RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/438064 / JE RK 25-1369
Datum uitspraak: 2 december 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over omgang
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de vader,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.W.F. van Wijk te Helmond,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
Als belanghebbende is aangemerkt:
de STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
statutair gevestigd te Amsterdam, locatie Eindhoven , hierna te noemen: de gecertificeerde
instelling (GI), dit omdat bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 november 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verlengd voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 25 november 2024 tot 25 november 2025.
Als informant is aangemerkt:
[de vader] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de door deze rechtbank op 26 september 2025 gegeven tussenbeschikking en de daarin genoemde stukken.
De nadere mondelinge behandeling ter zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
de vader met zijn advocaat;
mevrouw [naam] , begeleidend coach van de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. Zij hebben, ieder afzonderlijk, hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat de kinderen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. Het resterend verzoek
Bij voormelde tussenbeslissing is het verzoek van de vader tot vervanging van de gecertificeerde instelling afgewezen. Daarnaast is door de vader verzocht te bepalen dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij hem zullen verblijven gedurende de eerste twee maanden eenmaal per 14 dagen op zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur, de daaropvolgende twee maanden eenmaal per 14 dagen van zondag 10.00 uur tot 18.00 uur en de daaropvolgende twee maanden van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur en na deze twee maanden eenmaal per 14 dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur, althans een regeling in goede justitie te bepalen.
Het onderdeel van het verzoek van de vader, waarop nog niet is beslist, heeft de rechtbank aangehouden, waartoe is overwogen dat gelijktijdig met de behandeling van de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kan worden geïnventariseerd wat de stand van zaken in de omgangszaak zal zijn. In deze zaken is door de kinderrechter afzonderlijk beslist.
3. De standpunten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
[minderjarige 2] heeft ter gelegenheid van het kind gesprek verklaard dat hij afzonderlijk met zijn vader, zijn moeder en [minderjarige 1] heeft gebeld, bedoeld om zaken uit te praten. Hij heeft daaruit voor zichzelf geconcludeerd dat hij wel weer omgang met zijn moeder zou willen; zij reageerde ook enthousiast om hem weer te horen. Hij denkt daarbij aan een voorzichtige opbouw, te beginnen met één maal per maand contact. Ten aanzien van zijn vader ligt dit anders. Zijn vader moet eerst laten zien dat hij werkelijk wil veranderen, wat inhoudt dat hij in een aantal opzichten een stapje terug zal moeten doen. Ook heeft het zijn voorkeur om fysieke gesprekken te houden in plaats van te bellen. Hij wil dus in elk geval weer omgang met zijn moeder, ook met [minderjarige 1] en wellicht ook weer met vader. Het gaat momenteel goed met hem op school. Hij wil graag in de regio, waar hij momenteel geplaatst is, een middel-bare schoolopleiding gaan volgen. Ook heeft hij vertrouwen in de gezinshuisouder. Hij wil middels een brief van de kinderrechter omtrent de beslissing in deze zaak worden geïnformeerd.
[minderjarige 1] heeft ter gelegenheid van het kind gesprek op de vraag welk cijfer zij op dit moment aan haar leven zou geven geantwoord dat zij dat niet weet. Volgens haar verschilt dit per moment, waarbij een belangrijke rol speelt dat zij het op de behandelgroep niet naar haar zin heeft. Zij vertrouwt daar niemand. Ook heeft zij daar geen vriendinnen. Het liefst wil zij ergens anders worden geplaatst, in elk geval niet op een groep en tijdelijk en met de mogelijkheid dat zij naar huis kan. Met haar vader heeft zij gemiddeld tweemaal per maand omgang in [plaats 1] onder begeleiding. Binnenkort ziet zij hem weer. Zij heeft vaker telefonisch contact met hem. Zij zou graag vaker omgang met haar vader willen en ook bij hem thuis. Tussen haar en [minderjarige 2] is er geen contact. Ook dit zou zij graag anders zien. Zij verwacht binnenkort weer naar school te kunnen gaan, dat is de middelbare school in [plaats 1] . Zij wil middels een brief van de kinderrechter omtrent de beslissing in deze zaak worden geïnformeerd.
