ECLI:NL:RBZWB:2025:8529

ECLI:NL:RBZWB:2025:8529, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-11-2025, C/02/440541 / FA RK 25-5146

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer C/02/440541 / FA RK 25-5146
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002685 BWBR0034925

Samenvatting

Benoeming voogd 1:253r lid 1 BW jo. 1:253q lid 3 BW

Uitspraak

1. Het verloop van het geding

2 Het verzoek

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: C/02/440541 / FA RK 25-5146

19 november 2025

beschikking betreffende benoeming voogd

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

gevestigd Stationslaan 2, 4815 GW Breda

hierna te noemen de Raad,

betreffende de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ( [land] ), hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

Locatie Tilburg, hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling).

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 7 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- de bereidverklaring van de GI van 20 oktober 2025.

1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Daarbij waren aanwezig:

- een vertegenwoordiger van de Raad;

1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft een briefje gestuurd naar de kinderrechter met daarin zijn mening over het verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

De Raad verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:253r lid 1a van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 1:253q leden 2 en 4 BW de GI te belasten met de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] .

3. De feiten

[minderjarige] woont in Nederland, oorspronkelijk met de vader. De moeder woont in [land] . [minderjarige] woont samen met de heer [naam 1] , een vriend van de vader.

De vader is op [datum] 2025 overleden. De ouders waren gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .

Bij beschikking van 18 juli 2025 heeft de kinderrechter, zonder het voorafgaand horen van belanghebbenden, de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast met ingang van 18 juli 2025 tot 1 augustus 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

Bij nadere beschikking van [geboortedag] 2025 heeft de kinderrechter de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige] met ingang van 1 augustus 2025 verlengd tot 18 oktober 2025.

Nu tijdig, in dit geval vóór 18 oktober 2025, om een (definitieve) voorziening in de voogdij is verzocht is de maatregel van voorlopige voogdij niet voortijdig komen te vervallen.

4. De standpunten

De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige] een 17-jarige jongen is die cognitief gezien op een laag niveau functioneert. Hij heeft in zijn leven meerdere ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Zo’n drie jaar geleden is [minderjarige] vanuit Polen naar Nederland geëmigreerd. De moeder is enige tijd daarna terug naar Polen gegaan. De vader niet, maar hij is vrij recent, op [datum] 2025, overleden. Voor [minderjarige] bleek er toen niets geregeld, zoals een ziektekostenverzekering. Dit klemt eens temeer daar [minderjarige] diabetes heeft, waarvoor hij medicatie dient in te nemen. Ook bleek toen dat [minderjarige] veel verzuimde van school en dat hij er een slechte zelfzorg op nahield. De GI is toen direct in actie gekomen en heeft hulp ingezet vanuit [hulpverlening] , met een Pools sprekende hulpverlener. Deze biedt aan [minderjarige] en aan het Poolse gezin waar hij verblijft de nodige ondersteuning. [minderjarige] spreekt al wat Nederlands, maar nog onvoldoende om zich te kunnen redden. In het gezin waar hij verblijft kan hem voldoende sturing, ondersteuning en toezicht worden geboden. Ook is de huisvesting daar op orde. [hulpverlening] ziet er ook op toe dat de schoolgang van [minderjarige] beter uitgevoerd gaat worden, maar ook voor meer praktische zaken, zoals de afwikkeling van de nalatenschap van de vader. Met het wegvallen van de vader is de moeder de enige gezaghebbende ouder, maar zij is lastig te bereiken en slechts beperkt betrokken. De Raad acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat de GI belast wordt met de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] . De Raad heeft overwogen om [naam 1] te belasten met de voogdij over hem, maar hij wil dat liever niet. Hij wil graag dat de GI belast blijft met de voogdij over [minderjarige] . Daarbij is [naam 1] onvoldoende thuis in de Nederlandse wet- en regelgeving, terwijl er, zeker nu [minderjarige] in juli 2026 achttien jaar wordt, belangrijke zaken voor hem moeten worden geregeld. Ter zitting handhaaft de Raad zijn verzoek.

De moeder geeft aan dat zijzelf op dit moment niet in staat is om naar Nederland te komen, met name omdat zij in Polen nog andere kinderen heeft. Haar zoon in Polen heeft veel hulp en verzorging nodig door zijn handicap. De moeder heeft van [minderjarige] begrepen dat hij in Nederland eerst zijn school wil afronden en een diploma wil behalen, voordat hij beslist of hij terugkeert naar Polen of dat hij in Nederland zal blijven. De moeder respecteert die keuze van [minderjarige] . De moeder ziet in dat er voor [minderjarige] in Nederland nu belangrijke zaken geregeld moeten worden. Met het verzoek van de Raad stemt de moeder in.

