ECLI:NL:RBZWB:2025:8609

ECLI:NL:RBZWB:2025:8609, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-11-2025, 11511520 \ CV EXPL 25-466

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer 11511520 \ CV EXPL 25-466
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

Overeenkomst van opdracht. Facturen. Gedaagde in conventie weigert betaling van nog openstaande facturen van de schoonzoon van haar inmiddels ontslagen directeur. De schoonzoon stelt werkzaamheden te hebben verricht en beroept zich op mondelinge afspraken met zijn schoonvader. Het verweer van gedaagde slaagt niet. In reconventie vordert eiseres van de schoonzoon terugbetaling van facturen omdat hij gedurende enkele weken in België een uitkering genoot en dus niet kan hebben gewerkt. Daarin wordt eiseres wel gevolgd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11511520 \ CV EXPL 25-466

Vonnis van 26 november 2025

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[partij 1]

te [plaats 1] (België)

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

hierna te noemen: [partij 1]

gemachtigde: mr. M.M.A.A. van Oosterhout

tegen

de besloten vennootschap

[partij 2]

te [plaats 2]

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

hierna te noemen: [partij 2]

gemachtigde: mr. W.A.A. van Kuijk

1. De zaak in het kort

In dit geschil is de vraag aan de orde of facturen voor werkzaamheden moeten worden betaald. [partij 2] handelt in apparatuur en materialen voor zeefdruk en printen. De onderneming werd in 2009 opgericht door de [broers] . Zij bemoeiden zich niet met de dagelijkse gang van zaken binnen de onderneming. Die werd geleid door titulair directeur [naam 1] . Op 28 september 2024 werd [naam 1] op staande voet ontslagen op grond van, kort gezegd, (de verdenking van) benadeling van [partij 2] ten voordele van zichzelf en schending van het vertrouwen dat in hem was gesteld. [naam 2] is de schoonzoon van [naam 1] en vennoot van [partij 1] . Vanaf augustus 2023 verrichtte hij namens [partij 1] in opdracht van [partij 2] c.q. [naam 1] werkzaamheden in de onderneming van [partij 2] . De in verband daarmee door [partij 1] wekelijks ingediende facturen werden steeds betaald, tot de factuur betreffende week 30 van 2024 die, evenals volgende facturen, onbetaald bleef. Volgens [partij 2] is [naam 2] betrokken bij concurrerende ondernemingen, zijn afspraken niet vastgelegd en ontbreekt een registratie van gewerkte uren.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 april 2025;

- de aktes van [partij 1] met producties 01 t/m 04 en productie 05;

- de brief van [partij 2] van 19 juni 2025 met productie 7 en verbetering van het petitum van de eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;

- de mondelinge behandeling van het geschil op 25 juni 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

3. De feiten

Bij de beoordeling van het geschil zijn de volgende door partijen naar voren gebrachte feiten van belang:

€ 1.500,00 voor werkzaamheden in week 33 en € 94,30 voor kilometervergoeding. Tevens heeft [partij 1] op diezelfde dag 4 facturen aan [partij 2] gestuurd, telkens ter grootte van € 1.594,00 voor werkzaamheden en een kilometervergoeding in de opeenvolgende weken 34 t/m 37.

Op alle facturen van [partij 1] is een vervaldatum van 14 dagen na de factuurdatum vermeld.

In een brief van 21 november 2024 aan haar gemachtigde werd [partij 2] gesommeerd om de facturen te voldoen. Daarbij werd tevens aangezegd dat [partij 2] buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou worden indien zij niet tijdig aan de sommatie zou voldoen.

4. Het geschil

in conventie

[partij 1] vordert dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij 2] wordt veroordeeld om aan haar € 10.899,56 te betalen, te vermeerderen met de te vervallen wettelijke rente c.q. contractuele rente vanaf de dag van de vervaltermijn van de factuur tot aan de dag van de betaling, alsmede de kosten van de procedure.

[partij 2] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij 1] in de kosten van deze procedure.

in reconventie

Met inachtneming van het door haar gewijzigde petitum, vorderde [partij 2] in reconventie aanvankelijk dat [partij 1] zou worden veroordeeld, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om ter zake van onverschuldigd betaalde facturen een bedrag van € 20.406,87 aan haar te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft zij die hoofdsom verminderd tot € 6.730,00. Daarnaast vordert zij dat [partij 1] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

[partij 1] voert hiertegen verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij 2] en veroordeling van [partij 2] in de kosten van deze procedure, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5. De beoordeling

in conventie

[partij 1] vordert betaling door [partij 2] van facturen, buitengerechtelijke incassokosten en vertragingsrente tot een bedrag van in totaal € 10.899,56. Zij stelt dat zij voor [partij 2] werkzaamheden heeft verricht. Zes facturen die zij in verband daarmee heeft opgemaakt zijn niet betaald. Het gaat om een bedrag van in totaal € 9.835,30. Zij heeft [partij 2] aangemaand te betalen en uiteindelijk haar daartoe gesommeerd. Voor die werkzaamheden vordert [partij 1] € 866,75. Daarenboven vordert zij € 197,51 wegens vertragings-rente.

