RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440993 / JE RK 25-1881
Datum uitspraak: 26 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2025;
De brief van de GI van 18 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter stelt vast dat de vader correct is opgeroepen, maar niet is verschenen.
De moeder heeft tijdens de zitting een brief voorgelezen en overgelegd.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben (via de GI) een brief geschreven aan de kinderrechter.
2. De feiten
De vader en moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
Bij beschikking van 8 december 2023 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht
gesteld met ingang van 8 december 2023 en tot 8 december 2024.
Bij beschikking van 28 juni 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een netwerkpleeggezin verleend, te weten bij
grootouders moederszijde, met ingang van 28 juni 2024 en tot 12 juli 2024. Daarnaast heeft
de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een accommodatie
van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) verleend met ingang van 28 juni 2024 en tot 12 juli
2024. Beide verzoeken zijn voor het resterende deel aangehouden.
Bij beschikking van 10 juli 2024 is de machtiging verlengd [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin tot 8 december 2024.
Bij dezelfde beschikking is de machtiging verlengd [minderjarige 4] gedurende dag en nacht uit huis te
plaatsen in een gezinshuis tot 8 december 2024.
Bij beschikking van 21 november 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengd van 8 december 2024 tot 8 december 2025.
Ook is bij beschikking van 21 november 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 8 december 2024 en tot 8 december 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 4] in een WLZ-instelling te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
[minderjarige 1] heeft in zijn brief geschreven dat hij weer naar papa toe wil. Hij wil wonen bij de vader en de moeder. Het contact dat hij met de vader heeft, is goed en fijn. Het wonen bij de moeder gaat goed. Met [minderjarige 1] zelf gaat het goed en ook op school gaat het goed. Bij [hulpverlening] gaat het ook goed. Hij wil met [hulpverlening] bespreken dat hij ook weer bij de vader wil wonen. Hij vindt het fijn, maar ook jammer dat [minderjarige 4] niet meer thuiswoont. Hij ziet hem genoeg en vindt het prima zo.
[minderjarige 2] wil graag weer minimaal één keer per week contact met de vader en vaker contact met zijn broer [minderjarige 4] in het gezinshuis, omdat hij hen erg mist. Hij is blij dat hij weer thuis is. Het gaat goed, al is het wel wennen. Hij heeft nu ook therapie en dat is fijn. Hij wil graag meer hulp bij het verwerken van alle gebeurtenissen in zijn leven.
De GI stelt dat het goed gaat met de kinderen in de thuissituatie bij moeder en dat zij duidelijke stappen heeft gezet in haar herstel. De eenmalige terugval heeft de moederj adequaat opgepakt. De kinderen ontwikkelen zich positief, maar vanwege de gebeurtenissen uit het verleden en hun lopende traumabehandeling is verdere begeleiding noodzakelijk. De bedreiging in hun ontwikkeling is daarmee nog niet weggenomen.
Ten aanzien van de vader geeft de GI aan dat hij sinds juni 2022 afwezig is geweest in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat hij vanaf december 2024 afwezig is in het leven van [minderjarige 3] . In het fagelopen jaar heeft hij intensief samengewerkt met de betrokken hulpverlening om te werken aan zijn rol als ouder. In juli 2025 heeft hij op eigen initiatief contact gezocht et [minderjarige 1] via WhatsApp en in oktober ook met [minderjarige 2] . In gesprekken met de jeugdbeschermer geeft de vader aan dat hij ook openstaat voor contactherstel met [minderjarige 3] . Hoewel deze stap getuigt van betrokkenheid, blijft het contact tot nu toe beperkt en onvoorspelbaar. Er is nog geen sprake van een begeleid traject waarin het contact zorgvuldig wordt opgebouwd. Juist vanwege de kwetsbaarheid van de kinderen is het van groot belang dat het contact zorgvuldig, gefaseerd en onder professionele begeleiding moet worden opgebouwd, in het tempo dat aansluit bij de behoeften van de kinderen. Met [minderjarige 4] heeft de vader één keer in de maand bij [hulpverlener] contact.
Tijdens de zitting gaf de GI aan dat de vader niet aanwezig kon zijn vanwege een te hoge bloeddruk en dat de spanning rondom de zitting voor hem te belastend was. Hij heeft doorgegeven dat hij wil dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, hij wil de kinderen graag zien en ook wil hij rust.
De GI verzoekt daarom de OTS te verlengen. [minderjarige 4] verblijft op een voor hem geschikte plek; de machtiging tot uithuisplaatsing dient binnen een WLZ-instelling te worden uitgevoerd en te worden voortgezet. De GI benadrukt dat voortzetting van de bestaande structuur en begeleiding noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen
De moeder geeft aan dat zij het afgelopen anderhalf jaar intensief aan haar herstel heeft gewerkt en dat dit, ondanks een eenmalige terugval, goed verloopt. Zij heeft deze terugval direct aangepakt, onderzocht waar deze vandaan kwam en maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. De moeder ervaart de ondertoezichtstelling als steunend en geeft aan dat het goed gaat met de kinderen in de huidige thuissituatie. De moeder ziet dat de kinderen de vader missen en zou graag zien dat het contact met hem wordt opgebouwd op een wijze die past bij het tempo en de behoeftes van de kinderen. Zij zag hier ook voor inzetten. Zij staat achter de verlenging van de ondertoezichtstelling en is trots is op de ontwikkeling van de kinderen.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Zij hebben een belast verleden, waarin zij te maken hebben gehad met instabiele opvoed- en thuissituaties. Hoewel het op dit moment in hun thuissituatie goed gaat, is de ontwikkelingsbedreiging nog niet verdwenen. De kinderen hebben een zware periode achter de rug. Zij zijn nog bezig zijn met de verwerking van hun trauma’s en het omgaan met alles wat er is gebeurd. Daar komt bij dat er nog geen (structureel) contact met de vader is. De vader zal zich daarvoor volledig moeten gaan inzetten..
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de huidige begeleiding en regie noodzakelijk zijn om de veiligheid, stabiliteit en de traumabehandeling van de kinderen te waarborgen. Ook is professionele begeleiding nodig bij de opbouw van het contact met de vader, nu hij nog onvoldoende beschikbaar en belastbaar is.
De kinderrechter zal het onweersproken verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengen voor de duur van een jaar.
Inhoudelijke beoordeling uithuisplaatsing voor [minderjarige 4]
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 4] is voldaan. [minderjarige 4] zit goed waar hij nu zit en iedereen is het erover eens dat deze plaatsing voortgezet dient te worden. De kinderrechter zal, nu er sprake is van een nieuwe machtiging, te weten in een WLZ-instelling, de eerdere machtiging niet verlengen, maar een nieuwe machtiging verlenen. Dat betekent dat de machtiging voor [minderjarige 4] met ingang van 26 november 2025 voor de duur van één jaar wordt afgegeven.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met ingang van 8 december 2025 en tot 8 december 2026;
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een WLZ-instelling met ingang van 8 december 2025 en tot 8 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025, in aanwezigheid van Nelissen, griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.