uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 juli 2024.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft niemand deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van
3 november 2025 afgemeld voor de zitting. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
De gemachtigde van belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 19 september 2025 aan het op het beroepschrift vermelde [adres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op zitting te verschijnen. De aangetekend verzonden uitnodiging is op 13 oktober 2025 retour gekomen bij de rechtbank omdat deze niet was afgehaald bij het afhaalpunt. De uitnodiging is daarom op 14 oktober 2025 nogmaals per gewone post aan gemachtigde gezonden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Als het beroep
niet-ontvankelijk is, dan kan de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordelen. Daarna beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar terecht geen kostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ontvankelijk. Verder is de rechtbank van oordeel dat ten onrechte geen kostenvergoeding in bezwaar is toegekend, omdat er wel sprake is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. De auto met [kenteken] stond op 1 februari 2024 omstreeks 16:24 uur stil aan de Wisentstraat te Breda. Op deze locatie mag alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd.
Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,15 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Tijdens de bezwaarfase is namens belanghebbende een overzicht ingediend waarop – voor zover relevant – een parkeeractie vermeld staat met het [kenteken] op 1 februari 2024 vanaf 16:29 tot 16:35 uur.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd, omdat de bezoekersvergunning binnen een redelijke termijn nadat belanghebbende heeft geparkeerd, is aangemeld. Uit het door belanghebbende verzonden overzicht blijkt dat tussen de aanmelding van de bezoekersvergunning en het tijdstip van het opleggen van de naheffingsaanslag een verschil van vijf minuten zit. Omdat de naheffingsaanslag volgens de heffingsambtenaar niet wordt herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid, is geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe.
Overwegingen
Is het beroepschrift ontvankelijk?
4. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 9 juli 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending daarvan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is daarmee geëindigd op 20 augustus 2024. Gelet op de poststempel op de enveloppe gaat de rechtbank ervan uit dat het beroepschrift op 19 augustus 2024 op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus voor het einde van de termijn op de post gedaan en niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank ontvangen, namelijk op 21 augustus 2024. Dit betekent dat het beroep tijdig is ingediend.
Heeft de heffingsambtenaar het verzoek om proceskostenvergoeding terecht afgewezen?
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen vergoeding voor de proceskosten in bezwaar heeft toegekend ondanks dat de naheffingsaanslag is vernietigd. De aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid ziet volgens belanghebbende op het niet in acht nemen van de redelijke termijn die een parkeerder moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen (lees: de aanmelding van de bezoekersvergunning) tot het voldoen van de parkeerbelasting.
De heffingsambtenaar betwist dat sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De heffingsambtenaar stelt dat correct is geconstateerd dat belanghebbende om 16:24 uur niet beschikte over een geldig parkeerbewijs, terwijl belanghebbende op dat moment wel geparkeerd stond op een plek waar parkeerbelasting dient te worden betaald. De naheffingsaanslag is op grond van coulance vernietigd en daarom heeft belanghebbende geen recht op kostenvergoeding in bezwaar.
De rechtbank stelt voorop dat de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan alleen worden vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De vraag die voorligt is of de vernietiging van de naheffingsaanslag heeft plaatsgevonden wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
De rechtbank overweegt dat parkeerbelasting direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd is, dus direct nadat de auto wordt geparkeerd. Uit de Verordening volgt dat de parkeerbelasting kan worden voldaan door betaling bij een parkeerautomaat of met een mobiel communicatiemiddel. Uit vaste rechtspraak volgt echter ook dat een parkeerder een redelijke termijn moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen tot het voldoen van de parkeerbelasting.
De rechtbank begrijpt uit het dossier dat de heffingsambtenaar als beleid hanteert dat een bezoekersvergunning geldig is als het kenteken waarmee wordt geparkeerd, binnen een redelijke termijn is aangemeld. In bezwaar is geoordeeld dat in dit geval de bezoekersvergunning binnen een redelijke termijn nadat er is geparkeerd is aangemeld. Derhalve is – in lijn met de hiervoor genoemde vaste jurisprudentie – de naheffingsaanslag vernietigd omdat belanghebbende ten onrechte geen redelijke termijn is gegund om de parkeerapplicatie in werking te stellen. De vernietiging heeft dus niet plaatsgevonden uit coulance.
Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van de rechtbank te wijten aan een onrechtmatigheid zijdens dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Dat de vernietiging heeft plaatsgevonden wegens strijd met beleid en jurisprudentie en niet vanwege strijd met de wet maakt dit oordeel niet anders.
Naar het oordeel van de rechtbank is in de bezwaarfase ten onrechte geen vergoeding aan eiser verleend voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op € 647 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en een wegingsfactor 1).
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt, naast de kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 647, ook een vergoeding van zijn proceskosten die hij in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 907 per punt. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5. De vergoeding van kosten van de beroepsfase bedraagt dan € 453,50.
Beslissing
De rechtbank:
€ 51 dient te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 3 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.