geweld en kindermishandeling noodzakelijk is. De risicoanalyse bij [hulpverlening] dient derhalve te worden afgewacht, alsmede hun inschatting of een psychologisch onderzoek noodzakelijk is. Pas daarna kan er worden bekeken welke stappen er verder moeten worden ondernomen. [minderjarige] heeft immers traumatische gebeurtenissen meegemaakt en er moet worden voorkomen dat hij, op wat voor manier dan ook, verder wordt beschadigd. Grote zorgvuldigheid is dan ook belangrijk.
Dit betekent dat de kinderrechter het verzoek van de GI zal toewijzen voor de verzochte duur, te weten voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 26 mei 2026. De kinderrechter acht deze termijn ook passend, nu er geen zicht is op een startdatum bij [hulpverlening] en ook niet bekend is hoe lang de behandeling van de vader zal duren. Zoals de GI ter zitting naar voren heeft gebracht, moet daarna nog worden bekeken of en op welke manier er al dan niet kan worden teruggewerkt naar een thuisplaatsing bij de ouders. Dit alles heeft tijd nodig en zal naar verwachting niet op korte termijn duidelijk zijn. De kinderrechter begrijpt het ongeduld van de ouders, maar het belang van [minderjarige] weegt zwaarder.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin met ingang 22 november 2025 voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 22 mei 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 1 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.