ECLI:NL:RBZWB:2025:8541

ECLI:NL:RBZWB:2025:8541, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-11-2025, C/02/430211 FA RK 24-6060

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 25-11-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer C/02/430211 FA RK 24-6060
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0018450

Samenvatting

beschikking betreffende levensonderhoud

Uitspraak

2. De feiten

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 6 mei 2010 tot 19 januari 2012;

- tijdens hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010 (hierna: [minderjarige 1] );

- na de beëindiging van hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2015 (hierna: [minderjarige 2] ). De man heeft [minderjarige 2] erkend;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw;

- uit de relatie tussen de man en zijn huidige partner, mevrouw [naam 1] , zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] , [land] , op [geboortedag 3] 2022 (hierna: [minderjarige 3] );

2. [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 4] 2025 (hierna: [minderjarige 4] ).

De man heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 4] erkend.

Ingevolge het aan voormelde beschikking gehechte ouderschapsplan van

11 oktober 2011 dient de man nu - inclusief de wettelijke indexeringen - € 56,45 per maand te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Er is geen beschikking van kracht op grond waarvan de man een bijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] moet voldoen.

3. De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat, de door de man ten behoeve van [minderjarige 1] te betalen bijdrage te wijzigen in € 300,= per maand en de door de man ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen bijdrage vast te stellen op € 300,= per maand, zulks met ingang van 3 oktober 2024 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift.

De man verzoekt, samengevat, de door hem ten behoeve van [minderjarige 1] te betalen bijdrage te wijzigen in € 37,= per maand en de door hem ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen bijdrage vast te stellen op € 25,= per maand, zulks met ingang van de datum van de beschikking.

4. De beoordeling

Grondslag verzoek wijziging alimentatie [minderjarige 1]

Partijen voeren als grond voor hun verzoeken tot wijziging van de bijdrage voor [minderjarige 1] aan dat sinds de ondertekening van voormeld ouderschapsplan de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de overeengekomen bijdrage voor [minderjarige 1] niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

In dit verband staat vast dat na de ondertekening van het ouderschapsplan de kinderen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn geboren en dat de inkomens van partijen zijn gewijzigd.

Aldus heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van [minderjarige 1] aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van partijen noodzakelijk maakt.

Grondslag verzoek vaststelling alimentatie [minderjarige 2]

Partijen leggen aan hun verzoeken tot vaststelling van een bijdrage voor [minderjarige 2] ten grondslag dat [minderjarige 2] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat de man de financiële draagkracht heeft een bijdrage te voldoen.

Ingangsdatum

De vrouw verzoekt primair de bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen dan wel vast te stellen met ingang van 3 oktober 2024, omdat haar advocaat de man op die datum heeft aangeschreven om mee te werken aan een (her)berekening van de alimentatie. Subsidiair verzoekt zij als ingangsdatum te hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift.

De man verzoekt de alimentatie niet eerder dan de datum van de beschikking te wijzigen dan wel vast te stellen. Hij stelt dat het voor hem verstrekkende financiële gevolgen zal hebben indien hij met terugwerkende kracht een hogere alimentatie moet betalen.

De rechtbank zal de wijziging van de bijdrage voor [minderjarige 1] en de verplichting tot betaling van een bijdrage voor [minderjarige 2] doen ingaan op 1 januari 2025, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift. De man heeft vanaf deze datum rekening kunnen en moeten houden met een gewijzigde alimentatieverplichting.

Uitgangspunten bij de alimentatieberekening

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Primair is de vrouw van mening dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden vastgesteld op basis van het huidige inkomen van de man, omdat dat inkomen zowel het gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan in 2011 als de inkomens van partijen ten tijde van de geboorte van [minderjarige 2] in 2015 overstijgt. De vrouw becijfert het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 4.673,= per maand. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt volgens haar dan € 1.072,= per maand, zijnde € 536,= per maand per kind. Voor het geval de rechtbank tot de conclusie komt dat de vrouw op dit moment een hoger inkomen heeft dan de man, verzoekt de vrouw de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te baseren op haar huidige inkomen.

Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat moet worden aangesloten bij de in het ouderschapsplan van partijen van 11 oktober 2011 genoemde behoefte van [minderjarige 1] van € 262,= per maand, vermeerderd met de wettelijke indexeringen, hetgeen neerkomt op € 370,= per maand. De behoefte van [minderjarige 2] moet volgens de vrouw gelijk worden gesteld aan de behoefte van [minderjarige 1] , zodat dan ook aan de zijde van [minderjarige 2] rekening moet worden gehouden met een behoefte van € 370,= per maand.

