RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3643
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Woensdrecht, de heffingsambtenaar.
1. Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 23 juli 2025.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking voor het jaar 2024 gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag verminderd en aan belanghebbende een vergoeding van de kosten in bezwaar toegekend voor een bedrag van € 80,87 (hierna: de kostenvergoeding). Vervolgens is belanghebbende in beroep gekomen tegen de hoogte van de kostenvergoeding.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft [gemachtigde] namens belanghebbende deelgenomen en namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam] , [taxateur] (taxateur) en als toehoorder [toehoorder] .
2. Feiten
De bij uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). De heffingsambtenaar heeft voor het indienen van het bezwaarschrift één punt toegekend met een wegingsfactor van 0,125. De waarde per punt is vastgesteld op € 80,87. In totaal is er een vergoeding toegekend van € 80,87.
3. Beoordeling door de rechtbank
Kostenvergoeding in bezwaar
Belanghebbende stelt dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase niet juist is vastgesteld. Waar aanvankelijk in de uitspraak op bezwaar een totaal bedrag van € 80,87 is toegekend, verzoekt belanghebbende in beroep primair om een verhoging van de kostenvergoeding in bezwaar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025.
De heffingsambtenaar vindt, kort gezegd, dat voor deze zaak en bij deze gemachtigde geen sprake is van een bijzonder geval.
Gelet op wat de Hoge Raad in de arresten van 17 januari 2025 en 25 april 2025 heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. Blijkens dit arrest rust de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’ op belanghebbende. Het gaat hierbij niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarin die proceskostenvergoeding wordt toegekend, maar om het bedrijfsmodel. Die moet zijn ingericht als no cure no pay of op een grondslag die daarmee op één lijn kan worden gesteld. Het is aan de belanghebbende en de gemachtigde, die zich op de uitzondering beroepen, te onderbouwen dat geen sprake is van no cure no pay of een daarmee op één lijn te stellen bedrijfsmodel.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval. Gemachtigde geeft aan dat er door zijn kantoor niet gewerkt wordt met standaard tekstblokken. De rechtbank ziet daarin onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn bedrijfsmodel niet de door de Hoge Raad genoemde kenmerken bezit en dus sprake is van een bijzondere omstandigheid. Daarbij heeft gemachtigde geen financiële gegevens overlegd en daardoor geen inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel. Belanghebbende voldoet dus niet aan zijn bewijslast. Dat betekent dat bij de vaststelling en de toekenning van de proceskosten de vermenigvuldigingsfactoren uit artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ kunnen worden toegepast. Voor dat geval is niet in geschil dat de heffingsambtenaar de juiste methodiek heeft gevolgd.
Gemachtigde stelt zich subsidiair op het standpunt dat door een afrondingsverschil de heffingsambtenaar het onjuiste bedrag aan proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend. Belanghebbende heeft er terecht op gewezen dat de heffingsambtenaar een afrondingsfout heeft gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dat zelf ook erkend. Het beroep is in zoverre gegrond en de rechtbank zal de kostenvergoeding in bezwaar daarom vaststellen op € 80,88.
4. Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en heeft belanghebbende in beginsel ook recht op een vergoeding voor de in beroep gemaakt proceskosten. De rechtbank ziet daar echter in dit geval geen aanleiding toe, aangezien het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand naar haar oordeel niet redelijk is. Met een eenvoudige melding had het afrondingsverschil eenvoudig hersteld kunnen worden.
5. Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.