Voor [minderjarige] vindt de moeder het ook het allerbelangrijkste dat hij zijn school zal afronden.

De GI geeft aan dat de hulpverlening met het gezin waar [minderjarige] verblijft een goede samenwerking heeft die zijn vruchten afwerpt. Zo kwam [minderjarige] eerder nog vijf dagen per week te laat op school. Nu nog maar één dag per week. De afwikkeling van de nalatenschap van de vader vergt nog de nodige energie. Als dat achter de rug is en [minderjarige] weer meer de rust heeft wordt verwacht dat hij weer verdere stappen kan gaan zetten in zijn ontwikkeling.

Met alle betrokkenen vindt er eenmaal per acht weken een afstemmingsoverleg plaats.

Inmiddels is verlengde Jeugdhulp aangevraagd, zodat de hulp die [minderjarige] heeft ook na zijn achttiende levensjaar nog even kan blijven doorlopen. De GI bereid zich bereid om de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.

[minderjarige] heeft in zijn briefje aan de kinderrechter geschreven dat hij graag wil dat [naam 2] zijn voogd zal blijven.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

[minderjarige] heeft de Poolse nationaliteit. Voordat de kinderrechter tot een inhoudelijke beoordeling kan komen, dient zij eerst na te gaan of zij in internationale zin bevoegd is kennis te nemen van het door de Raad ingediende verzoek en zo ja, welk rechtsstelsel is dan op het verzoek van toepassing.

Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek toegepast worden.

Omdat [minderjarige] feitelijk in [plaats] verblijft, gelegen binnen het arrondissement van rechtbank Zeeland-West-Brabant, is de kinderrechter van deze rechtbank op grond van artikel 265 Burgerlijke Rechtsvoering (Rv) bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Wettelijk kader

Uit artikel 1:253r, lid 1, BW volgt dat het bepaalde in artikel 1:253q BW van overeenkomstige toepassing is, indien één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, of het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is. Op grond van lid 2 van artikel 1:253r BW is het gezag, dat aan één of beide ouders toekomt, geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet.

Ingevolge artikel 1:253q lid 2 BW benoemt de rechtbank een voogd, wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen daartoe op een der in artikel 246 BW genoemde gronden onbevoegd zijn.

Echter oefent hier één ouder, de moeder, het gezag uit. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de Raad zijn verzoek baseert op het in artikel 1:253q lid 3 BW bepaalde. Dat derde lid geeft aan dat wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een van de in artikel 246 BW genoemde gronden daartoe onbevoegd is, de rechtbank de andere ouder belast met het gezag, tenzij de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Dan benoemt zij een voogd.

Ingevolge lid 4 van artikel 1:253q BW worden de in het tweede en derde lid bedoelde beslissingen gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de Raad, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de jeugdwet, een rechtspersoon een daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon als bedoeld in artikel 256, eerste lid, en artikel 302, tweede lid, of ambtshalve.

De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] minderjarig is en dat er met zijn moeder die in Polen woont weinig contact is. De moeder is ook lastig te bereiken. [minderjarige] kent problemen met zijn gezondheid. Hij heeft diabetes en is daardoor gebaat bij extra (medische) zorg. Hiernaast moeten er voor [minderjarige] in Nederland de nodige praktische zaken geregeld worden, zoals de afwikkeling van de nalatenschap van zijn vader die vrij onlangs is overleden. Het is dan ook van belang dat er belangrijke beslissingen kunnen worden genomen over [minderjarige] en dat er in crisissituaties acuut kan worden gehandeld. Er dient daarom een (tijdelijk) voogd te worden aangesteld. De GI heeft zich bereid verklaard om deze rol te vervullen. Er is daarnaast geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen en de Raad benoemen tot (tijdelijk) voogd van [minderjarige] .

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat sinds de aanstelling van de GI als (voorlopige) voogdes sprake is van positieve ontwikkelingen bij [minderjarige] . Zo verloopt de schoolgang en zelfzorg van [minderjarige] nu veel beter. Het is mooi om te zien dat in de periode dat [minderjarige] zoveel verdriet heeft over het overlijden van zijn vader, alle personen in zijn directe omgeving zich in de afgelopen periode zo goed voor hem hebben ingezet en dat de moeder de wensen van [minderjarige] , zoals over zijn woonperspectief, respecteert. Dit geeft [minderjarige] hopelijk meer rust en ruimte voor verwerking van het verlies van zijn vader. Ook is positief dat de GI Jeugdhulp heeft aangevraagd, zodat de hulp aan [minderjarige] na zijn achttiende levensjaar kan doorlopen.

De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

benoemt over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ( [land] ) tot (tijdelijk) voogdes de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg:

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in artikel 2 Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2025.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?