ECLI:NL:RBZWB:2025:8519

ECLI:NL:RBZWB:2025:8519, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-12-2025, C/02/435009/HA ZA 25-268 (E)

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer C/02/435009/HA ZA 25-268 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Partijen zijn buren van elkaar. Ze zijn het niet eens over waar de erfafscheiding tussen hun percelen loopt. Eisers gaan uit van de in 2024 door het Kadaster ingemeten erfgrens. Dat betekent volgens hen dat het hekwerk en tuinhuis van gedaagden op hun grond staan. Eisers vorderen verplaatsing. Gedaagden gaan uit van de feitelijke erfgrens en doen een beroep op verjaring. Zij vorderen dat de rechtbank voor recht verklaart dat de strook grond tussen de kadastrale en de feitelijke erfgrens door verjaring hun eigendom is geworden. De rechtbank oordeelt dat de erfgrens wordt bepaald door de kadastrale grens. Het beroep op verjaring slaagt niet. Er kan geen bezitsdaad worden vastgesteld ten aanzien van de strook grond.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/435009 / HA ZA 25-268

Vonnis van 3 december 2025

in de zaak van

1. [persoon 1] ,

te [plaats] ,2. [persoon 2],

te [plaats] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [partij 1] ,

advocaat: mr. D.C.F. Verwey,

tegen

1. [persoon 3] ,

te [plaats] ,2. [persoon 4],

te [plaats] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [partij 2] (en afzonderlijk bij hun achternaam),

advocaat: mr. N. Wissink.

1. De zaak in het kort

Partijen zijn buren van elkaar. Ze zijn het niet eens over waar de erfafscheiding tussen hun percelen loopt. [partij 1] gaan uit van de in 2024 door het Kadaster ingemeten erfgrens. Dat betekent volgens hen dat het hekwerk en tuinhuis van [partij 2] op hun grond staan. [partij 1] vorderen verplaatsing. [partij 2] gaan uit van de feitelijke erfgrens en doen een beroep op verjaring. Zij vorderen dat de rechtbank voor recht verklaart dat de strook grond tussen de kadastrale en de feitelijke erfgrens door verjaring hun eigendom is geworden.

De rechtbank is van oordeel dat de erfgrens wordt bepaald door de kadastrale grens. Het beroep op verjaring door [partij 2] slaagt niet. De vorderingen van [partij 1] worden grotendeels toegewezen, die van [partij 2] worden afgewezen.

De rechtbank legt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten, de vorderingen over en weer en het verweer daartegen geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank op alle ingestelde vorderingen.

2. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het tussenvonnis van 16 juli 2025 en de daarin genoemde processtukken,

 de conclusie van antwoord in reconventie met producties 10 tot en met 18,

 de oproeping ex artikel 118 Rv van [persoon 4] als medegedaagde,

 de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 9, ditmaal mede ingediend namens [persoon 4] (wat betreft inhoud gelijk aan de eerder enkel namens [persoon 3] ingediende conclusie),

 de door [partij 2] nagezonden productie 10,

 het proces-verbaal van de plaatsopneming van 22 oktober 2025,

 de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling na de plaatsopneming van 22 oktober 2025.

De rechtbank heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er een vonnis zal komen.

3. De feiten

[partij 1] en [partij 2] zijn buren van elkaar. De woning aan [adres 1] is sinds 1 maart 2016 eigendom van [partij 2] [partij 1] zijn sinds 3 april 2023 eigenaar van de woning aan [adres 2] .

Partijen hebben in het voorjaar en de zomer van 2024 contact gehad over een te plaatsen erfafscheiding. Omdat [partij 1] betwijfelden of het bouwhekwerk en het tuinhuis dat [partij 2] hadden geplaatst wel op de erfgrens dan wel de eigen grond stonden, hebben zij het Kadaster ingeschakeld om een erfgrensreconstructie uit te voeren. Op 31 augustus 2024 schreven zij daarover aan [persoon 3] :

“Om er zeker van te zijn dat de schutting op de juiste plaats komt te staan zullen we het kadaster laten komen. De kosten hiervan zullen wij voor onze rekening nemen.”

