beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436898 / FA RK 25-3224
datum uitspraak: 2 december 2025
beschikking over wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.C.M. Smeulders-Martens in Raamsdonksveer,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in PI [locatie],
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg in [geboorteplaats],
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats], hierna: [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 23 juni 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlage van 27 juli 2025 van mr. Smeulders-Martens;
- het F9-formulier met bijlage van 28 oktober 2025 van mr. Smeulders-Martens;
- het F9-formulier van 10 november 2025 van mr. Langenberg;
- het F9-formulier met bijlage van 12 november 2025 van mr. Smeulders-Martens;
- het F9-formulier met bijlagen van 13 november 2025 van mr. Langenberg.
Op 14 november 2025 heeft de rechtbank het verzoek behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die zitting zijn verschenen, partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad.
Na de zitting zijn, met toestemming van de rechtbank, nog ontvangen de volgende stukken:
- het op 18 november 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek;
- het op 26 november 2025 ontvangen verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek.
2. De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij de vrouw.
[minderjarige] en de man hebben op dit moment geen contact met elkaar.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, te bepalen dat de vrouw alleen belast wordt met het gezag over [minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats].
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De man verzoekt, bij wijze van zelfstandig verzoek (ingekomen op 18 november 2025) bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in goede justitie een zorgregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen, kosten rechtens.
De vrouw voert verweer (bij verweerschrift ingekomen op 26 november 2025) tegen het zelfstandige verzoek van de man.
4. De standpunten en het advies van de Raad
Standpunt vrouw
De vrouw legt, samengevat, het volgende aan haar verzoek ten grondslag. De man heeft een straat- en contactverbod opgelegd gekregen die hij regelmatig overtreedt. Dit verbod is er gekomen na verschillende incidenten tussen partijen. Ook heeft de vrouw een AWARE-systeem gekregen na oplegging van het eerste straat- en contactverbod. De vrouw is doodsbang voor de man. Zijn gedrag wordt steeds onvoorspelbaarder. Volgens de vrouw hebben er in de afgelopen 2,5 jaar talloze incidenten voorgedaan waarbij sprake was van ernstig grensoverschrijdend gedrag waarbij de man agressief en intimiderend gedrag vertoonde jegens de vrouw. Soms was de man daarbij onder invloed en [minderjarige] was hier vaak bij aanwezig. Zo is de man over de schutting en ’s nachts op het dak van de woning van de vrouw geklommen, heeft hij haar fysiek aangevallen en heeft hij schreeuwend aan de voordeur via de brievenbus en bij open ramen geprobeerd om contact af te dwingen. Recent, op 12 juni 2025, heeft de man de ruit van de woning van de vrouw ingeslagen met een stalen pan. Hiervan is de vrouw enorm geschrokken. Door het gedrag van de man kan de vrouw [minderjarige] geen veilige en stabiele omgeving bieden zolang er gezamenlijk gezag is. De vrouw maakt zich zorgen dat de man [minderjarige] en haarzelf elke keer opnieuw in onveilige situaties brengt. Er is op dit moment op geen enkele wijze communicatie tussen partijen. Een werkbaar contact is niet mogelijk, omdat dit keer op keer leidt tot grensoverschrijdend gedrag van de man. Daarbij komt ook dat de man momenteel gedetineerd zit en de vrouw enorm bang is voor hem. Er is geen basis voor vertrouwen, communicatie en samenwerking. Gelet op alles wat is voorgevallen kan van de vrouw niet meer worden verlangd dat zij samen met de man het gezag over [minderjarige] uitoefent. Desgevraagd grondt de vrouw haar verzoek op artikel 1:251a lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW), inhoudende dat de wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
De vrouw formuleert geen omgangsverzoek, omdat zij dit nu niet in het belang van [minderjarige] acht en dit botst met het straat- en contactverbod. Er is hulpverlening bij het gezin betrokken geweest, zoals van het CJG en De GezinsManager. De man heeft deze hulpverlening steeds afgekapt, omdat het volgens hem niet snel genoeg ging. Op dit moment zijn Veilig Thuis en Safe Group van de situatie op de hoogte. De stelling van de man dat de vrouw soms zelf contact met hem opnam en zij hem over de vloer liet klopt. De vrouw heeft gemeend dit te moeten doen voor [minderjarige], zodat hij contact had met de man. Echter, afgelopen jaar is dat niet meer gebeurd en zijn er afspraken gemaakt op neutraal terrein, zodat de vrouw altijd omringd was door derden. Voor het laatst was dit in maart 2025. De vrouw heeft altijd geprobeerd om het contact goed te houden, maar door het ernstig grensoverschrijdend gedrag van de man is dat gestopt.
