RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/415787 / HA ZA 23-586
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
1. [persoon 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [persoon 2],
wonende te [plaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RAMENFABRIEK OP 'T HOOG B.V.,
gevestigd te Moergestel,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. R.C.J. Theuns te Valkenswaard.
Eisers in conventie, verweerders in reconventie zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [partij 1] (in mannelijk enkelvoud). Gedaagde in conventie, eiseres in reconventie zal hierna de Ramenfabriek genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 20 november 2024,
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 maart 2025,
het deskundigenbericht van 28 maart 2025,
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 juni 2025,
de conclusie na deskundigenbericht van [partij 1] ,
de conclusie na getuigenverhoor van [partij 1] , met de producties 18 en 19,
de conclusie na deskundigenbericht van Ramenfabriek,
de conclusie na getuigenverhoren van Ramenfabriek, met productie 11.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling in conventie en reconventie
In het tussenvonnis van 2 oktober 2024 is [partij 1] opgedragen te bewijzen dat tijdens het inmeten aan de Ramenfabriek is medegedeeld dat de kozijnen een binnenwerkse hoogte van 234 cm moeten hebben. In het tussenvonnis van 20 november 2024 is een deskundigenonderzoek bevolen.
Het deskundigenonderzoek; krassen en maakfouten in het glas
De deskundige heeft op basis van door de rechtbank gestelde vragen onderzoek gedaan naar eventuele gebreken van het glas. De conclusies van de deskundige zijn kort gezegd:
- er zijn geen gebreken aan de beglazing waargenomen, lees: geen gebreken die als overschrijding van de toelaatbare afwijkingen in glas mogen worden gezien op basis van de beoordelingswijze op een afstand van circa 3 m;
- de geconstateerde afwijkingen in het glas zijn toelaatbaar;
- voor krassen is in de branche gebruikelijk dat glas gepolijst wordt om die krassen te verwijderen of te verminderen.
Bij zijn onderzoek heeft de deskundige gebruik gemaakt van in de branche algemeen gebruikelijke uitgangspunten. In het bijzonder gaat het hier om VKG Kwaliteitseisen en Adviezen voor kunststof gevelelementen, mede omdat Ramenfabriek in zijn offerte een verwijzing naar het VKG Keurmerk vermeldt. De VKG Kwaliteitseisen en Adviezen zijn ook afgestemd op het Bouwbesluit 2012. Het specifiek beoordelen van glas gebeurt door toetsing aan een Richtlijn van het Kenniscentrum Glas (Richtlijn KCG).
De Richtlijn KCG is volgens de deskundige niet geheel te zien als voorschrift qua toetsingskader, want volgens die richtlijn moet bij een beoordeling altijd de desbetreffende productnorm worden gehanteerd. Daarom zou ook de beglazingsrichtlijn van Uniglas (Richtlijn Uniglas) toepasselijk kunnen zijn, maar daarin staat een beoordelingswijze die in Nederland niet gebruikelijk is en die de deskundige daarom niet heeft gehanteerd. De Richtlijn KCG gaat voor de beoordeling van het glas uit van minimaal 3 m afstand van buiten naar binnen. De Richtlijn Uniglas gaat in afwijking daarvan uit van een afstand van minimaal 1 m van binnen naar buiten.
[partij 1] vindt het onjuist dat de deskundige de Richtlijn Uniglas niet heeft toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de Richtlijn Uniglas niet heeft toegepast. Volgens de deskundige verwijst de Nederlandse producent van Uniglas voor de beoordeling van meerbladig isolatieglas zelf naar de Richtlijn KCG. De deskundige heeft erop gewezen dat de normeringen zichzelf blijken tegen te spreken, hetgeen tot gevolg heeft dat de glasproducenten in Nederland standaard toetsen aan de richtlijn van KCG, tenzij leverancier en consument anders overeenkomen. De rechtbank vindt dat de deskundige daarmee voldoende inzichtelijk heeft uitgelegd waarom hij de Richtlijn KCG aanhoudt.
Uit de conclusies van de deskundige volgt dat er, rekening houdend met het voorgaande, geen gebreken zijn aan het glas. Met dien verstande, dat het voor krassen gebruikelijk is dat deze worden verholpen door het polijsten van het glas.