Op 18 september 2024 heeft het Kadaster (in de persoon van de heer [naam 1] , landmeter specialist grensconstructie) een erfgrensreconstructie uitgevoerd. Beide partijen waren daarbij aanwezig. Het Kadaster heeft piketpaaltjes geslagen. [persoon 3] heeft de piketpaaltjes enkele dagen later verplaatst.

[partij 1] hebben [partij 2] bij brief van 25 september 2024 verzocht om de geplaatste piketpaaltjes terug plaatsen in de oorspronkelijke positie en om het hekwerk en het tuinhuis te verplaatsen, zodat deze niet meer op de grond van [partij 1] zouden staan.

[partij 2] hebben bij brief van 8 oktober 2024 een beroep gedaan op verjaring:

“Ik heb (samen met mijn rechtsvoorgangers) de grond meer dan 61 jaar in bezit gehad. Ik heb de grond voor mezelf gehouden door de feitelijke macht over de grond uit te oefenen met de pretentie de rechthebbende te zijn. (…) De heer [naam 2] heeft in 1963 het woonhuis [adres 1] gebouwd en het geheel voor zien van een erf afscheiding bestande uit coniferen. Daarna heeft hij op het overige stuk grond de woningen laten bouwen [adres 2] en [adres 3] . De erf grens is altijd de coniferen haag geweest aan de kant van [adres 2] . Zowel de Buurman [naam 3] als de [naam 2 en 4] waren van mening dat de haag geheel op de grond van [adres 1] stond. In 2016 heb ik heb ik de woning gekocht van mevr. [naam 4] .

Met de buurman [naam 3] en zijn vrouw [naam 5] de vorige eigenaar van [adres 2] , besproken om de coniferen weg te halen en daar een hekwerk te plaatsen met groenen klimop. Dit zouden we doen nadat verbouwing afgerond. Alleen de beste man is ziek geworden en uiteindelijk overleden, en kort daarna is zijn vrouw ziek geworden en nog hetzelfde jaar overleden.. Gezien deze situatie is er uiteindelijk nog geen hekwerk geplaatst. Wel hebben de kinderen van [naam 3 en 5] nog houten paaltjes gezet met de raad om toch even de scheiding aan te geven. Daarna bent u de nieuwe eigenaar geworden van [adres 2] (…). Echter laat u het Kadaster komen en die gaan ineens uit van een andere grens. (…) Maar gezien de strook grond al ruim 61 jaar behoord bij het perceel van [adres 1] is er zeker spraken van verjaring, en ben ik juridisch eigenaar. (….)”

Partijen hebben onderling overleg gevoerd, maar zijn niet tot een oplossing gekomen.

4. Het geschil

De vorderingen van [partij 1] (de zaak in conventie)

[partij 1] vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis:

I. de erfgrens tussen de percelen van partijen bepaalt als bedoeld in artikel 5:47 lid 1 BW,

II. [partij 2] veroordeelt om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis het hekwerk en het tuinhuis die zich op het perceel van [partij 1] bevinden te verwijderen en de ondergelegen strook grond vrij te houden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 20.000,00,

III. voor recht verklaart dat [partij 2] moeten meewerken aan het plaatsen van een erfafscheiding op de kadastrale erfgrens,

IV. [partij 2] veroordeelt tot betaling van € 780,00 vermeerderd met de wettelijke rente,

V. [partij 2] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 462,50,

VI. [partij 2] veroordeelt in de proceskosten inclusief nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

[partij 1] vorderen dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat zij het vonnis ook direct ten uitvoer willen kunnen leggen als [partij 2] in hoger beroep gaan tegen het vonnis.

[partij 2] voeren verweer. [partij 2] vinden dat de vorderingen van [partij 1] moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij 1] in de kosten van deze procedure.

