ECLI:NL:RBZWB:2025:8539

ECLI:NL:RBZWB:2025:8539, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 08-12-2025, 02-436021 FA RK 25-2803

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-12-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer 02-436021 FA RK 25-2803
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

De man wil het kind erkennen. De advocaat van de man had de vrouw aangeschreven met het verzoek van de man om het kind te mogen erkennen. De vrouw stelt dat zij niet op de hoogte was van dit bericht omdat dit in de map ongewenste email terecht was gekomen. In de tussentijd had de partner van de vrouw het kind erkend. De man heeft binnen drie maanden nadat hij de toestemming aan de vrouw heeft gevraagd een verzoek daartoe bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft de toestemming van de vrouw aan haar partner om het kind te erkennen aangemerkt als een voorwaardelijke toestemming. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning moest worden toegewezen. Dat betekent dat de erkenning door de partner van de vrouw geen gevolgen heeft. De rechtbank is niet meer toegekomen aan de beoordeling van de verzoeken van de man en de bijzondere curator om de erkenning door de partner van de vrouw te vernietigen. De verzoeken ten aanzien van het gezag en de omgang zijn verder aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/436021 / FA RK 25-2803

Datum uitspraak: 8 december 2025

beschikking over erkenning, gezag en omgang

in de zaak van

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. N.J.R.M. Elings te Molenschot,

tegen:

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. W.M. Smeets te Hellevoetsluis,

Als belanghebbende in deze zaak ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt aangemerkt:

de minderjarige: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] , vertegenwoordigd door mr. [de bijzondere curator] in haar hoedanigheid van bijzondere curator;

Als belanghebbende in deze zaak ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van de erkenning wordt aangemerkt:

[de partner van de vrouw] , hierna te noemen: de partner van de vrouw,

wonende in Sint Philipsland, gemeente Tholen, advocaat: mr. W.M. Smeets te Hellevoetsluis.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het verdere procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

de in deze zaak gegeven beschikking van de rechtbank van 18 juli 2025 tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] en alle daarin vermelde stukken;

een afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] ;

een uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ;

het op 1 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek met bijlagen;

het op 9 oktober 2025 ontvangen verslag van de bijzondere curator tevens zelfstandige verzoek;

het op 27 oktober 2025 ontvangen verweerschrift tegen het (voorwaardelijke) zelfstandige verzoek van de vrouw en haar partner;

het op 4 november 2025 ontvangen verweerschrift van de vrouw en haar partner tegen het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator;

de 6 november 2025 ontvangen brief van de advocaat van de man met een bijlage;

de op 7 november 2025 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw en haar partner.

De verzoeken zijn mondeling behandeld op 10 november 2025. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat en de moeder en haar partner met hun advocaat. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordig(st)er van de Raad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het bezwaar aan de zijde van de vrouw en haar partner tegen het indienen van de stukken op 6 november 2025. De rechtbank neemt deze stukken – uit proceseconomische redenen – wel mee in de beoordeling van deze zaak nu de inhoud van dit stuk geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren brengen waarvan zij niet tijdig kennis hebben kunnen nemen.

2. De nadere beoordeling

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over de afstammingsverzoeken in te nemen.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de erkenning gedaan door de partner van de vrouw te vernietigen;

II. de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen en de griffier op te dragen een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Bergen op Zoom;

III. te bepalen dat de man samen met de vrouw wordt belast in de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] met de bepaling dat de beschikking van de rechtbank in de plaats komt van de machtiging van de moeder aan de man om inschrijving daarvan in het gezagsregister te doen plaatsvinden;

IV. te bepalen dat er een omgangsregeling c.q. zorgregeling in de beschikking wordt opgenomen, zoals in het verzoekschrift onder punt 12 is vermeld, althans een zodanige regeling te treffen als uw rechtbank juist en redelijk acht.