[partij 1] heeft op de zitting gesteld dat deze krassen na het wassen van de ramen aan het licht zijn gekomen en het glas met deze krassen is geleverd. Ramenfabriek betwist dat. Volgens Ramenfabriek is afgevinkt dat het glas schadevrij is opgeleverd. Daar gaat Ramenfabriek van uit. Zij moet van de oplevering kunnen uitgaan, omdat er een totaalverbouwing aan de gang is en er meerdere mensen rondlopen die aan het werk zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt. Per e-mail van 3 oktober 2022 (zie prod. 9 bij dagvaarding) heeft [partij 1] aan Ramenfabriek de opleverlijst toegezonden. Volgens de e-mail heeft [partij 1] ervoor gekozen om het ‘rustig allemaal even te bekijken’. In die lijst staan de betreffende krassen niet gemeld. Volgens de deskundige is niet vast te stellen wanneer de krassen in het glas zijn ontstaan. Onder deze omstandigheden is de opleverlijst leidend en dat betekent dat niet is komen vast te staan dat de krassen aanwezig waren op het moment dat Ramenfabriek het glas heeft geleverd. Ook wat betreft de krassen is er dus geen sprake van tekortkoming van Ramenfabriek.
Of Ramenfabriek wel of niet (zonder erkenning van schuld) heeft aangeboden het glas te polijsten, hoeft niet te worden beoordeeld. Er is geen afzonderlijke vordering ingesteld die inhoudt dat Ramenfabriek het glas moet polijsten en dit valt ook niet binnen de wel ingestelde vorderingen.
De conclusie is dat geen sprake is van een tekortkoming van Ramenfabriek voor krassen en maakfouten in het glas. Eerder (overweging 4.11 van het tussenvonnis van 2 oktober 2024) heeft de rechtbank al geoordeeld dat de onjuiste naamsvermelding van [partij 1] in het glas geen reden is voor vervanging. Daarmee is de conclusie dat vordering II in conventie moet worden afgewezen.
De bewijsopdracht; foutieve maatvoering kozijnen
In overweging 4.5 van het tussenvonnis van 2 oktober 2024 heeft de rechtbank overwogen waarom [partij 1] moet bewijzen dat aan de Ramenfabriek is medegedeeld dat de kozijnen een binnenwerkse hoogte van 234 cm moeten hebben.
In enquête heeft [partij 1] zichzelf laten horen als getuige, en zijn aannemer [naam 1]. In contra-enquête heeft Ramenfabriek de zelfstandige inmeter [naam 2] en de projectleider [naam 3] als getuigen laten horen.
De rechtbank moet beoordelen of [partij 1] in de bewijslevering is geslaagd. Uitgangspunt is dat de waardering van het bewijs aan de rechter is overgelaten (artikel 152 lid 2 Rv). Dat betekent dat de rechtbank niet hoeft in te gaan op de (wel gelezen) conclusies na getuigenverhoren van partijen, waarin partijen in lijn met hun standpunt hun eigen bewijswaardering presenteren. Vereist is alleen dat de bewijswaardering voldoende gemotiveerd is.
[partij 1] heeft verklaard dat hij samen met de aannemer de hoogte heeft bepaald op 234 cm en dat hij heeft gezien dat de inmeter [naam 2] dit op zijn tablet noteerde. Er is niet gesproken over binnenwerkse of buitenwerkse maten. Er is alleen gesproken over de hoogte van vloer tot het plafond, op dat moment was dat binnen. Hierna is hij met de aannemer en [naam 2] alle ramen buiten langs gegaan. Gevraagd is of de kozijnen dezelfde hoogte moesten hebben, waarop bevestigend is geantwoord.
Ook de aannemer, de heer [naam 1], verklaart dat er niet is gesproken over binnenwerkse of buitenwerkse maten. Hij is met [partij 1] uitgekomen op een plafondhoogte van 234 cm boven de afgewerkte nieuwe vloer. Er is duidelijk aangegeven dat de plafondhoogte zou moeten aansluiten op de binnenzijde van het kozijn.
[naam 2] verklaart dat hij aan de aannemer heeft gevraagd wat de hoogte van de kozijnen van de buitenzijde moest worden, waarop hij heeft gezegd dat de hoogte 234 cm is. Hij verklaart voorts dat hij kozijnen aan de buitenzijde heeft gemeten.
[naam 3] verklaart dat altijd buiten wordt gemeten. [naam 2] heeft op zijn kantoor geen bijzonderheden gemeld en ook niets vermeld over binnen- of buitenwerkse maten.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. De hoogte van 234 cm kon niet worden ingemeten maar is berekend. Uit geen van de verklaringen blijkt dat gesproken is over binnenwerkse maten. Omdat de hoogte van 234 cm niet kon worden gemeten, mocht Ramenfabriek afgaan op de door de aannemer aan [naam 2] medegedeelde hoogte, waarvoor ook meteen als buitenwerkse maat is getekend. Ramenfabriek had dus geen reden te twijfelen aan de opgegeven maat. Als volgens [partij 1] en de aannemer sprake was van een binnenwerkse maat, had dat duidelijk gemaakt moeten worden aan Ramenfabriek. Uit de getuigenverklaringen volgt dat daarvan geen sprake is geweest, zodat het bewijs niet is geleverd.