De man is van mening dat voor wat betreft de behoefte van [minderjarige 1] moet worden uitgegaan van de in het ouderschapsplan vermelde behoefte van [minderjarige 1] van € 262,= p/m, plus de wettelijke indexeringen. Hij komt dan uit op een behoefte van [minderjarige 1] van nu € 370,= per maand. Aangezien partijen sinds de geboorte van [minderjarige 2] niet hebben samengewoond, moet volgens de man de behoefte van [minderjarige 2] worden berekend door het gemiddelde te nemen van de behoefte op basis van het inkomen van de man en de behoefte op basis van het inkomen van de vrouw ten tijde van de geboorte van [minderjarige 2] in 2015. Hij stelt dat hij in 2015 een Ziektewetuitkering ontving. Bij gebrek aan stukken betreffende die uitkering gaat hij aan zijn zijde uit van het in 2015 geldende minimumloon ad € 1.403,= netto per maand. Nu hij evenmin stukken heeft ten aanzien van het inkomen van de vrouw in 2015, gaat hij ervan uit dat de vrouw destijds geen inkomen had. Hij komt dan, rekening houdend met een gezin met twee kinderen, uit op een behoefte van [minderjarige 2] van nu, inclusief de wettelijke indexeringen,

€ 147,= per maand. Er is volgens hem geen sprake van een aanzienlijke inkomensstijging van één van partijen die aanleiding geeft om de behoefte van de kinderen te baseren op één van de huidige actuele inkomens van partijen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelijk is, omdat zij samen in één gezin en dus op hetzelfde welstandsniveau opgroeien. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot afwijking van dit uitgangspunt.

Op basis van de standpunten van partijen is voldoende komen vast te staan dat ten tijde van zowel hun uiteengaan in 2011 als ten tijde van de geboorte van [minderjarige 2] in 2015 beide partijen een beperkt inkomen hadden. De vrouw studeerde nog en de man had een Ziektewetuitkering. Zoals hierna zal worden toegelicht, becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op € 3.629,= per maand (rechtsoverwegingen 4.15 en 4.16) en het huidige NBI van de man op € 3.300,= per maand (rechtsoverweging 4.20). De rechtbank stelt daarmee vast dat beide partijen op dit moment een aanzienlijk hoger inkomen hebben dan de inkomens van partijen samen in 2011 en 2015.

De Expertgroep Alimentatie is van mening dat een aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders invloed moet hebben op de hoogte van de behoefte van de kinderen. Indien de relatie van partijen zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. Conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatie wordt de behoefte van de kinderen dan bepaald op basis van dat hogere inkomen van die ouder. Aangezien volgens de rechtbank het actuele inkomen van de vrouw hoger ligt dan het actuele inkomen van de man, zal de rechtbank de behoefte van de kinderen bepalen op basis van het actuele NBI van de vrouw van € 3.629,= per maand.

Dit NBI van € 3.629,= netto per maand, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op van € 814,= per maand, oftewel € 407,= per kind per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag.

Verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Draagkracht vrouw

De vrouw verzoekt in haar draagkrachtberekening rekening te houden met een winst uit onderneming van € 27.163,= bruto per jaar, zijnde de optelsom van de gemiddelde winst die zij in de jaren 2022 tot en met 2024 als zelfstandig ondernemer heeft gerealiseerd met haar twee ondernemingen [onderneming 1] en [onderneming 2] . In 2025 is zij gestopt met [onderneming 2] , omdat deze onderneming de afgelopen jaren verlieslijdend is geweest. De winst van [onderneming 1] is dit jaar ook minder geworden. De vrouw heeft één opdrachtgever: [opdrachtgever] . Zij helpt de klanten van [opdrachtgever] met hun boekhoudprogramma. De klanten van [opdrachtgever] zijn voornamelijk zzp-ers in de zorgsector. De werkzaamheden van de vrouw voor [opdrachtgever] zijn afgenomen doordat de laatste jaren steeds meer zzp-ers in de zorgsector ervoor hebben gekozen om in loondienst te gaan werken.

