[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Lamou),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn recht op bijstand en de terugvordering van een bedrag van € 3.467,35.
2. Met het besluit van 5 december 2023 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser per 28 september 2023 ingetrokken, omdat hij de inlichtingenplicht zou hebben geschonden.
3. Met het besluit van 11 december 2023 heeft het college een bedrag van € 3.467,35 teruggevorderd over de periode van 28 september tot en met 30 november 2023.
4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
5. Met het bestreden besluit van 24 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij die besluiten gebleven.
6. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. I. Lamou en zijn tolk (nummer [nummer] ). Namens het college is mr. S.S. Hyder verschenen.
7. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft het college terecht vastgesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden?
8. Eiser ontving een bijstandsuitkering, wat een vangnet is voor mensen die geen werk, inkomen of vermogen hebben. De inlichtingenplicht is een verplichting waaraan voldaan moet worden bij het ontvangen van een bijstandsuitkering. De inlichtingenplicht houdt in dat de bijstandsgerechtigde alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het recht op bijstand of de hoogte van de uitkering aan het college dient te melden. Het verrichten van werkzaamheden is zo’n omstandigheid.
9. Uit vaste rechtspraak volgt dat het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of daarvoor daadwerkelijk wordt betaald.
10. Uit het dossier, met name de verrichte waarnemingen en de afgenomen verklaringen van eiser en zijn zoon, blijkt duidelijk dat eiser werkzaamheden heeft verricht in de supermarkt van zijn zoon. Eiser heeft onder andere schoonmaakwerkzaamheden verricht, geveegd, kassawerkzaamheden verricht, producten geprijsd en spullen buitengezet. Dit zijn werkzaamheden waar normaal een beloning (salaris) tegenover staat. Het verrichten van deze werkzaamheden zijn dus omstandigheden die van invloed zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering, waardoor eiser deze werkzaamheden aan het college had moeten melden.
11. Eiser voert aan dat hij niet wist dat hij deze werkzaamheden aan het college had moeten melden. Echter, van iemand die een uitkering ontvangt mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van zijn rechten en plichten en dat hij deze werkzaamheden dus meldt bij het college. Dit is een belangrijke norm in de Participatiewet. Daarnaast is door het college op zitting nader toegelicht dat in de bijlage bij de toekenningsbeschikking informatie staat opgenomen waaruit blijkt dat als er werkzaamheden verricht worden, betrokkene dit bij het college moet melden. Het had eiser dus redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij zijn werkzaamheden had moeten melden. Dat het college niet expliciet heeft gemeld dat hij zijn zoon niet op deze manier mag helpen, zonder dit te melden, maakt niet dat het college haar zorgplicht heeft geschonden.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden.
Heeft het college de bijstandsuitkering van eiser mogen intrekken?
13. Schending van de inlichtingenplicht levert op zichzelf nog geen rechtsgrond op voor intrekking of terugvordering van de bijstand. Die grond is er, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstand behoevende omstandigheden.
14. In het bestreden besluit heeft het college gemotiveerd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat eiser geen urenadministratie heeft bijgehouden van zijn werkzaamheden. Het recht op bijstand kan hierdoor niet worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd om tot intrekking over te gaan.
Zijn er dringende redenen om af te zien van de terugvordering?
15. Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet is het college verplicht de te veel betaalde uitkering terug te vorderen. Dit is alleen anders als er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De CRvB heeft in zijn uitspraken van 10 december 2024 geoordeeld dat er een ruimere invulling moet worden gegeven aan het begrip ‘dringende redenen’ om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te kunnen zien. Hierbij moet niet alleen gekeken worden naar de gevolgen, maar ook naar andere omstandigheden, zoals de rol van het college.
16. Het college heeft hier bij het bestreden besluit aandacht aan geschonken. Het college heeft er niet te lang over gedaan een besluit te nemen en er zijn geen andere omstandigheden gesteld die toe te rekenen zijn aan het college. Dat het college haar zorgplicht niet heeft geschonden heeft de rechtbank hiervoor overwogen. Eiser heeft gesteld dat hij een groot gezin heeft waar hij verantwoordelijk voor is en dat hij in de twee maanden dat hij geen bijstandsuitkering had geld heeft moeten lenen dat hij nog moet terugbetalen. Dat sprake zou zijn van een financiële noodsituatie is echter niet gebleken. Eiser heeft de boete die door het college was opgelegd al afbetaald en voor de terugvordering lost hij maandelijks een bedrag af dat op zijn bijstandsuitkering wordt ingehouden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
18. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025 door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.