Desgevraagd verklaart de vrouw geen bezwaar te hebben tegen een raadsonderzoek, al is de vrouw het er niet mee eens dat dit wordt uitgebreid met een beschermingsonderzoek.
Standpunt man
De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw. Hij voert, samengevat, het volgende aan. De man erkent dat de relatie tussen partijen turbulent is. In het verleden hebben zich meerdere incidenten voorgedaan tussen partijen. Dit heeft geleid tot de aangifte van de vrouw. Zij verwijt de man dat hij haar lastigvalt. Dit verdient nuancering. In een periode van ongeveer negen maanden voor het incident van 12 juni 2025, heeft de vrouw meerdere keren zelf contact gezocht met de man. Zij heeft hem daarbij ook uitgenodigd bij haar thuis. Ook hebben partijen uitstapjes ondernomen, zoals een bezoek aan een tentoonstelling, Antwerpen en De Efteling. Partijen hebben, ondanks het straat- en contactverbod, op meerdere manieren en momenten contact met elkaar gehouden. De door de man in de procedure gebrachte WhatsApp-berichten tussen partijen dateren allemaal van 2025. Hieruit blijkt dat de vrouw ambivalent is in het contact. Om die reden kan de man het verzoek van de vrouw dan ook niet plaatsen. Daarbij heeft de man de vrouw ten aanzien van te nemen gezagsbeslissingen geen strobreed in de weg gelegd en blijft zij hem over [minderjarige] informeren. De man stelt zich dan ook op het standpunt dat de feitelijke situatie tussen partijen niet past bij het verzoek. De man betwist dan ook dat er geen basis zou zijn voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag.
Desgevraagd verklaart de man dat zijn huidige detentie te maken heeft met het overtreden van het contact- en straatverbod. In december 2025 komt hiervoor weer een zitting. Dan zal bepleit worden dat de voorlopige hechtenis van de man dient te worden opgeheven. Niet bekend is tot hoe lang de detentie zal duren. Opvallend is dat de vrouw in de zaak is gehoord als getuige. De rechter-commissaris heeft de vrouw een-op-een gesproken en daarna gezegd dat het belangrijk is dat zij naar eer en geweten antwoordt. Hieruit blijkt dat de rechter-commissaris twijfelt aan het verhaal van de vrouw.
Wanneer de rechtbank bepaalt dat er een raadsonderzoek nodig is, dan zal de man zich daartegen niet verzetten. Het is juist goed dat er wordt uitgezocht hoe het tussen partijen zit. De man wordt op die manier in de gelegenheid gesteld om ook zijn kant van het verhaal te doen. De man zegt toe na de mondelinge behandeling in deze procedure een verzoek te zullen doen omtrent de vaststelling van een contactregeling, zodat dit onderwerp ook in het raadsonderzoek kan worden meegenomen.