4. Het standpunt van de vader
De vader heeft opgemerkt dat hij met [minderjarige 1] dagelijks telefonisch contact heeft en één tot tweemaal per maand omgang in aanwezigheid van zijn coach. Hij reist telkens per trein om met [minderjarige 1] omgang te kunnen hebben. Zij bloeit op zodra zij met elkaar contact hebben. Verder kan hij met [minderjarige 1] spreken over zaken die er bij haar spelen, ook als die op familie(aangelegenheden) betrekking hebben. [minderjarige 1] onderhoudt ook contact met haar biologische familie. Graag zou hij zien dat de omgang tussen hem en [minderjarige 1] wordt uitgebreid naar uiteindelijk een heel weekeinde bij hem thuis. Hij is ervan overtuigd dat dit positief zal verlopen. Hij is bereid om [minderjarige 1] telkens op het station in [plaats 2] op te halen en haar daar vervolgens naartoe te brengen wanneer zij weer terug gaat naar [plaats 1] . Ten aanzien van [minderjarige 2] is de situatie geheel anders, aldus de vader. Hij begrijpt dat [minderjarige 2] op dit moment niet open staat om het contact met hem te herstellen. Hij is daardoor niet echt in staat om met [minderjarige 2] een band op te bouwen. Dit wenst hij te respecteren mits hij er zeker van kan zijn dat dit ook werkelijk [minderjarige 2] ’s huidige standpunt is. Liever zou hij met [minderjarige 2] zelf een persoonlijk gesprek hierover willen aangaan om te bezien wat er met het oog op de toekomst mogelijk is. De vader heeft tevens aangegeven dat hij op respectievelijk 25 november 2025 en 2 december 2025 intakegesprekken heeft bij [hulpverlening] , bedoeld voor onderzoek en zo nodig behandeling voor problemen op het gebied van emotieregulatie.
De coach annex begeleider heeft naar voren gebracht dat zij kan bevestigen dat [minderjarige 1] erg positief reageert op de begeleide omgangsmomenten tussen haar en de vader. Ook op de groep wordt teruggezien dat [minderjarige 1] naar de contactmomenten uitkijkt en dat zij daar energie van krijgt. Of dit positieve effect hetzelfde zal zijn wanneer [minderjarige 1] en de vader een heel weekend bij elkaar zijn valt in haar visie op dit moment niet te voorspellen. Daarom is zij voorstander van een geleidelijke opbouw van de omgang, te beginnen met een halve dag, vervolgens een hele dag, uit te breiden naar uiteindelijk twee dagen in het weekeinde. Ook zegt zij desgevraagd toe, in het geval dat de rechtbank overeenkomstig beslist, dat zij de omgangsmomenten deels zal begeleiden en over het verloop daarvan aan de GI en aan de advocaat van de vader schriftelijk verslag uit zal brengen. Voor contactherstel tussen de vader en [minderjarige 2] ziet zij op dit moment geen mogelijkheden, nu gebleken is dat [minderjarige 2] daar op dit moment niet voor open staat.
5. Het standpunt van de GI
Namens de GI is opgemerkt dat in december 2025 gestart zal worden met een hulp- en ondersteuningstraject door De Gezinsmanager. Daarnaast is, voor zo ver het [minderjarige 1] betreft, opnieuw het LET benaderd om begeleiding en ondersteuning te bieden ter verbetering van de algehele situatie, waaronder de samenwerkingsrelatie met de ouders en bij het vinden van een geschikt gezinshuis voor [minderjarige 1] . Op grond van de actuele feiten en omstandigheden zal de GI zich niet verzetten tegen een door de rechtbank vast te stellen voorlopige omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en de vader onder begeleiding met een stapsgewijze opbouw, zoals besproken ter zitting. Voor omgang tussen [minderjarige 2] en de vader ziet de GI vooralsnog geen mogelijkheden. Wel zal daar in het kader van de ondertoezichtstelling haar aandacht naar uit blijven gaan. Ook blijft de GI oog houden voor de mogelijkheden om tot contactherstel tussen [minderjarige 2] en de moeder te komen. Daar wordt al concreet aan gewerkt.
6. De beoordeling
Ingevolge artikel 1:265g lid 2 Burgerlijk Wetboek kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter wijziging verzoeken van een beslissing ingevolge het eerste lid van genoemd wetsartikel, waarbij op verzoek van de gecertificeerde instelling een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang is vastgesteld of gewijzigd. Uit de toelichting bij lid 1 van voormeld wetsartikel blijkt dat de gecertificeerde instelling ook een verzoek tot vaststelling van een regeling kan verzoeken, indien nog geen regeling in een beschikking is vastgelegd, zoals in het geval dat afspraken uit het ouderschapsplan niet in de beschikking zijn vastgelegd of de ouders niets hebben vastgelegd ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
De kinderrechter is op grond van de stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de omgangsmomenten tussen haar en de vader, die deels door de coach van de vader worden begeleid, worden uitgebreid. Met inachtneming hiervan zal een beslissing worden gegeven, waarbij een voorlopige omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en de vader wordt vastgesteld, als hierna in het dictum vermeld, waarbij sprake is van een geleidelijke opbouw van de omgang naar uiteindelijk wekelijks in het weekeinde voor de duur dat [minderjarige 1] nog op de groep in [plaats 1] woont. Daarbij houdt de kinderrechter er rekening mee dat [minderjarige 1] per trein zal reizen om met de vader omgang te kunnen hebben en dat de omgangsmomenten plaats vinden onder begeleiding van de coach van de vader, die heeft toegezegd van het verloop daarvan schriftelijk verslag te zullen doen aan de GI en aan de advocaat van de vader. Ook betrekt de kinderrechter hierbij dat [minderjarige 1] naar verwachting binnen afzienbare tijd in een gezinshuis kan worden geplaatst en dit kan betekenen dat er nadere afstemming over de omgangsregeling dient plaats te vinden, zo als bijvoorbeeld een tweewekelijkse omgang voor een weekeinde bij haar vader..