De man stelt zich op het standpunt dat de draagkracht van de vrouw moet worden gebaseerd op een winst uit onderneming van € 50.000,= bruto per jaar. De vrouw stelt dat zij in 2025 minder is gaan factureren aan [opdrachtgever] , maar zij heeft dit niet onderbouwd met stukken. Indien ervan wordt uitgegaan dat de vrouw wel minder werkzaamheden voor [opdrachtgever] is gaan uitvoeren, betekent dit dat zij meer ruimte heeft gekregen om haar verdiencapaciteit elders te benutten. Dit geldt temeer nu de vrouw inmiddels ook is gestopt met [onderneming 2] . De levensstandaard van de vrouw past ook niet bij het door haar gestelde inkomen van € 27.163,= bruto per jaar. De vrouw is het afgelopen jaar vier keer op vakantie geweest en rijdt in een auto met een waarde van € 45.000,=.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde belastingaangiften van de vrouw volgt een bruto winst van [onderneming 1] in 2022 van € 16.545,=, in 2023 van € 32.541,= en in 2024 van € 36.041,=. De vrouw heeft dus de afgelopen jaren met deze onderneming een stijgende winst gerealiseerd. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de winst van [onderneming 1] in 2025 is afgenomen, nu de man deze stelling heeft betwist en de vrouw heeft nagelaten deze stelling met stukken te onderbouwen. De vrouw had bijvoorbeeld de BTW-aangiften over de eerste drie kwartalen van 2025 of de in 2025 aan [opdrachtgever] verstuurde facturen in het geding kunnen brengen. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven in 2025 te zijn gestopt met [onderneming 2] . Uit de stukken volgt dat deze onderneming in 2023 en 2024 verlieslijdend is geweest, en dat er slechts minimale bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden. Het staken van die onderneming levert naar het oordeel van de rechtbank geen extra verdiencapaciteit op. Het voorgaande in aanmerking nemend gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw in staat is een inkomen te genereren dat ligt op het niveau van de bruto winst van [onderneming 1] in 2024 ter hoogte van € 36.041,=. De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd ten aanzien van de levensstandaard van de vrouw, waartegen de vrouw overigens gemotiveerd verweer heeft gevoerd, geen aanleiding om aan de zijde van de vrouw rekening te houden met een hogere winst uit onderneming dan € 36.041,= bruto per jaar.

De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 9.050,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.629,= per maand.

De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 861,= per maand.

Draagkracht man

De man is van mening dat zijn draagkracht moet worden gebaseerd op het inkomen uit zijn WIA-uitkering. In januari 2025 is hij een bedrijf gestart, genaamd ‘ [bedrijf] ’. Aan het einde van 2025 zullen de inkomsten uit zijn onderneming worden verrekend met zijn WIA-uitkering, maar volgens de prognose van zijn boekhouder komt de omzet van zijn bedrijf in 2025 uit op € 14.600,=, aldus lager dan zijn WIA-uitkering. De man betwist zwarte inkomsten te hebben. De afgelopen jaren heeft hij weliswaar ook als klusjesman gewerkt, maar dit was steeds hobbymatig. Hij heeft zijn eigen huis verbouwd en verder heeft hij enkel hele kleine klusjes voor anderen uitgevoerd. Hij kampt met gezondheidsklachten waardoor de door hem verrichte werkzaamheden altijd beperkt zijn gebleven. Aangezien hij niet meer thuis wilde zitten, voert hij nu bedrijfsmatig meer kluswerkzaamheden uit. Hij is echter niet in staat om fulltime te werken.

De vrouw stelt dat de man, naast zijn WIA-uitkering, zwarte inkomsten uit werkzaamheden in de bouw heeft van minstens € 2.500,= per maand. De man heeft op

