RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/440003 / FA RK 25-4830
datum uitspraak: 5 december 2025
beschikking op de vraag van de minderjarige door middel van een informele rechtsingang
[minderjarige 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N. Schiettekatte te Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. V.C. Serrarens te Middelburg.
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.
1. Het verloop van de zaak
Op 14 september 2025 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvangen van [minderjarige 1] .
De kinderrechter heeft op 7 oktober 2025 met [minderjarige 1] gesproken over haar e-mailbericht.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de ouders en de Raad uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Hierbij zijn verschenen ouders, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de hierna te noemen ingediende stukken:
- het e-mailbericht van Veilig Thuis van 14 oktober 2025;
- het e-mailbericht van mr. Serrarens van 6 november 2025;
- het e-mailbericht van de vader van 20 november 2025 met bijlagen.
2. De feiten
Ouders zijn getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 10 oktober 2018 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 30 oktober 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Middelburg.
Uit het huwelijk van ouders zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] ;
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] .
Bij beschikking van 3 september 2021 heeft deze rechtbank bepaald dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijf heeft bij de vader en dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft bij de moeder. Daarnaast is - voor zover hier van belang - ten aanzien van [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken bepaald dat er een zorgregeling zal zijn waarbij zij de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder, met als wisseldag dinsdag na schooltijd, ook indien de desbetreffende dinsdag geen schooldag is, en met verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte.
Bij beschikking van 17 oktober 2024 heeft deze rechtbank – voor zover hier van belang – het verzoek van de vader tot het wijzigen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] afgewezen, en verder de beschikking van 3 september 2021 gewijzigd en de daarin bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 3 september 2021 vastgesteld op nihil. Verder is aan de vader – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder – toestemming verleend voor inschrijving van [minderjarige 1] bij [hulpverlening] . Tot slot is bepaald dat de aan de beschikking gehechte tussen ouders opgestelde ouderschapsafspraken deel uitmaken van de beschikking.
3. De vraag van [minderjarige 1]
vraagt de kinderrechter om te bepalen dat zij bij haar vader (en zus) in [plaats 2] mag wonen zodra zij naar het voortgezet onderwijs gaat, en verder - naar de kinderrechter begrijpt uit het kindgesprek met [minderjarige 1] – een zorgregeling te bepalen tussen haar en de moeder van één weekend per 14 dagen alsmede de helft van de vakanties.
4. De standpunten
In haar e-mail en tijdens het gesprek met de kinderrechter brengt [minderjarige 1] , samengevat, het volgende naar voren. [minderjarige 1] wil graag bij haar vader in [plaats 2] wonen. Ze woont nu om de week bij een van haar ouders. Ze zit in [plaats 2] op school en heeft ook de meeste vriendinnen in [plaats 2] . Ze wil graag in [plaats 2] naar het voortgezet onderwijs. Het liefste zou [minderjarige 1] willen dat haar moeder in [plaats 2] komt wonen zodat de huidige zorgregeling kan worden voortgezet. Als dit niet mogelijk blijkt wil zij een zorgregeling met haar moeder van een weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag tot zondagavond, en de helft van de vakanties en feestdagen.
De vader heeft – samengevat en voor zover van belang - verklaard op de hoogte te zijn van de wens van [minderjarige 1] en haar ook te hebben geholpen met de e-mail die zij naar de rechtbank heeft gestuurd. De vader staat achter het verzoek van [minderjarige 1] .
De moeder heeft ter zitting ingestemd met de verzoeken van [minderjarige 1] . De moeder betreurt het dat het niet is gelukt om samen (met de vader) middelbare scholen te bezoeken en vervolgens een keuze te maken. De moeder wil rust voor [minderjarige 1] en ook voor haarzelf.
De Raad maakt zich ondanks de overeenstemming tussen ouders grote zorgen over [minderjarige 1] . Met de overeenstemming van partijen lijkt het onderlinge conflict tussen de ouders nog steeds niet opgelost. De keuze van [minderjarige 1] om bij haar vader te gaan wonen, zal hooguit tijdelijk rust geven. De Raad heeft medegedeeld dat er ambtshalve een beschermingsonderzoek wordt gestart. De Raad acht het van groot belang dat het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder gewaarborgd blijft.