[partij 2] betwist enig bedrag aan [partij 1] verschuldigd te zijn. Samengevat meent zij dat [naam 2] betrokken is bij met [partij 2] concurrerende ondernemingen, dat de bevoegde vertegenwoordiger van [partij 2] geen afspraken met [partij 1] heeft gemaakt op basis waarvan [partij 1] tegen betaling werkzaamheden zou verrichten, dat [naam 2] in de weken 30 tot en met 37 (22 juli tot en met 30 september) 2024 niet ten behoeve van [partij 2] heeft gewerkt en dat uit de facturen niet blijkt wanneer is gewerkt en hoe de factuur is opgebouwd (uur x tarief), daarin een onderbouwing van de kilometervergoeding ontbreekt en evenmin een onderbouwing voor de post “verkoop” is gegeven.

Overwogen wordt dat uit de lange inleiding van het verweer in de conclusie van antwoord wel blijkt dat de eigenaar van [partij 2] van mening is dat [naam 1] het commerciële succes van [partij 2] ernstig heeft ondermijnd doordat hij gedurende zijn dienstverband met [partij 2] voor rekening van zijn eigen onderneming [b.v. 1] concurrerende activiteiten heeft uitgevoerd, en dit nota bene in de vestiging van [partij 2] en met door [partij 2] betaalde arbeidskrachten. [naam 1] werd uiteindelijk op staande voet ontslagen en de activiteiten van [partij 2] werden met een fors verlies noodgedwongen beëindigd, aldus [partij 2] . Uit de omstandigheid dat [naam 2] de schoonzoon is van [naam 1] , hij, althans [partij 1] door [naam 1] werd ingehuurd, hij samen met de echtgenote van [naam 1] bestuurder is van [b.v. 2] , een firma waarvan [naam 1] eerder bestuurder was, en hij volgens [partij 2] samen met de dochter van [naam 1] betrokken was hij [b.v. 1] en dus wist van [naam 1] activiteiten en daaraan actief deelnam lijkt [partij 2] de gevolgtrekking te maken dat [naam 2] mede debet is aan de deconfiture van haar onderneming. [naam 2] betwist dat dit het geval is.

In deze procedure wordt echter geen onderzoek verricht naar, of een oordeel gegeven over het gestelde concurrerende handelen door [naam 1] en de gevolgen daarvan voor [partij 2] . Hier ligt enkel de vraag voor of [partij 2] gehouden is de facturen van [partij 1] te voldoen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het verweer van [partij 2] onvoldoende steekhoudend om de vordering af te wijzen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Vast staat dat [naam 1] destijds operationeel directeur was van [partij 2] . Naar eigen zeggen werd bij de oprichting van [partij 2] afgesproken dat de [broers] inhoudelijk geen directe bemoeienis met [partij 2] zouden hebben. [naam 1] stuurde de onderneming zelfstandig aan, aldus [partij 2] . Daarvan uitgaande stond het [naam 1] vrij om met zijn schoonzoon een overeenkomst van opdracht aan te gaan op grond waarvan [naam 2] voor [partij 2] werkzaamheden zou verrichten. Dat, zoals [partij 2] in haar conclusie van antwoord opmerkt, op grond van de inschrijving in het handelsregister alleen [naam 3] bevoegd is om een zodanige afspraak te maken, gaat voorbij aan de eerder vermelde afspraak met betrekking tot de feitelijke vertegenwoordigings-bevoegdheid van [naam 1] . Voor zover [partij 2] een beroep doet op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt dit dan ook gepasseerd.