Zoals ook al is overwogen in onderdeel 4.7 van het tussenvonnis van 2 oktober 2024, betekent dit dat een tekortkoming van de Ramenfabriek niet vast is komen te staan en dat de gevorderde vervanging van de kozijnen (vordering I in conventie) niet kan worden toegewezen. Dit geldt ook voor de schadevergoedingspost van € 5.288,13 aan benodigd schilderwerk na het vervangen van kozijnen.
Uit het voorgaande volgt ook, dat [partij 1] betaling van de eindfactuur van 4 oktober 2022 met het bedrag van € 9.003,94 ten onrechte heeft opgeschort. Niet betwist is dat [partij 1] bij onterechte opschorting met ingang van 18 oktober 2022 in verzuim is en vanaf die datum wettelijke rente is verschuldigd. De door Ramenfabriek in reconventie gevorderde hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, die bij de aanmaning van 29 november 2022 ook (voor een hoger bedrag) kenbaar zijn gemaakt aan [partij 1] .
Conclusie
Zoals al overwogen in het tussenvonnis van 2 oktober 2024 zal in conventie vordering III worden toegewezen, uitsluitend voor zover het gaat om de door Ramenfabriek bij e-mail van 12 oktober 2022 (productie 10 bij dagvaarding) toegezegde herstelwerkzaamheden. De rechtbank zal hieraan een dwangsom verbinden van € 100,- per dag tot een maximum van € 10.000,- als niet binnen drie maanden na betekening van het vonnis deze herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd.
In het tussenvonnis van 2 oktober 2024 is al geoordeeld dat de schadevergoedingsposten van € 216,00 en € 833,13 worden toegewezen en de overige posten worden afgewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding omdat een aanknopingspunt voor een andere datum ontbreekt. Bijvoorbeeld is niet gesteld wanneer de factuur van de aannemer daadwerkelijk is betaald.
Proceskosten
Hoewel in conventie een deel van de vordering wordt toegewezen, heeft [partij 1] te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Hierbij is van belang dat het grootste deel van de vorderingen wordt afgewezen. Voor vordering III geldt dat Ramenfabriek de toegezegde herstelwerkzaamheden terecht heeft opgeschort na de ondeugdelijk gebleken opschorting door [partij 1] . Ook in deze procedure heeft Ramenfabriek herhaald de herstelwerkzaamheden uit te zullen voeren na betaling door [partij 1] . De toegewezen schadevergoeding is minimaal. Voor de proceskosten betekent dit dat [partij 1] in de kosten van Ramenfabriek wordt veroordeeld.
De proceskosten van Ramenfabriek worden begroot op:
- griffierecht € 2.837,00
- salaris advocaat € 3.070,00
Totaal € 5.907,00
In reconventie is [partij 1] in het ongelijk gesteld, zodat hij eveneens in de kosten wordt veroordeeld. De proceskosten van Ramenfabriek in reconventie worden begroot op salaris advocaat: € 614,00 x 2 punten x 0,5 = € 614,00.
Ook zullen de nakosten van € 278,00 voor conventie en reconventie samen worden toegewezen, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
De totale proceskostenveroordeling bedraagt daarmee € 6.799,00, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De kosten van het deskundigenonderzoek zijn voor rekening van [partij 1] . [partij 1] heeft voor het deskundigenonderzoek een voorschot van € 4.527,52 betaald. De rechtbank heeft de kosten conform de factuur van de deskundige bepaald op € 3.670,84 en zal de griffier opdracht geven om een bedrag van € 856,68 aan [partij 1] terug te storten.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt Ramenfabriek tot uitvoering van de bij e-mail van 12 oktober 2022 (productie 10 bij dagvaarding) toegezegde herstelwerkzaamheden;
veroordeelt Ramenfabriek tot betaling aan [partij 1] van een dwangsom van € 100,- per dag, tot een maximum van € 10.000,-, als niet binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de onder 3.1 genoemde herstelwerkzaamheden volledig zijn uitgevoerd;
veroordeelt Ramenfabriek tot betaling aan [partij 1] van een schadevergoeding van € 1.049,13, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2023;
wijst af het meer of anders gevorderde;
draagt de griffier op ervoor zorg te dragen dat een bedrag van € 856,68 wegens teveel betaald voorschot voor het deskundigenonderzoek aan [partij 1] wordt terugbetaald;
in reconventie
veroordeelt [partij 1] hoofdelijk om aan Ramenfabriek te betalen het bedrag van € 9.829,14 vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.003,94 vanaf 18 oktober 2022;
in conventie en in reconventie
veroordeelt [partij 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 6.799,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij 1] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [partij 1] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.