V. partijen te verwijzen naar een UHA-traject of mediation.

Door de vrouw en haar partner is verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man. Zij verzoeken de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze verzoeken af te wijzen;

II. indien en voorzover uw rechtbank van oordeel zou zijn dat omgang dient plaats te

vinden, wordt dezerzijds (voorwaardelijk) verzocht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen — gelet op het ontbreken van een band en de kwetsbare positie en jonge leeftijd van [minderjarige] — dat deze zorgvuldig wordt opgebouwd onder professionele begeleiding, bijvoorbeeld via een omgangshuis, rekening houdend met de jonge leeftijd en de specifieke behoeftes van [minderjarige] . Een dergelijke opbouw moet in een rustig tempo plaatsvinden, met voortdurende evaluatie, en pas worden uitgebreid indien blijkt dat dit in het belang van [minderjarige] is, althans een zodanige beslissing te nemen ten aanzien van de omgang c.q. verdeling van de zorg- en

opvoedtaken als uw rechtbank in goede justitie en in het belang van [minderjarige] zal vermenen te behoren;

III. indien en voor zover de rechtbank de erkenning van [minderjarige] door de partner van de vrouw zou vernietigen, wordt (voorwaardelijk) verzocht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, moeder en de partner van de vrouw (de heer [de partner van de vrouw] ) gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten;

IV. met compensatie van de proceskosten conform vast gebruik van uw rechtbank in familiezaken.

De bijzondere curator verzoekt, namens [minderjarige] , zelfstandig om de erkenning van [minderjarige] door de partner van de vrouw te vernietigen.

De man verzoekt voorts in reactie op het verzoek van de bijzondere curator en het verweerschrift van de vrouw en de juridische vader:

I. het verzoek van de bijzondere curator toe te wijzen (vernietiging erkenning);

II. de verzoeken onder punt I tot en met V in het verzoekschrift van de man toe te wijzen;

III. het (voorwaardelijk) verzoek van de vrouw en de partner van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

De vrouw en haar partner verzoeken de bijzondere curator niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel verzoeken zij afwijzing van dit zelfstandige verzoek, dan wel toewijzing van het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator te weigeren in strijd met het belang van [minderjarige] en/of in strijd met de redelijkheid en billijkheid moet worden geacht.

Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:

- De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.

- Op [geboortedag 1] 2023 is te [geboorteplaats 1] [minderjarige] geboren.

- De relatie van de man en de vrouw is vóór de geboorte van [minderjarige] beëindigd.

- Op 15 mei 2025 heeft de partner van de vrouw [minderjarige] erkend met toestemming van de vrouw.

- De man is de biologische vader van [minderjarige] .

- De vrouw en haar partner hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .

- De vrouw, de man en de partner van de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.

Erkenning voorwaardelijk karakter?

Voordat de rechtbank ingaat op de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken dient eerst de vraag te worden beantwoord of de door de partner van de vrouw gedane erkenning een voorwaardelijk karakter heeft of niet. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In de uitspraak van 31 mei 2002 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2002:AE0745) is geoordeeld dat vanaf het moment waarop door de verwekker een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van het kind bij de rechtbank is ingediend en totdat daarop definitief is beslist, de moeder aan een ander slechts voorwaardelijk toestemming kan verlenen tot erkenning van het kind. Die toestemming heeft in dat geval alleen gevolg indien de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming tot erkenning bij een definitief geworden rechterlijke uitspraak is afgewezen. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3196) bepaald dat dit ook geldt in geval de verwekker door middel van een brief van een advocaat aan de moeder of haar advocaat om toestemming tot de erkenning heeft verzocht. In het kader van rechtszekerheid dient vervolgens het verzoek tot vervangende toestemming uiterlijk drie maanden na verzending van de brief te zijn ingediend bij de rechtbank. Te late indiening leidt ertoe dat de door de moeder aan de ander gegeven toestemming tot erkenning onvoorwaardelijk wordt.

Zijdens de man is naar voren gebracht dat zijn handelen aan het einde van de relatie van partijen niet de schoonheidsprijs verdient. Hij betreurt zijn handelen ten zeerste. De man heeft gesteld dat hij immer voornemens is geweest [minderjarige] te erkennen en de vrouw was daarvan op de hoogte. De man heeft aangevoerd dat de vrouw op 8 mei 2025 per email door de advocaat van de man is aangeschreven met de vraag of zij zou kunnen instemmen met het verzoek van de man om [minderjarige] te erkennen. De vrouw heeft nimmer op deze email gereageerd. Zij heeft vervolgens een andere man, haar partner, op 15 mei 2025 toestemming gegeven om [minderjarige] te erkennen. De man kan dit niet anders uitleggen dan dat zij dit heeft gedaan met als doel zijn belangen te schaden. De vrouw heeft er alles aan gedaan om de man geen rol te geven in het leven van [minderjarige] en ieder contact geblokkeerd. Ondanks meerdere pogingen van de man om in contact te treden met de vrouw heeft zij iedere vorm van contact afgehouden. Voor de vrouw was het duidelijk, althans dat had het moeten zijn, dat de man [minderjarige] wilde erkennen. De man stelt dat het aannemelijk is dat zij de erkenning van [minderjarige] door de man lastig, zo niet onmogelijk, heeft willen maken. Het onderhavige verzoek is vervolgens door de man binnen drie maanden na het bericht van de advocaat van de man aan de vrouw ingediend.