22 januari 2025, kort na indiening van het verzoekschrift, zijn klusbedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij verricht echter al jaren werkzaamheden onder de naam [bedrijf] . Op social media heeft hij jarenlang reclame gemaakt voor zijn werkzaamheden als klusjesman. Na indiening van het verzoekschrift heeft hij alle accounts op social media verwijderd, maar de vrouw heeft screenshots gemaakt van de door hem geplaatste berichten en foto’s uit 2020 en 2021. Hij heeft verder tot en met 2024 de op naam van de onderneming van de vrouw staande pas van de [winkel] gebruikt om aankopen te doen voor de werkzaamheden van zijn klusbedrijf. Uit de aankoopoverzichten over de jaren 2022 tot en met 2024 blijkt dat het gaat om aanzienlijke inkoopbedragen van diverse bouwmaterialen. Gezien de hoeveelheid inkopen is wat de vrouw betreft duidelijk dat deze inkopen een bedrijfsmatig karakter hebben. Daarnaast hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die tot een aantal maanden geleden om het weekend bij de man verbleven, de vrouw verteld dat de man bijna altijd van huis was om te werken. Ook mevrouw [naam 2] heeft schriftelijk verklaard dat de man in 2022 in haar huis werkzaamheden heeft verricht tegen betaling van € 1.000,=.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde specificaties volgt dat de man op dit moment een WIA-uitkering heeft van € 2.906,24 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de man in ieder geval in de afgelopen jaren naast zijn WIA-uitkering ook zwarte inkomsten met klus-/verbouwwerkzaamheden heeft gegenereerd. De man stelt dat hij slechts beperkte inkomsten uit kleine klusjes heeft gehad, maar uit de door de vrouw ingebrachte aankoopoverzichten over de jaren 2022 tot en met 2024 volgt dat de man met grote regelmaat bij de [winkel] aankopen heeft gedaan ten behoeve van bouw- en installatiewerkzaamheden. De man erkent ook dat deze aankopen niet alleen voor kluswerkzaamheden aan zijn eigen woning zijn gedaan. Gelet op de registratie van zijn bedrijf bij de Kamer van Koophandel begin dit jaar zal de man met ingang van dit jaar bij de UWV opgave moeten doen van zijn inkomen uit onderneming (welke inkomsten dan niet meer “zwart” zijn). Zijn stelling dat zijn inkomen uit zijn klusbedrijf de hoogte van zijn WIA-uitkering niet overstijgt, heeft de man evenwel niet onderbouwd. Het had op zijn weg gelegen om inzicht te geven in de resultaten van zijn onderneming in de eerste acht maanden van 2025. De man heeft uitsluitend een btw-0-aangifte over het eerste kwartaal 2025 overgelegd. Dit document veronderstelt dat de man in die periode geen btw-plichtige werkzaamheden heeft verricht en dat roept bij de rechtbank juist vragen op, gelet op zijn stelling dat hij bedrijfsmatig kluswerkzaamheden uitvoert. De rechtbank zal daarom een schatting maken van zijn netto inkomen, en gaat uit van een bedrag dat hoger ligt dan de WIA-uitkering, ook gelet op het oordeel over de financiële situatie van de man in de voorgaande jaren. De rechtbank schat het netto inkomen van de man op een bedrag van € 3.300,= per maand.

De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 700,= per maand.

De man moet zijn draagkracht aanwenden voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Conform het niet door de vrouw weersproken standpunt van de man gaat de rechtbank ervan uit dat de draagkracht van de man ontoereikend is om daarmee in zijn onderhoudsverplichting voor alle vier zijn kinderen te voorzien en zal de rechtbank de draagkracht van de man conform de in de jurisprudentie geformuleerde hoofdregel gelijkelijk verdelen over zijn kinderen.

Wanneer de draagkracht van de man gelijkelijk over zijn kinderen wordt verdeeld, heeft hij voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 350,= per maand aan draagkracht beschikbaar.

Draagkrachtvergelijking

De totale voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beschikbare draagkracht van partijen bedraagt € 1.211,= (€ 861,= + € 350,=). De gezamenlijke draagkracht overstijgt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zodat de rechtbank een draagkrachtvergelijking maakt. Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dat de man met een deel van 29% (€ 236,= per maand) en de vrouw met een deel van 71% (€ 578,= per maand) moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 814,= per maand.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat de man geen recht heeft op toepassing van een zorgkorting bij de bepaling van de door hem voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verschuldigde kinderalimentatie. Dit betekent dat de man tot het volledige bedrag van zijn aandeel in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet voorzien door het betalen van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw.

Conclusie met betrekking tot de te betalen kinderalimentatie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man voor [minderjarige 1] te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2025 wijzigen in € 118,= per maand en de door de man voor [minderjarige 2] te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2025 vaststellen op € 118,= per maand.

Verrekening van de na 1 januari 2025 door de man betaalde alimentatie

Uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften volgt dat de man in de periode van 1 januari 2025 tot en met 24 augustus 2025 meerdere bedragen van verschillende hoogten aan de vrouw heeft overgemaakt. De vrouw ziet deze bedragen als betaalde kinderalimentatie. Mocht blijken dat de man op grond van de onderhavige beschikking tot op heden te weinig alimentatie aan de vrouw heeft betaald, zal de man het verschil nog moeten bijbetalen. Indien blijkt dat de man tot op heden te veel alimentatie heeft voldaan, hoeft de vrouw het te veel betaalde niet aan de man terug te betalen. De man heeft namelijk tijdens de zitting aangegeven dat hij geen alimentatie hoeft terug te ontvangen.

Berekeningen

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

5. De beslissing

De rechtbank

bepaalt – in zoverre met wijziging van het aan voormelde beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2011 gehechte ouderschapsplan van partijen van

11 oktober 2011 – dat de man met ingang van 1 januari 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 118,= (honderdachttien euro) per maand;

bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2015, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 118,= (honderdachttien euro) per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. De Wit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?