RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Familie en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/441497 / KG ZA 25-569
Vonnis in kort geding van 4 december 2025
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. E. Sijnesael te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. N.P.M. Planthof te [plaats 3].
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 18 november 2025, met productie;
- de aanvulling op de dagvaarding d.d. 21 november 2025, met productie;
- de conclusie van antwoord d.d. 1 december 2025, tevens houdende eis in reconventie, met producties.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 3 december 2025 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Ter zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig.
De hierna te noemen [minderjarige], is gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om in een gesprek met de voorzieningenrechter zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt, maar heeft wel een brief geschreven. De aanwezigen zijn in de gelegenheid gesteld om op deze brief te reageren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige], geboren te [plaats 3] op [geboortedag] 2016.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 maart 2022 is een zorgregeling bepaald waarbij de man en [minderjarige] gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur omgang met elkaar hebben, alsmede de helft van de schoolvakanties in nader overleg tussen ouders te bepalen.
Medio 2023 zijn de tijdstippen in voornoemde zorgregeling door partijen aangepast en sindsdien verblijft [minderjarige] van vrijdag 16:00 uur tot zondag 18:30 uur bij de man. De vrouw brengt [minderjarige] op vrijdag bij de man en de man brengt [minderjarige] op zondag weer bij de vrouw.
3. Het geschil
De man vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Primair: De vrouw te veroordelen tot nakoming van de door partijen overeengekomen
zorgregeling waarbij de man en [minderjarige] iedere veertien dagen gedurende een weekend
gerechtigd zijn tot contact met elkaar onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per
dag dat de vrouw weigert aan het vonnis te voldoen;
Subsidiair: Een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen waarbij de man iedere veertien dagen gedurende een weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondagavond 19:00 uur en de vrouw te veroordelen tot nakoming hiervan onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vrouw weigert aan het vonnis te voldoen;
II. De vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen dan wel de vorderingen van de man als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen. In reconventie vordert de vrouw bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, in afwachting van de inzet van hulpverlening voor [minderjarige] en in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure:
- primair de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te schorsen;
- subsidiair een tijdelijke zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen, inhoudende dat de man en [minderjarige] op één zaterdag per twee weken van 12:00 uur tot 15:00 uur omgang met elkaar hebben onder begeleiding van een onafhankelijke derde (instantie);
- meer subsidiair een tijdelijke zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen, inhoudende dat de man en [minderjarige] op één zaterdag per twee weken van 12:00 uur tot 15:00 uur omgang met elkaar hebben dan wel een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie en reconventie;
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang;
De voorzieningenrechter is van oordeel dat partijen voldoende spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen. Dit, overigens door partijen onbestreden, spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de wederzijdse vorderingen, die alle betrekking hebben op de nakoming/schorsing van een overeengekomen zorgregeling.
Inhoudelijk;
Tussen partijen is niet in geschil dat zij medio 2023 een zorgregeling zijn overeengekomen op grond waarvan de man recht op omgang heeft met [minderjarige] gedurende één weekend per veertien van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] op vrijdag bij de man brengt en de man [minderjarige] op zondag terugbrengt naar de vrouw, en voorts gedurende de helft van de schoolvakanties nader in overleg te bepalen. Vaststaat verder dat vanaf 11 oktober 2025 deze zorgregeling niet meer wordt nagekomen en dat er geen contact meer plaatsvindt tussen de man en [minderjarige].
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de vorderingen van partijen voorop dat deze tussen partijen overeengekomen zorgregeling moet worden nagekomen. Dit kan pas anders zijn, indien sprake is van zodanig zwaarwegende omstandigheden in verband met de belangen van [minderjarige] dat nakoming van de zorgregeling in redelijkheid niet kan worden gevergd.