5. De beoordeling van de kinderrechter
[minderjarige 1] heeft de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen.
De kinderrechter merkt op dat [minderjarige 1] nog geen twaalf jaar oud is. De kinderrechter heeft in het gesprek met [minderjarige 1] geconstateerd dat zij duidelijk en consequent kan aangeven wat zij graag wil en waarom. De kinderrechter acht [minderjarige 1] daarom in staat tot een redelijke waardering van haar belangen, mede gelet op het feit dat [minderjarige 1] over drie maanden 12 wordt. De kinderrechter zal [minderjarige 1] daarom ontvangen in haar vraag, conform artikel 1:377g Burgerlijk Wetboek (verder: BW).
Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen. In de wet is bepaald dat de kinderrechter op een vraag van een kind van twaalf jaar of ouder ambtshalve alleen een beslissing kan nemen over (1) het toekennen van eenhoofdig gezag, (2) omgang en informatie (3) de verdeling van de zorg- en opvoedtaken (4) benoeming van een bijzondere curator. In artikel 1:253a lid 4 BW wordt artikel 1:377g BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Hieruit leidt de kinderrechter af dat de in artikel 1:377g BW genoemde informele rechtsingang voor minderjarigen van twaalf jaar en ouder ook open staat voor minderjarigen die een ambtshalve beslissing wensen betreffende het in artikel 1:253a lid 2 onder b BW genoemde hoofdverblijf, nu dat naar het oordeel van de kinderrechter het “mindere” betreft ten opzichte van een gezagswijziging (zie bijvoorbeeld ook ECLI:NL:RBALK:2011:BQ1141). Megan kan daarom worden ontvangen in haar vraag tot wijziging van zowel het hoofdverblijf als de zorgregeling.
Ter zitting hebben ouders overeenstemming bereikt. De moeder heeft ermee ingestemd dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] met ingang van volgend schooljaar bij de vader wordt bepaald. Als datum van deze wijziging geldt 1 september 2026. Verder geldt vanaf dat moment een zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder, van eenmaal per 14 dagen van vrijdagmiddag (na school) tot zondagavond. Overeenkomstig de wens van [minderjarige 1] worden de vakanties en feestdagen vanaf dat moment bij helfte verdeeld, in onderling overleg nader tussen ouders te bepalen.
De kinderrechter overweegt dat sprake is van een zorgelijke situatie. [minderjarige 1] zit duidelijk klem tussen beide ouders. Het lukt ouders niet om die situatie voor [minderjarige 1] te verbeteren. Ouders voeren (reeds jarenlang) een aanhoudende strijd met elkaar en zijn daardoor niet in staat om samen te werken en zaken met betrekking tot [minderjarige 1] te regelen. [minderjarige 1] is hierdoor door haar ouders in een zeer vervelende positie geplaatst, waarbij zij als elfjarige zelf de verantwoordelijkheid op zich heeft moeten nemen om tot een oplossing van de voorliggende situatie te komen. De kinderrechter acht dit een zeer schrijnende situatie, en is van oordeel dat beide ouders [minderjarige 1] hiermee ernstig te kort hebben gedaan.
Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat [minderjarige 1] rust nodig heeft. Zij probeert een oplossing te vinden om zich staande te houden in de aanhoudende strijd van haar ouders. Een co-ouderschap, zoals thans aan de orde, is dan ook niet langer passend. Daarvoor is een goede communicatie en samenwerking tussen de ouders noodzakelijk, welke in het geheel ontbreekt. Het ligt bovendien in de lijn der verwachtingen dat zij in [plaats 2] naar de middelbare school zal gaan, nu zij altijd in [plaats 2] naar school is gegaan en haar zus en haar vriendinnen dan in de buurt zijn. De wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling komt de kinderrechter dan ook in het belang van [minderjarige 1] voor en zal, mede gelet op de overeenstemming tussen ouders, op onderstaande wijze worden bepaald. De kinderrechter wijst er wel op dat ervoor gewaakt moet worden dat [minderjarige 1] het contact met haar moeder volledig verliest. De kinderrechter spreekt haar hoop uit dat middels het kinderbeschermingsonderzoek een manier wordt gevonden om [minderjarige 1] te ondersteunen daarin.