De vorderingen van [partij 2] (de zaak in reconventie)

[partij 2] vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht verklaart dat [partij 2] eigenaar zijn van een stuk grond die ligt tussen de kadastrale grens en feitelijke grens die voorheen werd aangegeven met een coniferenhaag en momenteel deels wordt aangegeven met houten paaltjes, zoals te zien is op foto’s,

II. [partij 1] veroordeelt in de proceskosten.

[partij 1] voeren verweer. [partij 1] vinden dat de vorderingen van [partij 2] moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij 2] in de kosten van deze procedure.

De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling van de vorderingen in op de standpunten die partijen in het kader van de onderbouwing daarvan en het verweer daartegen hebben ingenomen.

5. De beoordeling

In beide zaken (in conventie en in reconventie)

Bij de beoordeling van de vorderingen van zowel [partij 1] als [partij 2] staat centraal waar de erfgrens volgens de rechtbank ligt, op de kadastrale grens of de feitelijke grens. Het oordeel van de rechtbank over de erfgrens bepaalt de toewijsbaarheid van de vorderingen van partijen. Vanwege deze gezamenlijke noemer worden de vorderingen van beide partijen gezamenlijk beoordeeld.

Kadastrale of feitelijke erfgrens: het beroep op verjaring

Standpunten van partijen

[partij 1] stellen dat de erfgrens tussen de percelen van beide partijen wordt bepaald door de kadastrale grens zoals die op 18 september 2024 door het Kadaster is ingemeten. De meetgegevens en waarnemingen zijn opgenomen in het relaas van bevindingen (productie 5 bij dagvaarding).

[partij 2] zijn het daar niet mee eens. Zij stellen dat de feitelijke grens de erfgrens bepaalt. De strook grond die tussen de feitelijke grens en de kadastrale grens ligt is door verjaring (artikel 3:99 lid 1 BW) eigendom geworden van (de rechtsvoorgangers van) [partij 2] Toen [partij 2] het perceel kochten, werd de erfafscheiding bepaald door een dichte coniferenhaag aan de zijkant en de achterkant van het perceel. De coniferenhaag is in 1981 geplant. Een wit hek gaf de erfafscheiding aan de voorkant van het perceel aan. De grond van het perceel van [partij 2] , inclusief de strook grond waar het in deze procedure over gaat, is steeds volledig omheind geweest. De strook grond is volledig bij de tuin betrokken en er is een optische eenheid gecreëerd. [partij 2] hebben de haag in 2018 gedeeltelijk verwijderd en daarvoor op dezelfde plaats bouwhekken geplaatst. De kinderen van de rechtsvoorgangers van [partij 1] hebben in 2022 (nadat de rest van de haag was verwijderd) op de plaats van de haag paaltjes geplaatst met daartussen staaldraad. Deze paaltjes staan er nog steeds. De paaltjes staan precies op dezelfde plaats als waar de stammen van de haag stonden. Het tuinhuis in de achtertuin is direct achter een betonnen paal gebouwd, die naast de haag stond. [partij 2] hebben dus ook bij de plaatsing van het tuinhuis in de achtertuin rekening gehouden met de oorspronkelijke erfgrens.

[partij 1] betwisten dat er sprake is van eigendomsverkrijging door verjaring. Nergens blijkt uit dat (de rechtsvoorgangers van) [partij 2] de strook grond meer dan 10 jaar te goeder trouw in bezit hebben gehad. Uit de openbare registers van het Kadaster blijkt dat de strook grond niet van [partij 2] is. Het Kadaster heeft op aanwijzing van de toenmalige eigenaren van [adres 1] en [adres 2] op 14 maart 1988 de erfgrens tussen beide percelen vastgelegd middels veldwerk 518. Veldwerk 518 is in 2024 ook door het Kadaster gebruikt om de erfgrens te reconstrueren. [partij 1] erkennen dat het hart van de in 1981 geplante haag de erfgrens aangaf. De haag was mandelig, zodat van verjaring geen sprake kan zijn geweest. De erfgrens is altijd door het hart van de haag blijven lopen. De paaltjes die zijn geslagen staan echter niet op de positie van het voormalige hart van de haag. Omdat de haag verwijderd is, kan niet meer precies worden vastgesteld waar de haag stond. De erfgrens die [partij 2] willen aanhouden zou betekenen dat de erfgrens is verplaatst naar de uiterste rand van de (brede) haag, bezien vanuit het perceel van [partij 2] Daarvoor bestaat geen juridische grond.