De vrouw heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de woonruimte van de man ongeschikt is om [minderjarige] te ontvangen. Verder heeft de vrouw opgemerkt dat, hoewel zij niet betwist dat de man en [minderjarige] af en toe goed contact met elkaar hebben, [minderjarige] bij de man voornamelijk zit te gamen en televisie te kijken. Ook wordt [minderjarige] regelmatig meegenomen naar “derden”, hetgeen [minderjarige] niet prettig vindt. Volgens de vrouw gebruikt de man [minderjarige] ook als doorgeefluik. De vrouw heeft verder een observatieverslag van school overgelegd, waarin als conclusie is opgenomen: “Uit de observatie blijkt dat er op dit moment in de schoolse situatie geen ADHD-kenmerken zichtbaar zijn. Wel is het belangrijk om het welbevinden van [minderjarige] goed te volgen. Geadviseerd wordt daarom om wekelijks pedagogische gesprekken met hem te voeren.”. De vrouw heeft verder gesteld dat er bij [minderjarige] grote weerstand bestaat tegen bezoek aan de man. Op 10 oktober 2025 was [minderjarige] zodanig overstuur bij de gedachte dat hij naar de man moest dat de vrouw heeft besloten de omgang stop te zetten. De vrouw weet niet waar deze weerstand vandaan komt. Om die reden heeft ze [minderjarige] een lijstje laten opstellen met redenen waarom hij niet meer naar zijn vader wil.
De man heeft de stellingen van de vrouw bestreden. De man heeft aangevoerd al twee jaar in dezelfde studio te wonen, terwijl dit nooit eerder een probleem is geweest. Het complex waar de man woont is volgens hem niet onveilig voor [minderjarige]. De man staat ingeschreven voor zelfstandige woonruimte, maar hij is nog niet aan de beurt. Volgens de man doet hij wel degelijk leuke dingen met [minderjarige], maar heeft hij beperktere financiële middelen dan de vrouw. Hij gebruikt geen alcohol of drugs. De man gaat niet met [minderjarige] naar plekken die niet geschikt zijn voor [minderjarige]. Evenmin gaat hij naar ‘rare’ mensen met [minderjarige]. De man merkt op dat het contact tussen hem en [minderjarige] altijd goed is geweest. Sinds hij de vrouw toestemming heeft geweigerd om met [minderjarige] naar [plaats 3] te verhuizen gaat het minder, aldus nog steeds de man.
De Raad heeft tijdens de zitting opgemerkt zich zorgen te maken over de communicatie tussen partijen en de schadelijke invloed hiervan op [minderjarige]. Volgens de Raad krijgt [minderjarige] zo onvoldoende ruimte om van beide ouders te houden. De Raad vraagt zich naar aanleiding van het door [minderjarige] opgestelde lijstje af hoeveel hij meekrijgt van ouders, nu er in het lijstje kennelijk ook wordt gesproken over de toestemming om te mogen verhuizen. De Raad is van mening dat het eenzijdig stopzetten door de vrouw van het contact tussen de man en [minderjarige] niet goed is. Het was beter geweest wanneer ouders contact hadden gehad over de weerstand bij [minderjarige]. De Raad is van oordeel dat het contact moet worden hersteld, bij voorkeur per direct. De woonsituatie van de man is volgens de Raad geen reden om het contact te stoppen, te meer daar de man hier al langere tijd verblijft. Gelet op de huidige zorgelijke situatie tussen partijen zal de Raad met voorrang een beschermingsonderzoek starten. De Raad hoopt, tot slot, dat partijen ter zitting afspraken kunnen maken om het contact te hervatten.
De voorzieningenrechter stelt vast dat beide partijen een andere beleving hebben omtrent de gang van zaken rondom de beëindiging van het contact tussen de man en [minderjarige]. Uit de processtukken, maar zeker ook uit de behandeling van de zaak ter zitting en de daar besproken incidenten, blijkt dat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord en dat de ouderrelatie wordt gekenmerkt door achterdocht, ruzies en beschuldigingen. Gebleken is dat deze kwalijke dynamiek tussen ouders al jaren speelt en dat partijen er niet in slagen om dit te doorbreken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze -voortdurende- situatie voor [minderjarige] uiterst onwenselijk is. Met de Raad acht de voorzieningenrechter het bepaald niet uitgesloten dat [minderjarige] hierdoor klem zit tussen beide ouders en onvoldoende ruimte krijgt om met beiden onbelast contact te hebben. De voorzieningenrechter vraagt zich af of partijen voldoende doordrongen zijn van het effect van hun gedrag op [minderjarige]. Een beschermingsonderzoek, zoals door de Raad aangekondigd, acht de voorzieningenrechter dan ook geboden.
De voorzieningenrechter heeft mede naar aanleiding van het advies van de Raad beproefd of partijen voorlopig afspraken konden maken over contactherstel en omgang tussen de man en [minderjarige]. Partijen zijn hiertoe -uiteindelijk- niet in staat gebleken. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de standpunten van partijen dient te beoordelen aan de hiervoor in rechtsoverweging 4.4. genoemde maatstaf, namelijk of al dan niet sprake is van zodanig zwaarwegende omstandigheden in verband met de belangen van [minderjarige] dat nakoming van de zorgregeling in redelijkheid niet kan worden gevergd.
De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen de vrouw heeft gesteld omtrent de woonruimte van de man niet kan dienen als onderbouwing van dergelijke zwaarwegende omstandigheden. Dat het hier een studio betreft met een beperkte ruimte is, zoals ook de Raad heeft opgemerkt, daartoe onvoldoende. Dat de woonomgeving van de man onveilig is voor [minderjarige] is gelet op de betwisting door de man en bij gebreke van een voldoende onderbouwing door de vrouw voorshands onvoldoende vast komen te staan. Dat er medio 2025, zoals de vrouw heeft aangevoerd, een politie-inval heeft plaatsgevonden in de woongroep, maakt dit zonder nadere toelichting door de vrouw, die ontbreekt, niet anders. De voorzieningenrechter neemt hierbij nadrukkelijk in aanmerking dat de man, zo is niet in geschil, al twee jaar verblijft in zijn huidige woning, dat andere incidenten door de vrouw niet zijn gesteld, terwijl de vrouw tot op heden in de woonruimte van de man nimmer aanleiding heeft gezien om de zorgregeling te stoppen of aan te passen. Op gelijke wijze moet worden geoordeeld omtrent de stelling van de vrouw dat de man [minderjarige] meeneemt naar “derden”. De man heeft dit bestreden, althans voor zover deze bezoeken niet in het belang van [minderjarige] zouden zijn, en de vrouw heeft dit standpunt op geen enkele wijze uitgewerkt of onderbouwd. Ook overigens is de voorzieningenrechter voorshands niet gebleken dat de man niet in staat zou zijn om een veilige en voorspelbare opvoedsituatie voor [minderjarige] te creëren. Dat beide opvoedsituaties kennelijk verschillen is daartoe, gelet op hetgeen de vrouw daarover heeft gesteld, onvoldoende. Gelet op hetgeen de man verder heeft aangevoerd en de vrouw heeft erkend, is bovendien voldoende vast komen te staan dat de man en [minderjarige] normaal gesproken een goed contact met elkaar hebben. Ook de omstandigheden die [minderjarige] in zijn ‘lijstje’ en zijn brief noemt, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende zwaarwegend. Uit hetgeen [minderjarige] hierin noemt, volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooral dat hij veel last heeft van de strijd tussen zijn ouders. Zo spreekt [minderjarige] over ruzies die de man komt maken, is hij bang dat zijn vader boos wordt, spreekt papa over “slechte dingen” en wil hij niet meer dat de man langskomt bij trainingen van de voetbal. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit een en ander vooral ziet op een recent incident bij het voetbalveld van [minderjarige] waarbij de situatie tussen partijen zodanig is geëscaleerd dat politie ter plaatse moest komen, en voorts op de situatie dat de man is langsgekomen bij de vrouw om in aanwezigheid van [minderjarige] nakoming van de zorgregeling af te dwingen. Ook spreekt [minderjarige] van “toestemming” waarmee kennelijk wordt gedoeld op de door de man geweigerde toestemming aan de vrouw om met [minderjarige] naar [plaats 3] te verhuizen. Duidelijk volgt hieruit dat beide ouders er niet in slagen om [minderjarige] uit hun onderlinge strijd te houden en hem er, in tegendeel, zelfs actief in betrekken. De voorzieningenrechter acht dit zeer kwalijk. Dergelijke zaken horen niet thuis bij een kind van bijna negen jaar. Verder spreekt [minderjarige] over “het huis met rare mensen”, “rommeltje bij papa”, “papa doet roken op het toilet” en “papa neemt mij mee naar slechte mensen”. Als overwogen, heeft de man ontkend dat hij [minderjarige] meeneemt naar ‘slechte mensen’ en heeft de vrouw hier verder geen toelichting op gegeven, zodat de voorzieningenrechter hieraan geen conclusies kan verbinden. Wat er ook van zij, van partijen, als ouders, mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden verwacht dat zij bij dergelijke signalen van hun kind met elkaar in contact treden om deze signalen te bespreken, oplossingen te bedenken en, zo nodig, hun kind gerust te stellen. De voorzieningenrechter betreurt het dat dit niet is gebeurd met alle gevolgen voor [minderjarige] van dien. De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat meerbedoelde zwaarwegende omstandigheden ook niet volgen uit het door de vrouw overgelegde observatieverslag van school. Zonder nadere toelichting door de vrouw, die ontbreekt, is het enkele advies van de school om wekelijks pedagogische gesprekken te voeren met [minderjarige] onvoldoende om de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te schorsen of aan te passen, alleen al omdat in het observatieverslag geen enkel verband wordt gelegd tussen dit advies en de omgang tussen de man en [minderjarige]. Ook overigens is niet gebleken dat er bij de school concrete zorgen zijn over [minderjarige] die nopen tot een schorsing of aanpassing van de zorgregeling.