Door en namens de vrouw is aangevoerd dat zij en haar partner sinds vanaf 29 december 2023 gewerkt hebben aan het opbouwen van een stabiel gezinsleven. De partner van de vrouw vervult sindsdien feitelijk de vaderrol. Om die reden heeft hij [minderjarige] op 15 mei 2025 erkend. Anders dan de man stelt waren de vrouw en haar partner er niet van op de hoogte dat de man een advocaat had ingeschakeld die namens de man de vrouw zou hebben benaderd met de mededeling dat hij [minderjarige] wenste te erkennen. Zij hebben nimmer post of aangetekende post ontvangen. Pas op 20 mei 2025 trof de vrouw de email van de advocaat van de man aan in haar ongewenste e-mailmap, waar zij toevallig in keek. Zij heeft dan ook voor het eerst na de erkenning kennis genomen van het verzoek van de man om [minderjarige] te erkennen. Daarbij komt dat de man, ondanks meerdere keren dat de vrouw hem daartoe had aangespoord, niet eerder het initiatief had genomen om tot een erkenning van [minderjarige] over te gaan.

De rechtbank overweegt dat de advocaat van de man de vrouw op 8 mei 2025 heeft aangeschreven per email met het verzoek dat de man [minderjarige] wilde erkennen. Van de zijde van de vrouw is op dit verzoek in het geheel niet gereageerd. Vervolgens wordt [minderjarige] op 15 mei 2025 door de partner van de vrouw erkend, zonder dat de vrouw de man hiervan op de hoogte stelt. De vrouw en haar partner stellen dat het tijdstip van de erkenning niets te maken heeft met het verzoek van de man, omdat zij op dat moment geen kennis hadden van dit verzoek. De man was echter door de vrouw op alle media geblokkeerd en reageerde op geen enkele wijze op berichten van de man. Het is dan ook de vraag op welke wijze de man eerder de vrouw te kennen kon geven dat hij [minderjarige] wilde erkennen. Voorts is er geen helderheid gekomen wanneer en op welke wijze de vrouw en haar partner de afspraak bij de gemeente hebben gemaakt voor de erkenning. Zij hebben hun stelling over deze gang van zaken ook niet verder onderbouwd met stukken, zoals een afspraakbevestiging van de gemeente. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van de vrouw om haar emailberichten regelmatig na te kijken, ook de map met ‘ongewenste emailberichten’. Het gebeurt vaker dat belangrijke emailberichten in deze map terechtkomen. De rechtbank gaat dan ook niet mee in de stelling van de vrouw dat zij niet kon weten dat de man [minderjarige] wilde erkennen. Het had bovendien op de weg van de vrouw gelegen om de man hiervan zelf in kennis te stellen, omdat de man wel blijk heeft gegeven dat hij een (vader)rol in het leven van [minderjarige] wilde spelen. Zo heeft hij met de verjaardag van [minderjarige] en met Sinterklaas cadeaus voor [minderjarige] gebracht en heeft hij op meerdere momenten geprobeerd contact te zoeken met de vrouw. De vrouw heeft deze contacten in het geheel afgehouden. Echter kan niet gesteld worden dat er sprake was van een geheel afwezige verwekker. Dat de vrouw haar leven wil opbouwen met haar partner en daaromtrent zaken wil regelen, ook voor [minderjarige] , doet daar niet aan af.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de vrouw op 15 mei 2025 aan haar partner toestemming heeft gegeven om [minderjarige] te erkennen, terwijl de advocaat van de man de vrouw al op 8 mei 2025 per email te kennen heeft gegeven dat de man [minderjarige] wenst te erkennen. Het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning is vervolgens binnen de termijn van drie maanden ingediend bij de rechtbank. Gelet op het bovenstaande en de vaste jurisprudentie op dit punt is de rechtbank van oordeel dat de toestemming die de moeder aan haar partner heeft gegeven om [minderjarige] te erkennen, moet worden aangemerkt als een voorwaardelijke toestemming. Een voorwaardelijke toestemming tot erkenning heeft slechts rechtens gevolg indien de door de biologische vader verzochte vervangende toestemming tot erkenning bij een rechterlijke uitspraak is afgewezen. De rechtbank zal daarom, voordat zij een oordeel zal geven over de nietigheid van de erkenning van [minderjarige] eerst overgaan tot beoordeling van het verzoek van de biologische vader om vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] te verlenen.

Verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij de biologische vader is van [minderjarige] . De vrouw weigert tot op heden haar toestemming te verlenen aan de man om [minderjarige] te erkennen. De eerste zes maanden na de geboorte van [minderjarige] kwam de man tweemaal per week bij de vrouw om [minderjarige] te zien. Daarnaast was er contact via Whatsapp. Nadat de vrouw in mei 2024 aangaf geen contact meer te willen met de man heeft hij haar wens gerespecteerd. Hij heeft haar in vier maanden driemaal een berichtje gestuurd met de vraag hoe het met [minderjarige] ging. Vanaf eind oktober 2024 heeft de man geprobeerd contact te krijgen met de vrouw om afspraken te maken vrouw over [minderjarige] . De vrouw heeft echter ieder contact met de man afgehouden. De man wenst [minderjarige] te erkennen en een rol in het leven van [minderjarige] te spelen. Hij en [minderjarige] hebben er belang bij dat hun relatie wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Een erkenning levert naar de mening van de man geen schade op voor de vrouw of voor [minderjarige] . De uitzonderingsgronden zoals genoemd in de wet doen zich niet voor.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek om de man vervangende toestemming te geven tot erkenning. Zij stelt dat met een erkenning de belangen van haar bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] wordt geschaad of de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in gevaar komt. De vrouw stelt dat de gedragingen van de man sinds dat zij zwanger was haar diepe emotionele schade heeft veroorzaakt. Zij heeft nimmer op de man kunnen rekenen en nadat zij haar leven opnieuw probeerde op te bouwen met haar partner, stuitte zij op weerstand en boosheid van de man. De contactmomenten tussen de man en [minderjarige] heeft de vrouw als onveilig en bedreigend ervaren. Zij heeft als gevolg van deze ervaringen PTSS ontwikkeld waarvoor zij in behandeling is en mogelijk is aangewezen op EMDR-therapie. Een door de rechtbank opgelegde erkenning zou opnieuw leiden tot frequente en directe confrontaties hetgeen haar psychische kwetsbaarheid ernstig zou belasten en daarmee de ongestoorde verhouding met [minderjarige] zou ondermijnen. [minderjarige] bevindt zich een in een stabiele, liefdevolle en hechte gezinssituatie. De prioriteiten van de man lagen tijdens de zwangerschap en in de tijd daarna niet of nauwelijks bij [minderjarige] waardoor er geen hechtingsrelatie is ontstaan. Een juridische erkenning doet geen recht aan de situatie en toewijzing van het verzoek leidt onvermijdelijk tot meer emotionele onrust, verwarring en onzekerheid waardoor de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling in gevaar komt. Het verzoek om de man vervangende toestemming tot erkenning te verlenen dient dan ook te worden afgewezen.

De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat het voor [minderjarige] van belang is dat zij op passende wijzen duidelijkheid zal gaan krijgen over haar afkomst. [minderjarige] heeft het recht om te weten waar zij vandaan komt en wie haar biologische ouders zijn. In dat kader is het ook van belang dat de man op enig moment weer in beeld zou kunnen komen. [minderjarige] groeit op in het gezin van de vrouw en haar partner, de huidige juridische vader. Hij is ook al lange tijd bij [minderjarige] betrokken. De partner van de vrouw is belangrijk in het leven van [minderjarige] , maar het is ook in het belang van [minderjarige] dat zij op enig moment duidelijkheid krijgt over haar afkomst en dat ook haar biologische vader eventueel een eigen plaats krijgt in haar leven. [minderjarige] heeft nu eenmaal een andere biologische vader dan de eventuele toekomstige kinderen van de vrouw en haar partner. De bijzondere curator is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Daarbij is het van belang dat de man een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] en haar wil erkennen. Er dient geen onduidelijkheid te blijven bestaan voor [minderjarige] van wie zij afstamt.