Toetsingskader

[partij 2] doen een beroep op verjaring op grond van artikel 3:99 BW. Op grond van dit artikel verkrijgt iemand die een registergoed (zoals een stuk grond) gedurende 10 jaar onafgebroken te goeder trouw in bezit heeft de rechten op dat goed. De verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit (artikel 3:101 BW). De bezitter te goeder trouw die een goed onder bijzondere titel verkrijgt (zoals in geval van de koop van een perceel), zet een lopende verjaring voort (artikel 3:102 lid 2 BW). Een lopende verjaringstermijn wordt dus niet onderbroken door de verkoop van een perceel.

Verjaring kan alleen aan de orde zijn als er sprake is van bezit. Volgens artikel 3:107 lid 1 BW is bezit het houden van een goed voor zichzelf. Bezit verkrijgt men door zich over het registergoed de feitelijke macht te verschaffen, waarbij de ander naar verkeersopvattingen zijn bezit verliest (artikel 3:113 BW). Aangezien een onroerende zaak altijd een bezitter heeft (artikel 5:24 BW), geldt voor de inbezitneming van een onroerende zaak de verzwaarde eis van artikel 3:113 lid 2 BW. Dit betekent dat de machtsuitoefening van de inbezitnemer die van de oorspronkelijke bezitter geheel teniet moet doen en dat van inbezitneming in beginsel geen sprake zal zijn indien de oorspronkelijke bezitter nog macht over het goed behoudt. Het bezit moet openbaar en ondubbelzinnig zijn. Er is sprake van ondubbelzinnig bezit wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (ECLI:NL:HR:2015:2743 en ECLI:NL:HR:2009:BH1634). Dit moet naar objectieve maatstaven beoordeeld worden. De interne wil om als rechthebbende op te treden is voor het zijn van bezitter niet van belang. Het idee hierachter is dat op deze wijze verzekerd is dat van verjaring pas sprake kan zijn als de rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit gedragingen van degene die zich op verjaring beroept duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert eigenaar te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.

Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (artikel 3:118 lid 1 BW). Goede trouw wordt op grond van artikel 3:118 lid 3 BW vermoed aanwezig te zijn. Deze bepaling geeft een wettelijk vermoeden van goede trouw dat voor tegenbewijs vatbaar is. De wederpartij kan er niet mee volstaan om het vermoeden te ontzenuwen. Er moet bewijs worden geleverd van het tegendeel. Is een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven: eens te goeder trouw, altijd te goeder trouw (artikel 3:118 lid 2 BW).

Het oordeel van de rechtbank

Partijen zijn het erover eens dat de haag in 1981 is geplant. De haag sloot het perceel van [partij 2] af, was ondoordringbaar en gold ook naar buiten toe als afscheiding van het perceel. Het plaatsen van de haag geldt daarom als een daad van bezit. Om te beoordelen of er sprake is van inbezitneming door (de rechtsvoorganger van) [partij 2] van de strook grond gelegen tussen de feitelijke grens zoals die nu wordt aangegeven en de kadastrale grens, is dan ook van belang om vast te stellen waar de haag heeft gestaan. Pas als kan worden vastgesteld dat de haag heeft gestaan op de feitelijke grens, zoals [partij 2] stellen, kan er sprake zijn van inbezitneming van de strook grond en dus van verjaring van het stuk grond tussen de feitelijke grens en de kadastrale grens.