De voorzieningenrechter is al met al dan ook van oordeel dat er onvoldoende zwaarwegende omstandigheden zijn als hiervoor bedoeld om de overeengekomen zorgregeling te schorsen of aan te passen. Dit brengt mee dat de vorderingen van de vrouw dienen te worden afgewezen. De vordering van de man tot nakoming van de overeengekomen zorgregeling kan worden toegewezen. Wel ziet de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat er inmiddels bijna twee maanden geen uitvoering is gegeven aan de zorgregeling, aanleiding tot het opnemen van een opbouwregeling waarin wordt toegewerkt naar de eerder overeengekomen regeling. De voorzieningenrechter bepaalt daartoe dat:
tweemaal een zaterdag contact zal plaatsvinden tussen de man en [minderjarige] op zaterdag na de voetbal van [minderjarige] tot 18.30 uur, waarbij het eerste contactmoment zal plaatsvinden op zaterdag 6 december 2025 en vervolgens twee weken later op zaterdag 20 december 2025;
vervolgens zal tweemaal een contactmoment plaatsvinden van vrijdagmiddag uit school tot zaterdag 18:30 uur, om het weekend;
waarna de tussen partijen overeengekomen zorgregeling zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.5. en 4.3. wordt hervat.
Wat betreft het halen en brengen in voornoemde opbouw bepaalt de voorzieningenrechter dat daarbij dezelfde afspraak geldt als in de reguliere regeling, te weten dat de vrouw [minderjarige] naar de man brengt, en de man vervolgens [minderjarige] weer terugbrengt naar de vrouw.
Dwangsom
De voorzieningenrechter zal het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de zorgregeling moet nakomen op straffe van een dwangsom, afwijzen.
De voorzieningenrechter acht het opleggen van een dwangsom op dit moment niet aangewezen, en ook niet in het belang van [minderjarige]. Met deze uitspraak van de voorzieningenrechter ontstaat hopelijk voor partijen en voor [minderjarige] duidelijkheid en zekerheid over de zorgregeling, waardoor rust ontstaat tussen partijen. Een dwangsom zou hierop een negatief effect kunnen hebben, hetgeen niet in het belang is van [minderjarige]. Dat neemt niet weg dat op de vrouw, maar ook op de man, een grote verantwoordelijkheid rust om de zorgregeling in het belang van [minderjarige] stipt na te komen. De voorzieningenrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat de vrouw, maar ook de man, deze verantwoordelijkheid zullen nemen.
Proceskosten
De man vordert de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Uitgangspunt in familiezaken is dat, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in de stellingen van partijen over en weer geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Een proceskostenveroordeling zou de verstandhouding tussen partijen ook verder verslechteren, hetgeen niet in het belang van de minderjarige is. De vordering van de man zal dan ook worden afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De voorzieningenrechter zal de beslissing omtrent de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing direct in werking treedt ondanks een eventueel hoger beroep daartegen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de door partijen overeengekomen zorgregeling waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende één weekend per veertien van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] op vrijdag bij de man brengt en de man [minderjarige] op zondag terugbrengt naar de vrouw, en voorts gedurende de helft van de schoolvakanties nader in overleg te bepalen, met dien verstande dat een opbouw plaatsvindt van:
- tweemaal een zaterdag na de voetbal van [minderjarige] tot 18:30 uur, waarbij het eerste contactmoment zal plaatsvinden op zaterdag 6 december 2025 en vervolgens twee weken later op zaterdag 20 december 2025;
- tweemaal een vrijdagmiddag uit school tot zaterdag 18:30 uur, om het weekend;
- waarna vervolgens de eerder overeengekomen regeling wordt hervat;
met inachtneming van hetgeen hierover verder in rechtsoverweging 4.11. is bepaald;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af;
In reconventie
wijst de vorderingen van de vrouw af;.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025 in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.