[partij 2] wordt evenmin gevolgd in haar betwisting dat met [partij 1] afspraken zijn gemaakt op basis waarvan [naam 2] tegen betaling werkzaamheden zou verrichten, voor zover althans zij daarmee bedoelt de vordering af te wenden. Weliswaar zijn, naar [partij 1] ook erkent, gemaakte afspraken niet vastgelegd, dit betekent niet dat er geen afspraken zijn gemaakt. Volgens [partij 1] zou zij [naam 2] aan [partij 2] beschikbaar stellen tegen een vergoeding van € 1.500,00 per week, exclusief btw. Tevens werd een kilometervergoeding overeengekomen en werd afgesproken dat [partij 1] bij grotere projecten 2% provisie op gerealiseerde verkopen mocht berekenen. Op basis van die afspraken zijn eerder 21 declaraties van [partij 1] door [partij 2] betaald. Daarbij diende de handtekening van

[naam 3] ter accordering van de betalingsopdracht, aldus [partij 1] . Dit laatste heeft [partij 2] genuanceerd door te stellen dat de financiële administratie werd gevoerd door [naam 1] en betalingen alleen konden worden gedaan met een tweede handtekening door [broers] . Aangenomen moet echter worden dat die tweede handtekening niet plichtmatig werd gezet maar als doel heeft gehad om waar nodig een door [naam 1] geaccordeerde betalingsopdracht te controleren en/of daar navraag over te doen. Gesteld noch gebleken is dat [broers] vragen heeft gesteld bij een of meer van de eerdere opdrachten om een factuur van [partij 1] te betalen. Naar eigen zeggen heeft hij de betalingen geaccordeerd zonder de facturen te hebben gezien. Nu evenmin is gesteld of gebleken dat de zes facturen die thans onderwerp van geschil zijn afwijken van de 21 eerdere facturen van [partij 1] wordt verondersteld dat ook die zes facturen zijn opgemaakt met inachtneming van de tussen [partij 2] ( [naam 1] ) en [partij 1] gemaakte afspraken.

[partij 1] vordert betaling van uren die [naam 2] in de weken 30 en 33 t/m 37 van 2024 voor [partij 2] heeft gewerkt. [partij 2] betwist dat voor haar is gewerkt. Zij voert aan dat [naam 2] betrokken was bij andere, met [partij 2] concurrerende ondernemingen en lijkt in het feit dat de laatste vijf facturen kort na het ontslag van [naam 1] tegelijk zijn ingediend een aanwijzing te zien dat daarvoor geen werkzaamheden zijn verricht. Tegenover de suggesties van [partij 2] voert [naam 2] echter aan dat hij wel degelijk voor [partij 2] werkzaamheden heeft verricht. Dit onderbouwt hij met verschillende verklaringen van personeelsleden van [partij 2] en met e-mailcorrespondentie tussen hem en een andere zzp-er waaruit blijkt van werkzaamheden voor [partij 2] . Daarentegen kan [partij 2] geen e-mails over leggen waaruit zou kunnen blijken dat [naam 2] ten kantore van [partij 2] voor andere ondernemingen werkzaam was. Op de server zijn geen e-mails meer aanwezig, aldus [partij 2] . Naar het oordeel van de kantonrechter komt dit voor risico van [partij 2] en moet er bij gebreke van onderbouwde argumenten waaruit het tegendeel kan volgen van worden uitgegaan dat [naam 2] wel degelijk gedurende de gefactureerde tijd voor [partij 2] werkzaamheden heeft verricht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan [partij 2] stellig en als vaststaand aanneemt, niet is gebleken dat [naam 2] betrokken is (geweest) bij [b.v. 1] en voorts het feit dat hij bestuurder is van [b.v. 2] onvoldoende is om aan te nemen dat hij niet gedurende de gefactureerde uren voor [partij 2] werkzaam is geweest.

Voor de op de facturen vermelde kilometervergoeding en de provisie in verband met een verkoop geldt eveneens dat die volgens [partij 1] zijn gebaseerd op mondelinge afspraken. Bij 5.6 hierboven is reeds overwogen dat wordt aangenomen dat de in rekening gebrachte bedragen met die afspraken in lijn zijn.

Al met al voert [partij 2] te weinig aan om vast te kunnen stellen dat [naam 2] in (een van) de weken waar de facturen op zien niet de door hem gestelde, met [partij 2] ( [naam 1] ) gemaakte afspraken is nagekomen. Dit betekent dat de vordering om de factuurbedragen te betalen zal worden toegewezen.

[partij 2] voert geen zelfstandig verweer tegen de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Overeenkomstig de staffel kan gezien de hoofdsom, [partij 2] ten hoogste € 741,77 exclusief btw, dan wel € 897,54 inclusief btw verschuldigd zijn. Aangezien [partij 1] een bedrag van € 866,75 vordert, zonder dat duidelijk is of zij van het betalen van Nederlandse omzetbelasting is vrijgesteld wordt het gevorderde bedrag toegewezen als ware daarin 21% btw is begrepen. Dat wil zeggen dat het toe te wijzen bedrag niet behoort te worden verhoogd btw.