Ouders zijn verdeeld gebleven over het halen en brengen. De kinderrechter zal hierover een beslissing nemen. De moeder heeft verzocht het halen en brengen te verdelen tussen ouders, zodat beide ouders daarmee aan [minderjarige 1] impliciet kunnen laten zien dat zij het contact met de andere ouder stimuleren. De vader heeft uitdrukkelijk verklaart dat hij niet naar [plaats 1] rijdt om [minderjarige 1] te brengen of te halen. Hij stelt dat moeder degene is die is vertrokken, dat hij daartoe niet is verplicht en bovendien heeft hij angst voor de partner van de moeder.
De kinderrechter zal het gebruikelijke uitgangspunt hanteren, namelijk dat het brengen en halen voor de uitvoering van de zorgregeling een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders is en bij helfte wordt gedeeld. De kinderrechter zal bepalen dat de vader [minderjarige 1] op vrijdag naar de moeder brengt om zo ook uit te dragen dat hij achter het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder staat. Gelet op de ter zitting gestelde angst van de vader voor de partner van de moeder gaat de kinderrechter er vanuit dat de partner van de moeder zich op dat moment afzijdig houdt en niet aan de deur zal komen. De moeder dient [minderjarige 1] op zondagavond weer naar de vader terug te brengen.
6. Brief aan [minderjarige 1]
De kinderrechter vindt het belangrijk om [minderjarige 1] een brief te sturen met uitleg over haar beslissing en beide ouders daarvan op de hoogte te stellen. In deze brief die [minderjarige 1] op het e-mailadres ontvangt waarmee zij haar vraag aan de rechtbank heeft gesteld, leest zij het volgende.
Beste [minderjarige 1] ,
Naar aanleiding van ons gesprek heb ik met jouw ouders gesproken. Bij dat gesprek waren ook de advocaten van jouw ouders aanwezig en de Raad voor de Kinderbescherming.
Jouw moeder heeft ingestemd met jouw verzoek, omdat zij rust wil voor jou. Vanaf 1 september zal jij daarom je hoofdverblijfplaats bij je vader hebben en vanaf dat moment geldt ook een zorgregeling van 1 keer in de 14 dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond. De vakanties en de feestdagen worden bij helfte tussen je ouders verdeeld.
De Raad voor de Kinderbescherming vraagt zich af of hiermee inderdaad rust ontstaat voor jou. Je ouders hebben namelijk hun probleem nog niet opgelost: ze kunnen nog steeds niet goed samenwerken en ook niet met elkaar overleggen over jou. De Raad voor de Kinderbescherming gaat daarom een onderzoek doen. Dat staat verder los van deze procedure. Ik hoop dat de Raad voor de Kinderbescherming een manier gaat vinden waarop ze jou kunnen helpen om je staande te houden tussen je ouders die maar ruzie blijven maken met elkaar, terwijl ze eigenlijk moeten samenwerken.
Ik hoop dat deze nieuwe situatie vanaf 1 september 2026 jou gaat bieden wat je zoekt. Je kan altijd weer opnieuw een brief aan de rechtbank sturen. Dat mag overigens ook per mail en kan ook zonder dat je nette woorden gebruikt.
De kinderrechter.
7. De beslissing van de kinderrechter
De kinderrechter:
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 3 september 2021 voor wat betreft het hoofdverblijf en de zorgregeling met betrekking tot [minderjarige 1] als volgt:
bepaalt met ingang van 1 september 2026 het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader;
bepaalt dat met ingang van 1 september 2026 in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken ten aanzien van [minderjarige 1] er een zorgregeling zal zijn waarbij zij gedurende één weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond bij de moeder zal verblijven, waarbij de vader [minderjarige 1] op vrijdagmiddag brengt naar de moeder en de moeder [minderjarige 1] op zondagavond weer terugbrengt naar de vader met inachtneming van hetgeen hierover in rechtsoverweging 5.8 verder is overwogen, met verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025 in aanwezigheid van De Pooter, griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.