Ten aanzien van [minderjarige 2] geldt dat hij ten aanzien van contactherstel tussen hem en de vader op dit moment een duidelijk voorbehoud maakt, als door hem verwoord tijdens het kind gesprek. In het belang van [minderjarige 2] acht de kinderrechter aangewezen dat contactherstel tussen hem en de vader op dit moment niet wordt geforceerd en dat [minderjarige 2] de ruimte krijgt om, zodra hij daar zelf aan toe is, daarover met zijn vader het gesprek aan te gaan. Verder is van belang dat er in elk geval tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op korte termijn een gesprek gaat plaats vinden, waarbij door hen wordt besproken wat er in hun beider levens speelt en welke mogelijkheden zij zien om met elkaar in de toekomst contact te kunnen onderhouden. Ten slotte geldt dat de mogelijkheid om te komen tot contactherstel tussen [minderjarige 2] en de moeder specifieke aandacht heeft van de GI, die daarover met [minderjarige 2] nog nader contact zal zoeken.
De kinderrechter zal dus nu een voorlopige regeling vaststellen tussen [minderjarige 1] en de vader en de beslissing op het verzoek van de vader voor het overige aanhouden, in afwachting van nader schriftelijk bericht uiterlijk op de hierna vermelde pro forma datum van schriftelijke berichtgeving van de GI.
De kinderrechter richt zich tot beide minderjarigen met de navolgende brieven, waarin de beslissing wordt uitgelegd en toegelicht. De griffier van de rechtbank wordt verzocht deze brieven af te geven aan de betreffende minderjarigen:
Beste [minderjarige 1] ,
Na het gesprek met jou heb ik ook met jouw vader, zijn advocaat, de coach van jouw vader en de medewerker van het Leger des Heils gesproken. Uit de gesprekken is naar voren gekomen dat het zowel voor jou als voor jouw vader belangrijk is dat de omgangsmomenten worden uitgebreid. De coach van jouw vader, mevrouw [naam] heeft, met goedvinden van jouw vader, beloofd dat zij de omgangsmomenten deels ook zal begeleiden en dat zij daarvan een kort verslag zal maken voor het Leger des Heils en in het verlengde daarvan aan de kinderrechter. Ik zal een opbouwende regeling vaststellen met een start van een dagdeel bij jouw vader in [plaats 2] en uiteindelijk, als dit allemaal goed gaat, neerkomend op een vol weekeinde van vrijdag einde middag/begin avond tot en met de zondagmiddag. Je gaat per trein reizen van [plaats 1] naar [plaats 2] en zo ook weer terug. Jouw vader is bereid om jou op het station in [plaats 2] op te halen en ook weer daar terug te brengen als je terug reist naar [plaats 1] . Intussen is het Leger des Heils ook doende voor jou een nieuwe verblijfplaats te zoeken. Het zou dus kunnen dat je binnen afzienbare tijd terecht kunt in een gezinshuis. Dan zal de bezoekregeling met jouw vader daar ook weer enigszins op afgestemd moeten worden. Ik ga ervan uit dat zowel jouw vader, het Leger des Heils als jij met de aanpassingen, die nodig zijn om jou in het gezinshuis te laten wennen, akkoord zullen gaan. Er wordt ook aandacht geschonken aan jouw wens om weer contact met [minderjarige 2] te krijgen. Het Leger des Heils zal dit oppakken. Ik heb de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uitgesproken tot 4 augustus 2026 met de afspraak dat we elkaar in het voorjaar of in de zomer 2026 zullen spreken om te bezien of alles loopt en om een beslissing te geven over de resterende termijn van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Ik denk dat het bovenstaande een enorme verbetering voor jou gaat brengen, dat hoop ik in elk geval. Ik wens jou alle goeds toe in deze komende periode.