Omtrent de door [partij 1] gevorderde rente wordt het volgende overwogen. In haar hoofdsom is reeds € 197,51 wegens vertragingsrente opgenomen. Hoe dit bedrag is berekend blijkt niet uit de dagvaarding en is ook overigens door [partij 1] niet toegelicht. Zij vordert bovendien dat ook over dit bedrag wettelijke of contractuele rente wordt toegewezen. Een grondslag daarvoor ontbreekt. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom niet toegewezen.

Verder is niet gesteld of onderbouwd dat tussen [partij 1] en [partij 2] werd overeengekomen dat laatstgenoemde rente verschuldigd zou zijn indien een factuur niet of niet binnen een bepaalde termijn zou zijn betaald. Van verschuldigde contractuele rente kan dan ook geen sprake zijn. Niettemin is [partij 2] rente verschuldigd over de ten onrechte onbetaald gebleven factuurbedragen. Omdat het hier gaat om een handelsovereenkomst en door partijen niet is gesteld, noch is gebleken dat de facturen meer dan één dag na de factuurdata werden ontvangen, wordt de wettelijke handelsrente over de nog verschuldigde factuurbedragen toegewezen vanaf de 31e dag na de factuurdatum.

Over het toe te wijzen bedrag voor incassokosten is [partij 2] de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding verschuldigd.

in reconventie

Na vermindering van haar eis ter zitting vordert [partij 2] betaling van

€ 6.739,00 door [partij 1] . Dit bedrag is de som van de met betrekking tot de weken 24, 26, 27 en 28 door [partij 1] gefactureerde en aan haar uitbetaalde factuurbedragen. Echter, voor die periode heeft [naam 2] een vaderschaps- en geboorte-uitkering aangevraagd en was hij dus niet werkzaam, aldus [partij 2] , die haar stelling onderbouwt met een kopie van het door [naam 2] ondertekende aanvraagformulier.

[naam 2] voert aan dat hij de betreffende dagen wel voor [partij 2] heeft gewerkt en op andere dagen vrij is geweest. Die dagen heeft [partij 1] niet gefactureerd.

Daarin wordt [naam 2] niet gevolgd. In het aanvraagformulier voor de uitkering staat voorgedrukt: “Ik verbind mij ertoe om elke wijziging van deze gegevens binnen de vijftien dagen schriftelijk mee te delen aan mijn sociaal verzekeringsfonds. Ik ben op de hoogte dat elke valse of onvolledige verklaring kan leiden tot de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen en tot gerechtelijke vervolging.”. Gelet hierop mag worden verwacht dat [naam 2] kan aantonen dat hij zijn initiële opgave van de dagen waarop hij verlof zou genieten door middel van een nieuwe opgave heeft aangepast. Zo’n herziene opgave heeft hij niet in het geding gebracht. Het wordt er daarom voor gehouden dat hij in de genoemde periode geboorte- of vaderschapsverlof heeft genoten en de door [partij 1] opgemaakte facturen onjuist zijn. De vordering tot terugbetaling van die facturen, vermeerderd met de wettelijke rente, wordt dan ook toegewezen

6. De proceskosten

in conventie

[partij 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij 1] worden vastgesteld op:

- kosten van de dagvaarding

145,45

- griffierecht

543,00

- salaris gemachtigde

812,00

(2 punten × € 406,00)

Totaal

1.500,45

De in de dagvaarding begrepen kosten wegens ‘info DBR’ komen niet voor vergoeding in aanmerking nu daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Niet valt in te zien dat kosten in verband met (het raadplegen van) het digitaal beslagregister waarvoor onder de noemer verschotten een vergoeding wordt gevorderd, noodzakelijk zijn gemaakt voor de goede verrichting van de betreffende ambtshandeling, in casu het uitbrengen van de dagvaarding, zoals bedoeld in artikel 9 lid 1, onder a van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Op het totaal van de explootkosten is daarom

(€ 057 x 121% =) € 0,69 in mindering gebracht.

in reconventie

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [partij 1] veroordeeld in de proceskosten van [partij 2] . Die kosten worden vastgesteld op € 339,00 voor het salaris van haar gemachtigde (½ x 2 punten).

7. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 9.835,30, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over

€ 1.865,00 vanaf 7 oktober 2024 en over € 7.970,30 vanaf 16 oktober 2024, telkens tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 866,75 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 15 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van [partij 1] ten bedrage van € 1.500,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en dit vonnis daarna wordt betekend;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

veroordeelt [partij 1] om aan [partij 2] te betalen een bedrag van € 6.739,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 26 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van [partij 2] ten bedrage van € 339,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en dit vonnis daarna wordt betekend;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het eventueel meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G.M. Zander en is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?