Beide partijen hebben meerdere foto’s van de situatie door de jaren heen ingebracht. De rechtbank heeft deze foto’s bestudeerd. Aan de voorkant van het perceel van partijen is op foto’s van de oude situatie (dus toen de haag er nog stond) te zien dat de oprit van het perceel van [partij 1] betegeld was met standaard stoeptegels. Naast rijen van stoeptegels lag een groenstrook met wat struiken en andere beplanting, daarnaast stond de haag. De rechtbank is van oordeel dat uit het beschikbare fotomateriaal moet worden afgeleid dat de stammen van de haag niet kunnen hebben gestaan op de plaats waar de paaltjes met staaldraad zijn geslagen. Met name op de foto op pagina 8 van de conclusie van antwoord in reconventie is te zien dat de paaltjes direct tegen de groenstrook op het perceel van [partij 1] zijn geplaatst. [persoon 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de haag was uitgegroeid tot een omvang van ongeveer 1,5 meter. Op het moment dat de haag met een dergelijke omvang direct grenst aan de groenstrook op het perceel van [partij 1] , kan het niet zo zijn dat de stammen van diezelfde omvangrijke haag óók strak tegen de betreffende groenstrook hebben gestaan. De stammen van de haag zullen (ongeveer) in het midden van de haag hebben gestaan. Dat betekent dat de paaltjes met staaldraad niet weergeven waar de stammen van de haag hebben gestaan. De stammen moeten meer op het perceel van [partij 2] hebben gestaan. De exacte plaats waar de stammen moeten hebben gestaan is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen op basis van de foto’s.

Niet alleen voor de lengterichting tussen de percelen, maar ook over de breedte bezien (aan de achterkant van het perceel) is niet te bepalen waar de haag precies heeft gestaan. Op de foto’s is te zien dat de haag inderdaad zoals [partij 2] stellen aan de achterkant van het perceel doorliep, maar er is niet goed te zien waar de haag precies stond. Er is niet te zien waar de haag in de lengterichting van het perceel een hoek maakt met de haag aan de achterkant van het perceel. Er is in de betreffende hoek van het perceel waar het om gaat ook een struik geplant en er staat een overhangende boom. De betonnen paal aan de hand waarvan [partij 2] de plaats van het tuinhuis bepaald hebben is te zien, maar onvoldoende duidelijk om aan de hand daarvan te bepalen waar de stammen van de haag in die betreffende hoek moeten hebben gestaan.

Dit betekent het volgende.

[partij 2] baseren hun beroep op verjaring op inbezitneming van de strook grond gelegen tussen de feitelijke grens en de kadastrale grens. Nu wordt vastgesteld dat de stammen van de haag niet stonden op de plaats van de paaltjes, en de exacte locatie van waar de stammen dan wel moeten hebben gestaan niet duidelijk blijkt uit het beschikbare fotomateriaal, geldt dat er geen sprake is van inbezitneming van de betreffende strook grond. Van verjaring kan daarom geen sprake zijn.

De kadastrale grens tussen de percelen van partijen, zoals door het Kadaster ingemeten, bepaalt de erfgrens tussen de percelen van partijen. Dit geldt zowel in de lengterichting tussen beide percelen, als voor de erfgrens in de breedterichting aan de achterkant van de percelen. [partij 1] krijgen gelijk in hun standpunt met betrekking tot de erfgrens.

De vorderingen van partijen

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing ten aanzien van de vorderingen van partijen.

De vorderingen van [partij 1] (conventie)

Bepalen erfgrens op grond van artikel 5:47 lid 1 BW (vordering I)

Artikel 5:47 lid 1 BW bepaalt in het eerste lid: “Indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is, kan ieder der eigenaars te allen tijde vorderen dat de rechter de grens bepaalt.” Voorwaarde is dus dat er onzekerheid bestaat over de erfgrens. Die onzekerheid geldt in deze zaak niet. Beide partijen hebben een duidelijk standpunt ingenomen over waar de erfgrens ligt. De rechtbank volgt [partij 1] in hun standpunt. Nu niet aan de wettelijke voorwaarde wordt voldaan wordt deze vordering afgewezen.

Verwijderen hekwerk en tuinhuis met dwangsom (vordering II)

Uitgaande van de kadastrale erfgrens, is duidelijk dat het hekwerk is geplaatst op het perceel van [partij 1] Ook het tuinhuis staat deels binnen de kadastrale grenzen van het perceel van [partij 1] Dit betekent dat de vordering tot verwijdering van het hekwerk en het tuinhuis en het vrij houden van de strook grond kunnen worden toegewezen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan deze veroordeling. [partij 2] hebben in de conclusie van antwoord toegezegd vrijwillig te zullen voldoen aan een vordering tot ontruiming bij vonnis. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling geen reden gekregen om aan deze toezegging te twijfelen. De rechtbank verbindt daarom geen dwangsom aan de veroordeling.

Meewerken aan plaatsen erfafscheiding (vordering III)

[partij 1] vorderen een verklaring voor recht op grond van artikel 5:49 BW, waarin samengevat is bepaald dat buren moeten meewerken aan het plaatsen van een gemeenschappelijke scheidsmuur. [partij 2] hebben bij conclusie van antwoord aangegeven ook een afscheiding te willen en daaraan te zullen meewerken. De vordering kan dan ook worden toegewezen.

Kosten Kadaster (vordering IV)

[partij 1] vorderen betaling van een bedrag van € 780,00, het bedrag dat zij hebben betaald aan het Kadaster voor de erfgrensreconstructie. Deze vordering wordt afgewezen. [partij 1] hebben [partij 2] laten weten dat de kosten van het Kadaster voor hun rekening zouden komen (zie 3.2). De rechtbank ziet niet waarom deze kosten dan nu alsnog voor rekening van [partij 2] zouden moeten komen.

Buitengerechtelijke incassokosten (vordering V)

[partij 1] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank wijst deze vordering af. Er is onvoldoende onderbouwd dat er door de gemachtigde van [partij 1] werkzaamheden zijn verricht die wat betreft vergoeding daarvan niet vallen onder een proceskostenveroordeling.

Proceskosten (vordering VI)

[partij 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

146,14

- griffierecht

1.148,00

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

139,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.661,14

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De vorderingen van [partij 2] (reconventie)

Verklaring voor recht eigenaar strook grond

Nu het beroep op verjaring niet slaagt, moet de gevorderde verklaring voor recht dat [partij 2] eigenaar is geworden van de strook grond tussen de kadastrale grens en de feitelijke grens worden afgewezen.

Proceskosten

[partij 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:

- salaris advocaat

614,00

(2 punten × factor 0,5 × € 614,00)

- nakosten

139,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

753,00

Uitvoerbaar bij voorraad

[partij 1] hebben gevorderd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [partij 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis in geval van toewijzing. In dat kader hebben zij gewezen op de vergaande gevolgen, indien zij later alsnog in hoger beroep gelijk zouden krijgen. De hekken en het tuinhuis zouden dan al zijn afgebroken en op een andere plaats opnieuw opgebouwd.

[partij 1] hebben niet gereageerd op dit verweer. Die gelegenheid was er wel tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [partij 1] geen bezwaar hebben tegen het honoreren van het verweer. Dat betekent dat de rechtbank het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. Dat geldt dan redelijkerwijs ook voor de beslissing in reconventie.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [partij 2] om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis het hekwerk en het tuinhuis die zich op het perceel van [partij 1] bevinden te verwijderen en de ondergelegen strook grond vrij te houden,

verklaart voor recht dat [partij 2] moeten meewerken aan het plaatsen van een erfafscheiding op de kadastrale erfgrens,

veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 2.661,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

veroordeelt [partij 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 753,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [partij 2] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?