De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de Raad het in het belang van [minderjarige] acht dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. [minderjarige] heeft het recht om te weten van wie zij afstamt ook met het oog op haar identiteitsontwikkeling.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:204 lid 3 BW, voor zover hier van belang, de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De vrouw en de man hebben een lange relatie gehad en bewust gekozen voor de komst van een kind. Vervolgens is er tijdens de zwangerschap van de vrouw en de geboorte van [minderjarige] veel gebeurd en is de relatie tussen hen verbroken. De gedragingen van de man verdienen zeker niet de schoonheidsprijs en de rechtbank begrijpt dat dit diepe emotionele sporen heeft achtergelaten bij de vrouw. Haar emoties zijn dan ook begrijpelijk en de man dient dit ook te erkennen. De bezwaren van de vrouw tegen het verlenen van toestemming voor de erkenning komen met name voort uit emotionele bezwaren als gevolg van de (ex-)partnerproblematiek. Er is echter onvoldoende onderbouwd en gebleken dat de opvoeding en verzorging van [minderjarige] in het geding zal komen door een erkenning. Los van de ex-partnerproblematiek dient de vraag te worden gesteld of de man een ouderrol kan vervullen. Het is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die maken dat er sprake is van een situatie dat van het uitgangspunt van de wetgever moet worden afgeweken en voldaan is aan de weigeringsgronden als genoemd in artikel 1:204 lid 3 BW. De rechtbank acht het juist in het zwaarwegende belang van [minderjarige] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Het is bovendien een recht van [minderjarige] om te weten van wie zij afstamt en om in familierechtelijke betrekking tot haar biologische vader te komen staan. Dit is ook van groot belang voor identiteitsontwikkeling. Dit alles weegt zwaarder dan het belang van de vrouw en haar partner om de huidige situatie in stand te houden die niet overeenkomt met de biologische werkelijkheid. Dit doet overigens niets af aan de belangrijke rol die de partner van de vrouw in het leven van [minderjarige] speelt. Indien de vrouw en haar partner zaken voor [minderjarige] formeel willen regelen, zijn daar echter andere passende procedures en oplossingen voor.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen dan ook toewijzen. Dit betekent dat de voorwaardelijke toestemming voor de erkenning door de partner van de vrouw nooit gevolg heeft gehad, zodat de erkenning door de partner van de vrouw van [minderjarige] als nietig moet worden beschouwd en zal moeten worden doorgehaald. Het voorgaande betekent ook dat de man, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, [minderjarige] nog wel met deze beschikking bij de gemeente moet erkennen.

Nu de rechtbank reeds heeft beslist over het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning wordt niet meer toegekomen aan de verzoeken van de man en de bijzondere curator om de door de partner van de vrouw gedane erkenning te vernietigen. Deze verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.

Verzoeken met betrekking tot gezag en omgang

Aangezien de man, zolang de vervangende toestemming tot erkenning nog niet geëffectueerd is, nog geen juridische vader is, is hij niet bevoegd om een verzoek tot gezamenlijk gezag in te dienen. De rechtbank zal dit verzoek om proceseconomische reden wel ontvangen, maar de beslissing daarop pro forma aanhouden.

Partijen hebben in het gesprek met de rechter tijdens de mondelinge behandeling hun waardes genoemd die zij voor [minderjarige] willen nastreven. De man noemde daarbij (familie)liefde, geborgenheid en veiligheid. De vrouw noemde daarbij veiligheid, stabiliteit en geborgenheid. De rechter is ervan overtuigd dat wanneer het partijen lukt om deze waardes gemeenschappelijk te ondersteunen, dit enorm helpt om gezamenlijke afspraken te maken voor [minderjarige] . Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij beiden bereid zijn om een traject van ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding aan te gaan bij [naam]. De man heeft zich daarbij bereid verklaard om de kosten van dit traject op zich te nemen. Partijen hebben verzocht om de verzoeken ten aanzien van het gezag en de omgang aan te houden in afwachting van het bericht van de advocaten van partijen over het verloop van het traject bij [naam]. Partijen hebben daarbij ook aangegeven akkoord te zijn dat [naam] aan beide advocaten zal rapporteren. De rechtbank staat achter dit traject en zal dan ook de zaak aanhouden in afwachting van bericht van de advocaten van partijen.

Beëindiging taak van de bijzondere curator

De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.

Het voorgaande betekent dat als volgt wordt beslist.

3. De beslissing

De rechtbank

verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2023;

verklaart nietig de op 15 mei 2025 in de gemeente Tholen gedane erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2023, door [de partner van de vrouw] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1991;

draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om daarin aantekening te doen van deze beschikking;

beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 10 maart 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het verloop van de ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding en hoe deze procedure verder dient te worden voortgezet of afgedaan;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025, in aanwezigheid van Boink, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Van Leuven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?