ECLI:NL:RBZWB:2025:8631

ECLI:NL:RBZWB:2025:8631, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-12-2025, BRE 25/5084

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie 17-12-2025
Zaaknummer BRE 25/5084
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

NTB AVG

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de korpschef van politie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de korpschef volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2025 en het aanvullende besluit van 23 april 2025 inhoudende de gedeeltelijke toewijzing van het inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep kennelijk gegrond?

3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft de korpschef op 29 augustus 2025 in gebreke gesteld. De korpschef heeft de ingebrekestelling op 1 september 2025 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.

Welke beslistermijn wordt aan de korpschef worden opgelegd?

4. Omdat de korpschef nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de korpschef dit alsnog moet doen.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de korpschef dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.

De korpschef geeft in het verweerschrift van 7 november 2025 aan dat er nog niet is beslist, omdat de korpschef meerdere inzageverzoeken van eiser in behandeling heeft. De inventarisatie en beoordeling van de in deze verzoeken verzochte informatie vergt, mede gelet op de vereiste zorgvuldigheid en de telkens ruime reikwijdte van die verzoeken, de nodige tijd. Helaas heeft de korpschef ook nog te maken met onderbezetting en personeelswisselingen, waardoor de behandeling van deze verzoeken extra vertraging oploopt. De korpschef verwacht dat op 10 december 2025 een hoorzitting zal plaatsvinden. De korpschef zal zich vervolgens inspannen om nog voor het einde van het jaar op het bezwaar te beslissen. De korpschef meent dat voor het verbinden van een dwangsom aan de uitspraak geen aanleiding bestaat, omdat er alsnog een beslissing zal worden genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Gelet op wat de korpschef heeft aangegeven in het verweerschrift acht de rechtbank een langere termijn dan twee weken wenselijk. De rechtbank acht het in dit geval redelijk dat de korpschef een nadere beslistermijn van drie weken krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar.

Welke dwangsom wordt aan de korpschef opgelegd?

5. De rechtbank oordeelt dat er wel een dwangsom aan de uitspraak wordt verbonden en bepaalt dat de korpschef een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de korpschef. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de korpschef de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de korpschef de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.

7. Omdat het beroep gegrond is, moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat de korpschef aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;

- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 9 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I.M. Josten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?