beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/433596 / FA RK 25-1610
Datum uitspraak: 5 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer betreffende beëindiging van het gezag
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarige
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbenden in deze procedure worden aangemerkt:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos te Goes,
[de pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [plaats 2] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Middelburg.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 26 maart 2025 ingekomen verzoek tot gezagsbeëindiging, met bijlagen;
- de op 31 maart 2025 ingekomen schriftelijke bereidverklaring van de GI van 31 maart 2025.
Het verzoek is mondeling behandeld door de meervoudige kamer met gesloten deuren op 18 november 2025. Bij die gelegenheid is verschenen de moeder, bijgestaan door haar waarnemend advocaat, mr. M.A. Brewel. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
Alhoewel correct en tijdig opgeroepen, zijn de pleegouders niet verschenen.
2. De feiten
De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 22 april 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met
ingang van 22 april 2022 en tot 22 april 2023. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 22 april 2026.
Bij beschikking van 22 april 2022 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 22 april 2022 en tot 22 oktober 2022. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 22 april 2026.
[minderjarige] verblijft op basis van deze machtiging in een pleeggezin.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige [minderjarige] te beëindigen en adviseert Jeugdbescherming west Zeeland te belasten met de voogdij over [minderjarige] . Daarbij verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd doordat de moeder al lange tijd is belast met forse verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek. Het is de moeder de afgelopen jaren niet gelukt om blijvend af te kicken. Het drugsgebruik van de moeder is volgens de Raad nog actueel, maar wordt door de moeder ontkend of gebagatelliseerd. Daarnaast zijn de benodigde behandelingen voor de onverwerkte trauma’s van de moeder niet succesvol afgerond dan wel onvoldoende van de grond gekomen. Daardoor lukt het de moeder ondanks de inzet van intensieve hulpverlening niet om binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn tegemoet te komen aan wat [minderjarige] nodig heeft. De moeder is vanwege haar problematiek niet altijd beschikbaar en bereikbaar voor de hulpverlening, en met momenten onvoldoende in staat om weloverwogen beslissingen te maken in het belang van [minderjarige] . Weliswaar werkt de moeder gezagsbeslissingen niet tegen, maar het is voorgekomen dat zij onder invloed van middelen en dus onvoldoende bewust haar handtekening heeft gezet. Daarnaast zijn de gezagsbeslissingen de afgelopen jaren enkel tot stand gekomen omdat de GI alles daaromheen regelt. Het lukt de moeder niet om hierin haar verantwoordelijkheid te nemen. Dat geldt ook ten aanzien van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . De GI zet erg veel in om dit contact te organiseren en faciliteren. De aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken en het perspectief van [minderjarige] is bij de pleegouders bepaald, waar hij al woont sinds hij negen maanden oud is. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat hier duidelijkheid over blijft betstaan. Vanwege de problematiek van de moeder acht de Raad het vrijwillig kader ontoereikend om [minderjarige] deze duidelijkheid te bieden. Daarom is het noodzakelijk dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. De aandacht kan dan in het vervolg volledig worden gericht op het contact tussen de moeder en [minderjarige] , waar beiden veel behoefte aan hebben. De Raad handhaaft zijn advies om bij een toewijzing van het verzoek Stichting Jeugdbescherming west Zeeland te benoemen tot voogdes, aangezien de GI in het kader van de ondertoezichtstelling inmiddels langdurig is betrokken bij [minderjarige] en de moeder, en het contact tussen [minderjarige] en de moeder zo ongestoord kan worden voortgezet.
Door en namens de moeder wordt primair afwijzing van het verzoek bepleit. Er wordt niet voldaan aan de vereisten die de Nederlandse wet en het EHRM aan een gezagsbeëindiging stellen en op basis waarvan de rechtbank hiertoe kan overgaan, maar niet toe verplicht is. Volgens de moeder is de beëindiging van haar gezag over [minderjarige] niet noodzakelijk, omdat de huidige situatie goed verloopt en op geen enkele wijze een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder is bereikbaar voor de GI en de pleegouders en er is sprake van constructief overleg en een goede samenwerking. Ook verleent de moeder haar medewerking aan alle maatregelen en beslissingen en handelt zij steeds in het belang van [minderjarige] . De Raad baseert zich bovendien op verouderde informatie; de moeder is al een jaar lang abstinent van alcohol en gebruikt enkel nog pijnmedicatie. Aan deze medicatie is zij niet verslaafd en dit beïnvloedt haar vermogen om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen niet. Het is evenmin in het verleden voorgekomen dat de moeder onder invloed van middelen niet bereikbaar was op het moment dat zij een gezagsbeslissing moest nemen. Eventuele wilsonbekwaamheid van de moeder wordt niet onderbouwd. De moeder betwist dan ook dat zij niet in staat is (geweest) om bewuste en doordachte beslissingen over [minderjarige] te nemen. Dat de moeder veel ondersteuning behoeft en daar ook naar vraagt, doet daar niet aan af. Volgens de moeder baseert de Raad het verzoek op een mogelijke toekomstige terugval van de moeder in middelen waardoor zij niet (tijdig) in staat zou zijn om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Dit is louter preventief en kan zonder onderbouwing niet leiden tot een ingrijpende maatregel als een gezagsbeëidiging. De moeder ziet verder in dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin ligt en verleent hier (emotionele) toestemming voor. Het is dus duidelijk voor [minderjarige] dat hij bij de pleegouders zal opgroeien. Het voortzetten van het gezag schaadt [minderjarige] derhalve niet. Het voorgaande maakt ook dat de huidige situatie in het vrijwillig kader kan worden voortgezet. De moeder staat tevens open voor het verlengen van de kinderbeschermingsmaatregelen. Tot slot merkt de moeder op dat het behoud van het gezag een grote drijfveer voor haar is om beschikbaar te blijven voor [minderjarige] , terwijl het beëindigen van het gezag mogelijk zal leiden tot een verminderde betrokkenheid bij [minderjarige] , minder contact en uiteindelijk een minder goede band, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is.
Subsidiair verzoekt de moeder, als de rechtbank komt tot een gezagsbeëindiging, om de voogdij bij zowel de pleegouders als de GI te beleggen. Dit omdat [minderjarige] al lange tijd bij de pleegouders woont, waardoor zij hem goed kennen en vanuit hun dagelijkse betrokkenheid het beste kunnen voorzien in zijn opvoedings- en ontwikkelingsbehoeften. De moeder heeft vertrouwen in de wijze waarop de pleegouders invulling geven aan de zorg voor [minderjarige] en de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders verloopt goed. Tegelijkertijd vreest de moeder ervoor dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder moeizamer zal verlopen als de pleegouders alleen met de voogdij over [minderjarige] worden belast. Ook vreest zij dat de pleegouders [minderjarige] mogelijk zullen claimen als het gezag uitsluitend bij hen zal worden belegd. Vandaar dat zij ook de blijvende betrokkenheid van de GI nodig acht.
Tot slot verzoekt de moeder de rechtbank om, als het gezag van de moeder wordt beëindigd, de GI erop te wijzen dat zij actief en structureel invulling moet geven aan de informatieplicht richting de moeder.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. De moeder laat de laatste tijd weliswaar een vooruitgang zien, maar het lukt haar niet om volledig abstinent te blijven van middelen. Er zijn recent nog signalen vanuit de omgeving van de moeder gekomen dat zij nog middelen gebruikt. De moeder ziet dat zelf onvoldoende in doordat zij niet beschikt over probleeminzicht, en geeft uiteindelijk aan dat zij niet aan deze middelen verslaafd is. Deze problematiek leidt er volgens de GI toe dat het voortzetten van het gezag schadelijk is voor [minderjarige] . De GI licht toe dat er in het verleden wel eens ethische dilemma’s zijn geweest waarbij de moeder onder invloed haar handtekening heeft gezet. Dit is recent niet meer voorgekomen. Voorts benoemt de GI dat de moeder erg ambivalent is. Zo wil zij het ene moment dat de pleegouders met de voogdij worden belast als haar gezag wordt beëindigd, maar komt zij daar nu weer op terug. Eenzelfde patroon is zichtbaar ten aanzien van het perspectief van [minderjarige] . Met momenten wil de moeder dat [minderjarige] straks bij haar komt wonen, hetgeen zij dan ook tegen [minderjarige] vertelt. Daarmee handelt de moeder niet in het belang van [minderjarige] . Ook vreest de GI hierdoor dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin in het vrijwillig kader onder druk komt te staan. De aanvaardbare termijn is ruimschoots verstreken en het perspectief van [minderjarige] is in het pleeggezin bepaald, waar hij al woont sinds hij negen maanden oud is. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en heeft met beide pleegouders een goede band. Ook heeft de hulpverlening aan de pleegouders naar aanleiding van signalen van [minderjarige] over hun opvoedingeen positieve uitwerking gehad. Deze is inmiddels positief afgerond. Er zijn vanuit de GI geen zorgen meer over de opvoedsituatie bij de pleegouders. [minderjarige] verdient blijvende duidelijkheid dat hij verder in het pleeggezin mag opgroeien. Dit kan niet met het telkens verlengen van de maatregelen worden bereikt, omdat dit, los van de omstandigheid dat de maatregelen daar niet voor zijn bedoeld, continu stress en onrust zal opleveren. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . Verder benoemt de GI dat de huidige situatie enkel heeft kunnen voortbestaan doordat de GI en de betrokken hulpverlening de moeder continu ontzettend veel – veel meer dan kan worden verwacht – ondersteunen op allerlei gebieden. Zo heeft de GI de moeder enige tijd geleden van de straat gehaald en ervoor gezorgd dat zij op haar huidige opvanglocatie kan verblijven. Ook stelt de GI alles in het werk om ervoor te zorgen dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] doorgang kan vinden, ook wanneer de verantwoordelijkheid daarvoor niet bij de GI ligt. Er wordt ook niet meer aan de voorwaarde vastgehouden dat de moeder nuchter moet zijn om [minderjarige] te zien, omdat dat voor de moeder niet haalbaar is gebleken. [minderjarige] heeft het recht om goed op te groeien en een gezagsbeëindiging zal hem de meeste stabiliteit opleveren. Daarbij benadrukt de GI dat de gezagsbeëindiging niet afdoet aan het feit dat het heel belangrijk is dat de moeder betrokken blijft bij [minderjarige] . Tot slot benoemt de GI dat zij de voogdij over [minderjarige] aanvaardt, maar uiteindelijk wil onderzoeken of de voogdij bij de pleegouders kan worden belegd, omdat de communicatie tussen de moeder en de pleegouders heel goed is.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1: 266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
Verder bepaalt artikel 8 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat een ieder recht heeft op respect voor, onder andere, zijn familie- en gezinsleven. Een gezagsbeëindiging vormt onmiskenbaar een inbreuk op dit recht. Een dergelijke inmenging vanuit de overheid is volgens artikel 8 lid 2 EVRM daarom alleen gerechtvaardigd als deze bij de wet is voorzien (in deze zaak: artikel 1:266 BW). Daarnaast dient ingevolge dit artikel de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind (vgl. onder meer ECLI:NL:GHSHE:2025:1987 en ECLI:NL:GHSHE:2025:860). Dit uitgangspunt brengt tevens mee dat het nagestreefde doel niet met een lichtere maatregel kan worden bereikt. Dit wordt ook wel het subsidiariteitsbeginsel genoemd. Tot slot moet er een redelijke verhouding bestaan tussen de inmenging en het daarmee beoogde doel. Dit wordt ook wel het proportionaliteitsbeginsel genoemd.
Niet is gebleken dat de moeder het gezag over [minderjarige] misbruikt. Wel vindt de rechtbank dat er sprake is van de eerste grond voor de beëindiging van het gezag van de moeder. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] namelijk geschaad als de moeder haar gezag behoudt. De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige] in zijn jonge leven al veel heeft meegemaakt. Al gedurende de zwangerschap en direct na de geboorte van [minderjarige] was er diverse hulpverlening bij de moeder en [minderjarige] betrokken vanwege de op dat moment al jarenlange verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek van de moeder. In de thuissituatie bij de moeder heeft [minderjarige] vervolgens onvoldoende stabiliteit en veiligheid gekend en heeft hij de emotionele en fysieke beschikbaarheid van de moeder moeten missen. Als gevolg daarvan werd [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Toen de moeder enkele maanden na de geboorte van [minderjarige] opnieuw terugviel in alcohol- en middelengebruik, is [minderjarige] op vrijwillige basis in zijn huidige pleeggezin geplaatst. Enige tijd later werd [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en werd de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin geformaliseerd met een machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder was vanwege haar problematiek onvoldoende in staat om in de behoeften van [minderjarige] te voorzien, bewuste en doordachte beslissingen te nemen en consequent en onbelast contact met [minderjarige] te laten plaatsvinden.
Uit het onderzoek van de Raad blijkt dat deze situatie zich de daarop volgende jaren, ondanks de inzet van diverse hulpverlening, steeds heeft voortgezet. Er is traumatherapie voor de moeder ingezet, maar deze is niet succesvol afgerond. Ook is de moeder meermaals in [stichting] opgenomen geweest en is zij een afkicktraject gestart. Desondanks is de moeder de afgelopen jaren steeds weer teruggevallen in middelengebruik, waarbij zij lastig te bereiken was, niet adequaat kon reageren en fysiek en mentaal achteruit ging. De GI heeft toegelicht dat zij de moeder op een gegeven moment van de straat heeft gehaald en ervoor heeft gezorgd dat de moeder op haar huidige opvanglocatie kan verblijven. De moeder was gedurende deze tijd ook onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige] . Er zijn diverse omgangsmomenten afgezegd of ingekort, waar [minderjarige] veel last van had. Hier was volgens de GI begin dit jaar nog sprake van. Daarnaast geeft de GI aan dat het is voorgekomen dat de moeder een gezagsbeslissing heeft moeten nemen terwijl zij onder invloed van middelen verkeerde. Dit vindt de rechtbank zeer zorgelijk. Ondanks dat er niet door een professional of met stukken is onderbouwd dat er sprake is geweest van wilsonbekwaamheid van de moeder, is het naar het oordeel van de rechtbank op basis van het raadsrapport en het besprokene ter zitting voldoende komen vast te staan dat de moeder (nog steeds) middelen gebruikt en dat zij daardoor onvoldoende in staat is om beslissingen te nemen voor [minderjarige] . De persoonlijke begeleider heeft hierover in het gesprek met de Raadsonderzoeker bijvoorbeeld gesteld dat het middelengebruik van de moeder en haar onderliggende trauma het lastig voor haar maken om bewuste keuzes te maken. De vertegenwoordiger van de GI, die de moeder al lang kent en begeleidt, bevestigt dit beeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende komen vast te staan dat de moeder de afgelopen jaren vanwege haar problematiek onvoldoende in staat is geweest om weloverwogen beslissingen over [minderjarige] te nemen en invulling te geven aan haar ouderlijk gezag over [minderjarige] . De moeder heeft de gezagsbeslissingen weliswaar niet geblokkeerd, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank vooral het gevolg van de wijze waarop de GI zich continu voor de moeder heeft ingezet en de moeder telkens heeft ondersteund. Daarbij neemt de rechtbank ook nog in overweging dat door en namens de moeder niet is onderbouwd op welke wijze de moeder de afgelopen jaren invulling heeft gegeven aan haar gezag, anders dan dat zij daarbij steeds de GI heeft gevolgd.
Inmiddels gaat het volgens de moeder beter met haar en heeft zij haar alcoholverslaving onder controle. Ondanks dat dit positieve ontwikkelingen zijn, is het de rechtbank gebleken dat er ook nog recente signalen zijn waaruit blijkt dat er nog steeds sprake is van middelengebruik door de moeder. Daardoor is de moeder emotioneel en fysiek met momenten nog steeds onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige] en niet altijd in staat om weloverwogen beslissingen over [minderjarige] te maken. Zowel de Raad als de GI geven daarbij aan dat de moeder dit middelengebruik ontkent of bagatelliseert vanwege haar beperkte probleeminzicht. Verder is het de rechtbank gebleken dat de moeder onder invloed van haar problematiek ambivalent kan zijn en dat zij, wanneer het (even) beter met haar gaat, [minderjarige] betrekt in haar impulsieve gedachten en gevoelens. Ze kan dan bijvoorbeeld tegen [minderjarige] zeggen dat hij binnenkort bij haar kan komen wonen, terwijl daar in werkelijkheid geen zicht op is.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het in stand laten van de huidige situatie niet in het belang van [minderjarige] en zelfs schadelijk voor zijn verdere ontwikkeling. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook voldaan aan de eis die het EHRM aan de gezagsbeëindiging stelt. In dit verband overweegt de rechtbank dat in de loop der jaren het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) het belang van het kind steeds uitdrukkelijker is gaan meewegen bij deze belangenafweging. De eerdere herenigingsdoelstelling (hereniging van het kind met de ouders) heeft daardoor in zaken over pleeggezinplaatsingen steeds meer plaats moeten maken voor de continuïteitsdoelstelling (de wenselijkheid in bepaalde gevallen dat het kind blijft verblijven bij de pleegouders). De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak Strand Lobben (EHRM 30 november 2017, nr. 37283/13). Uit deze uitspraak volgt juist dat het belang van het kind bij duidelijkheid, continuïteit en een ongestoord hechtingsproces in voorkomend geval zwaarder kunnen wegen dan het belang van de moeder bij behoud van haar gezag (zoals ook volgt uit ECLI:NL:GHDHA:2025:619). De rechtbank is van oordeel dat van deze situatie in de onderhavige zaak sprake is. De rechtbank ziet onvoldoende mogelijkheden bij de moeder om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] nu en in de nabije toekomst in voldoende mate vorm te geven, waardoor het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin is komen te liggen. Daarbij overweegt de rechtbank dat [minderjarige] de afgelopen jaren steeds in zijn huidige pleeggezin heeft kunnen verblijven. Hij heeft daar zijn ontwikkelingsachterstand ingehaald en het gaat daar erg goed met hem. Enige tijd geleden waren er wat zorgen over het pleeggezin, maar daar heeft de GI direct en voortvarend passende hulpverlening voor ingezet, hetgeen een positieve uitwerking heeft gehad. De hulpverlening is inmiddels succesvol afgerond en uitgeen de GI tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, begrijpt de rechtbank dat er geen zorgen meer zijn over de opvoedsituatie van [minderjarige] in het pleeggezin. [minderjarige] wordt in het pleeggezin op een passende wijze in zijn ontwikkeling ondersteund en hij kan hier blijven wonen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om deze situatie vanuit het vrijwillig kader voort te zetten, omdat de moeder vanwege haar problematiek ambivalent kan zijn en de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin met momenten niet of onvoldoende accepteert. Al het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het gezag van de moeder beëindigd dient te worden. De rechtbank zal daarom het verzoek van de Raad toewijzen.
De rechtbank benadrukt dat de beslissing om het gezag van de moeder te beëindigen niet betekent dat zij vanaf nu geen belangrijke rol meer in het leven van [minderjarige] zal spelen. De moeder blijft altijd de moeder van [minderjarige] en is daarom erg belangrijk in zijn leven. De rechtbank gunt de moeder, en [minderjarige] in het bijzonder, een betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige] , maar daarvoor is het wel noodzakelijk dat de moeder haar verslavingen en problematiek (verder) onder controle krijgt. De rechtbank gaat er vanuit dat de GI zich zal blijven inspannen voor het contact tussen [minderjarige] en de moeder en de moeder ook waar nodig zal voorzien van informatie over [minderjarige] .
Voogdij
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder er toe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, zal de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De Raad adviseert de GI met de voogdij over [minderjarige] te belasten. De GI is al lange tijd betrokken bij [minderjarige] en de moeder, en is bereid de voogdij op zich te nemen. Ook de pleegouders zijn al lange tijd bij [minderjarige] betrokken en hebben goed zicht op zijn ontwikkeling en wat hij nodig heeft. Vanwege de eerdere zorgen in het pleeggezin vinden de Raad en de GI het nu nog te vroeg om de voogdij bij de pleegouders te beleggen. De rechtbank sluit zich daar bij aan. Zij overweegt bovendien dat uit het door de Raad opgestelde rapport blijkt dat de pleegouders op dat moment niet met de voogdij over [minderjarige] belast wilden worden. Nu de pleegouders niet aanwezig waren op de zitting heeft de rechtbank hen niet kunnen vragen of zij op dit punt van gedachten zijn veranderd. Als daar in de toekomst aanleiding voor is, kan alsnog een verzoek tot wijziging van de voogdij worden ingediend. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de GI zich zal blijven inzetten om de moeder te blijven betrekken bij [minderjarige] , ook wanneer de moeder geen gezag meer over hem heeft. Als de voogdij bij de GI ligt, zorgt dit er ook voor dat de pleegouders zich volledig kunnen richten op de opvoeding van [minderjarige] . De relatie tussen de moeder en de pleegouders kan dan positief ingevuld (blijven) worden, omdat beslissingen niet bij de pleegouders liggen, maar bij de voogd als neutrale partij. De voogd kan dan moeilijke beslissingen nemen als dit nodig is, zonder dat er strijd komt tussen de pleegouders en de moeder. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij. Dit betekent dat de GI voortaan de belangrijke beslissingen over [minderjarige] mag nemen.
Rekening en verantwoording
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW wordt de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd, er vanuit gaande dat zij het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan haar opvolger in dit bewind.
Uitvoerbaar bij voorraad
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen de beslissing.
Gezagsregister
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.
6. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1980 te [geboorteplaats 2] over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ;
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg;
veroordeelt de moeder tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland over het gevoerde bewind;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Velde, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Hopmans en mr. Zuijdweg, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.