Advies Raad
De Raad adviseert de rechtbank om een raadsonderzoek te gelasten. Op dit moment kan de Raad geen advies uitbrengen over het verzoek (van de vrouw) dat voorligt. De Raad vindt het ook belangrijk, gelet op de situatie die tussen partijen speelt, dat het onderzoek wordt uitgebreid met een beschermingsonderzoek én dat in een onderzoek betrokken wordt of en welke vorm van contact met de man in het belang van [minderjarige] is. Gebleken is dat er periodes zijn geweest zonder contact tussen [minderjarige] en zijn vader en dat [minderjarige] getuige is geweest van huiselijk geweld. Dit kan betekenen dat er mogelijk sprake is van een ontwikkelingsbedreiging.
5. De beoordeling
Raadsonderzoek
Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen geven op de verzoeken. De rechtbank sluit aan bij het voornemen van de Raad om een beschermingsonderzoek te doen en zal de Raad gelasten (ook) onderzoek te doen naar het gezag en het contact tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Gebleken is dat de visies van partijen over de incidenten die zich tussen hen hebben voorgedaan enorm verschillen. Waar de vrouw aangeeft bang te zijn voor de man, wordt door hem aangevoerd dat de vrouw juist zelf contact met hem opneemt en partijen beiden het straat- en contactverbod naast zich neer hebben gelegd. Daarnaast is het de rechtbank niet duidelijk geworden wat de stand van zaken is in de strafzaak van de man, of en in hoeverre er hulpverlening bij de vrouw betrokken is en hoe hulpverlening en andere betrokken instanties de veiligheid van de vrouw en [minderjarige] zien. De vrouw neemt hierover veel stellingen in, maar onderbouwt dit slechts minimaal met stukken. Om een definitieve beslissing te kunnen geven over het verzoek van de vrouw, dient de rechtbank hierover nader te worden geïnformeerd. In lijn met het advies van de Raad, zal de rechtbank dan ook een onderzoek van de Raad gelasten. De rechtbank ondersteunt het voorstel van de Raad om het onderzoek uit te bereiden met een beschermingsonderzoek alsook in het onderzoek het contact tussen de man en [minderjarige] te betrekken.
Dit leidt ertoe dat de rechtbank de Raad, locatie Breda, zal verzoeken om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige]?
- Zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke en hoe zijn deze op te heffen?
- Welke vorm van contact met de man past het beste bij de belangen van [minderjarige]?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
- In hoeverre zijn er zorgen over de veiligheid van de vrouw en [minderjarige] en hoe zien de bij het gezin betrokken instanties dit?
- In hoeverre speelt de detentie (en eventueel vervolg van de strafzaak) van de man een rol in de uitoefening van zijn gezag en het contact met [minderjarige]?
- Geeft het onderzoek de Raad aanleiding partijen en/of [minderjarige] hulpverlening aan te bevelen? Zo ja, in welke vorm?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Verdere verloop van de procedure
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de verzoeken
van partijen worden aangehouden voor de duur van negen maanden. De rechtbank wenst
uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum in ieder geval geïnformeerd te worden over
(de voortgang van) het onderzoek van de Raad, ook als het raadsrapport op dat moment nog
niet klaar is. Na binnenkomst van het raadsrapport zullen partijen in de gelegenheid worden
gesteld om daarop te reageren en het verder gewenste procesverloop kenbaar te maken.
Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de man
Zoals tijdens de zitting is besproken zal de man alsnog een zelfstandig verzoek indienen ten aanzien van de zorgregeling c.q. omgangsregeling, zodat dit onderwerp in het raadsrapport kan worden meegenomen. De rechtbank heeft dit verzoek op 18 november 2025 ontvangen. De vrouw heeft hierop op 26 november 2025 een verweerschrift ingediend. Het zelfstandige verzoek van de man en het verweer van de vrouw daarop zullen, indien nodig en wanneer het raadsonderzoek daar aanleiding toe geeft, op een vervolgzitting verder worden behandeld.
6. De beslissing
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.3. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
houdt de verzoeken van partijen (zoals vermeld onder rechtsoverweging 3.1. en 3.2.) aan tot dinsdag 1 september 2026 PRO FORMA;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.