Met vriendelijke groet,
Van Leuven kinderrechter
Beste [minderjarige 2] :
Na het gesprek met jou heb ik ook met jouw vader, zijn advocaat, de coach van jouw vader en de medewerker van het Leger des Heils gesproken. Uit de gesprekken is naar voren gekomen dat iedereen er akkoord mee is dat jij in elk geval voorlopig in [provincie] zult blijven en daar voorlopig jouw opleiding zult blijven volgen. Jouw vader heeft het idee dat hij tot op heden nog niet zo goed bij jou uit de verf is gekomen. Hij zou graag zien dat hij de kans krijgt om met jou zelf over jouw toekomst te spreken. Ik heb hem verteld dat ik zijn gedachten aan jou zal overbrengen en dat ik het Leger des Heils en jou en jouw vader zeker enige ruimte zal geven om over jouw toekomst in gesprek te gaan als dat voor alle betrokkenen, dus ook voor jou, akkoord is om dat een keer te doen. Ik wil zo’n gesprek niet forceren, ik wil daartoe wel ruimte laten. Het Leger des Heils zal daarover zeker nog een keer contact met jou zoeken en ook met jouw vader, zodat dan kan worden afgestemd wat daartoe de mogelijkheden zijn. Daarnaast kan deze afstemming ook de ruimte geven om te onderzoeken of er weer enige vorm van contact tussen jou en jouw vader mogelijk is, ook wanneer jij in [provincie] blijft wonen en jij daar jouw opleiding blijft vervolgen. Daarnaast hebben we gesproken over contact tussen jou en jouw zus. Ik heb er melding van gemaakt dat het voor jou wellicht een goed idee om eens echt een afspraak met jouw zus te krijgen waarin jullie face tot face met elkaar een gesprek kunnen hebben over wat er in jullie levens speelt en welke mogelijkheden er dan eventueel zijn om met elkaar contact te kunnen blijven onderhouden. Voor jouw zus heb ik een wat uitgebreidere omgangsregeling tussen haar en vader geregeld, omdat jouw zus daar wel heel veel behoefte aan heeft. Ook is besproken dat er voor jouw zus een andere plek wordt gezocht om te wonen. Ten slotte hebben we gesproken over de mogelijkheden om de contacten tussen jou en jouw moeder mogelijk te maken. Het Leger des Heils zal daarover met jou verder contact zoeken. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heb ik verlengd tot 4 augustus 2026 onder aanhouding van de beslissing op het resterende deel van het verzoek. Daarover zullen we met elkaar nog een keer spreken in het voorjaar of de zomer van 2026.
Met vriendelijke groet,
Van Leuven kinderrechter
7. De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt dat de vader en de [minderjarige 1] - bij wijze van voorlopige regeling - gerechtigd zijn tot omgang met elkaar deels begeleid door mevrouw [naam] , coach/begeleider van de vader, overeenkomstig het navolgend opbouwende schema:
- met ingang van zaterdag, 13 december 2025 gedurende één dagdeel, te weten van 12:00 uur tot 16:30 uur waarbij [minderjarige 1] de lunch bij de vader gebruikt en de vader ervoor zorgt dat zij op tijd terug is op het NS station;
- op 20 december 2025 van 11:00 uur tot 18:30 uur, waarbij [minderjarige 1] de lunch bij de vader gebruikt en de vader ervoor zorgt dat zij op tijd terug is op het NS station, nadat zij bij de vader avondeten heeft gehad;
- met kerstmis op 24 december 2025 gaat [minderjarige 1] om 14.00 uur naar de vader, vervolgens is zij op Eerste Kerstdag tot en met Tweede Kerstdag bij de vader tot 18:30 uur;
- op zondag 28 december 2025 gaat [minderjarige 1] naar de vader van 11:00 uur tot 18:30 uur en op 31 december 2025 (Oudjaar) is zij bij de vader, mede uit veiligheids-oogpunt (vuurwerk) en wel van 14:00 uur op 31 december tot en met 1 januari 2026 15:00 uur;
- [minderjarige 1] is van zaterdag 3 januari 2026 vanaf 11:00 uur tot en met zondag 4 januari 2026 18:30 uur bij de vader;
- daaropvolgend is [minderjarige 1] wekelijks bij de vader, te weten met ingang van 9 januari 2025 van zaterdag 17:00 uur tot zondag 16:30 uur, met dien verstande, dat
a) in geval van een plaatsing in een gezinshuis en afhankelijk van de gewenningsperiode aldaar de frequentie kan wijzigen naar één maal per veertien dagen, zij het telkens onder auspiciën van het Leger des Heils, de gecertificeerde instelling;
b) aan de coach van de vader de ruimte wordt gelaten om ook soms onaangekondigd het verloop van de omgang tussen [minderjarige 1] en de vader mee te maken en daarvan schriftelijk verslag te doen aan de advocaat van de vader en aan het Leger des Heils;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek van de vader voor het overige aan tot 15 juni 2026 Pro Forma, in afwachting van schriftelijk bericht van de GI, zoals hiervóór in alinea 6.4 toegelicht;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: