ECLI:NL:RBZWB:2025:8634

ECLI:NL:RBZWB:2025:8634, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 05-12-2025, C/02/432572 / FA RK 25/1096

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 05-12-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer C/02/432572 / FA RK 25/1096
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vervangende toestemming verhuizing, inschrijving school en vaststellen zorgregeling. Voorlopige zorgregeling bepaald, overige verzoeken aangehouden in afwachting onderzoek Raad. Meervoudige kamer behandeling.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/432572 / FA RK 25/1096

Datum uitspraak: 5 december 2025

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende vervangende toestemming verhuizing, vervangende toestemming inschrijving school en vaststelling zorgregeling

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. de Houck te Terneuzen,

tegen

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat: mr. L.E. van Hevele te Oostburg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 3 maart 2025 ontvangen verzoekschrift strekkende tot vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school, met bijlagen;

- de op 26 maart 2025 ontvangen stelbrief van mr. Van Hevele van 25 maart 2025, met bijlagen;

- het op 28 mei 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Van Hevele van 28 mei 2025, met bijlage;

- het op 28 mei 2025 ontvangen F9-formulier van mr. De Houck van 28 mei 2025;

- het op 9 juli 2025 ontvangen F9-formulier van mr. De Houck van 1 juli 2025;

- het op 9 juli 2025 ontvangen F8-formulier van mr. Van Hevele van 1 juli 2025;

- het op 9 oktober 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;

- het op 7 november 2025 ontvangen F9-formulier van mr. De Houck van 7 november 2025, met bijlagen.

- het op 11 november 2025 ontvangen F9-formulier van mr. De Houck van 11 november 2025, met bijlage.

De verzoeken zijn door de meervoudige kamer van deze rechtbank mondeling behandeld op 18 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, via een online verbinding, bijgestaan door haar waarnemend advocaat, mr. I. de Dobbelaere-Woets in de zittingszaal, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende, thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2019, hierna te noemen: [minderjarige 2]

, geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020, hierna te noemen: [minderjarige 3] .

De minderjarigen verblijven bij de vrouw.

De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het

ouderlijk gezag over de minderjarigen.

3. De verzoeken

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming tot verhuizing met de kinderen naar [plaats 2] te verlenen, alsmede vervangende toestemming te verlenen tot het inschrijven van de kinderen op een – nader te noemen – school in [plaats 2] .

De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man:

Een zorgregeling tussen de man en der partijen minderjarige kinderen vast te stellen waarbij er één weekend in de 14 dagen tussen de man en de kinderen omgang zal zijn van vrijdag 17:00 uur tot zondag 16:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen de vrijdag bij de man brengt en de man de zondag de kinderen bij de vrouw terugbrengt en gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties zulks te bepalen in onderling overleg behoudens de voorjaars- en herfstvakantie: het ene jaar verblijven de kinderen gedurende de voorjaarsvakantie bij vader en gedurende de herfstvakantie bij moeder en het andere jaar omgekeerd.

Te bepalen dat er één keer per week een videobel moment tussen vader en de kinderen is en wel op woensdag 1 9:00 uur .

Een regeling te treffen in zaken de informatie en consultatieplicht van de vrouw jegens de man waarbij de vrouw de man 1 keer per 14 dagen informeert over schoolprestaties, medische aangelegenheden, vrijetijdsbesteding van de kinderen en overige gewichtige aangelegenheden althans een zodanige zorg-, informatie-, en consultatieregeling te treffen als de rechtbank juist en redelijk acht.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4. De beoordeling

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling ter onderbouwing van haar verzoeken aangevoerd dat zij vanwege de enorme dreiging vanuit haar ex-partner, niet zijnde de vader van de minderjarigen, op advies van Veilig Thuis, de destijds betrokken hulpverlening, de politie en de gemeente Sluis in december 2024 acuut met de minderjarigen is vertrokken naar een veilige woning in [plaats 3] , waar haar familie en netwerk zich bevinden. De vrouw had toen aangeboden om de minderjarigen bij de man te laten verblijven, maar dat vonden de instanties niet goed, gelet op de thuissituatie van vader. Een aantal maanden later heeft de vrouw een eigen woning gevonden in [plaats 2] , waar zij nu met de minderjarigen verblijft en waar de minderjarigen naar school gaan. Aangezien de man hier niet mee instemt, is de vrouw genoodzaakt de rechtbank vervangende toestemming te vragen.

De vrouw benoemt verder dat het Openbaar Ministerie nog bezig is met onderzoek naar de ex-partner, die momenteel in detentie verblijft, waardoor zowel de vrouw als de minderjarigen nu niet in Zeeland mogen komen, omdat zij daar niet veilig zijn. Dit blijkt volgens de vrouw uit het rapport van Veilig Thuis, dat is ingediend als productie 1. Toch heeft de vrouw de minderjarigen kortgeleden wel enige tijd een weekend per twee weken bij de man in Zeeland laten verblijven. Na de verhuizing vond de omgang tussen de man en de minderjarigen in eerste instantie plaats bij de oma vaderszijde in [plaats 4] , maar door de verhuizing van de oma naar Zeeland kon dit niet langer. Omdat de vrouw niet wilde overkomen alsof zij de minderjarigen bij de man zou weghouden, heeft zij toen met de man besloten dat de omgang voortaan in Zeeland zou plaatsvinden, ondanks het veiligheidsaspect waar volgens de vrouw nog altijd sprake van is. De man moest de minderjarigen dan bij de vrouw ophalen en terugbrengen, omdat de vrouw alle overige kosten van de minderjarigen al op zich neemt. Toen [minderjarige 1] vervolgens zorgelijk gedrag ging vertonen bij de vrouw thuis en op school, bestaande uit weglopen, haren trekken, slaan en schelden, en daarbij ook bepaalde uitspraken deed zoals dat de vrouw geen goede moeder zou zijn, de minderjarigen niet naar een goede school zouden gaan, de man met een lange sigaret loopt en de minderjarigen bij de man geen groentes eten, heeft de vrouw de omgang tussen de man en de beide minderjarigen direct stopgezet en deskundigen geraadpleegd. Ondanks dat de jeugdarts enkel adviseert om [minderjarige 1] tijdelijk niet naar school te laten gaan, maar naar een BSO+, wil de vrouw dat er tijdelijk geen omgang is totdat er hulpverlening voor [minderjarige 1] is opgestart en duidelijk is wat er met haar aan de hand is. [minderjarige 1] gaat inmiddels naar een BSO+ en is aangemeld voor therapie voor traumaverwerking. Ook voor [minderjarige 3] is maatschappelijk werk ingezet, om te onderzoeken of zij onderliggende problemen of trauma’s heeft. Los van de uitkomsten van deze hulpverlening is de vrouw van mening dat er straks in ieder geval begeleide omgang moet zijn, omdat de man is belast met psychische en verslavingsproblematiek en hier nog geen behandeling voor heeft afgerond. Daarbij benoemt de vrouw dat het sinds de verhuizing lastig is gebleken om de eerdere hulpverlening voort te zetten of nieuwe hulpverlening in te zetten vanwege de grote afstand tussen partijen, maar ook omdat er na de verhuizing geen goede overdracht heeft plaatsgevonden tussen de instanties. De vrouw betwijfelt of de oma vaderszijde een rol kan spelen in de begeleiding vanwege de recente Veilig Thuis-melding waarin de man en de oma worden benoemd. Voorts benoemt de vrouw desgevraagd dat er de afgelopen tijd ook geen videobelmomenten hebben plaatsgevonden tussen de man en de minderjarigen, omdat de vrouw het erg druk had en dit was vergeten. De vrouw probeert de man waar mogelijk, gelet op het nog lopende onderzoek en nu de man contact met haar ex-partner heeft gehad, te informeren over de minderjarigen, maar dit is ook aan de man zelf. De man kan contact opnemen met de jeugdarts, maatschappelijk werk en het sociale team in [plaats 2] , en de BSO+ zal binnenkort contact met hem opnemen in verband met de benodigde toestemming. De adres- en schoolgegevens heeft de vrouw uit veiligheidsoverwegingen (nog) niet met de man gedeeld.

Tot slot benoemt de vrouw desgevraagd dat als de rechtbank beslist dat er weer omgang moet zijn, het veiligheidsaspect goed in acht moet worden genomen. Het heeft de voorkeur van de vrouw om de omgang dan te laten plaatsvinden op het adres van de oma in plaats van op het adres van de man, want dat bekend is bij de ex-partner. De vrouw zal de minderjarigen dan maximaal één keer per maand brengen of halen tot de grens van Zeeland. Het overige halen en brengen zal de man voor zijn rekening moeten nemen nu de vrouw de volledige zorg voor de minderjarigen al draagt.

De man benoemt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling dat hij het erg moeilijk heeft (gehad) met de verhuizing van de minderjarigen, al begrijpt hij dat de vrouw vanwege de dreiging uit Zeeland moest vertrekken. De verhuizing betekende in eerste instantie dat de man voor een omgangsweekend ontzettend lang moest reizen met het openbaar vervoer om de minderjarigen op te halen en terug te brengen naar de vrouw, soms wel twaalf uur per dag. Dit heeft de man fysiek en mentaal gebroken. Daarnaast is de man vanwege de oplopende reiskosten onder bewind gesteld. Inmiddels heeft de vrouw zonder overleg met de man en zonder enige onderbouwing vanuit de instanties de omgang volledig stopgezet, waardoor de man de minderjarigen al anderhalve maand niet heeft gezien. Ook het videobellen is de afgelopen tijd niet doorgegaan, ondanks herhaalde verzoeken van de man. Dit vindt de man zeer kwalijk en niet in het belang van de minderjarigen. De (onbegeleide) omgang verliep voorheen altijd goed en nergens blijkt dus uit dat er momenteel geen contact kan zijn tussen de man en de minderjarigen. De man mist de minderjarigen erg en wil hen graag weer zien en spreken, en weer een vader voor hen kunnen zijn. Hij erkent dat er hulpverlening moet worden ingezet, ook voor de minderjarigen, en staat daar voor open. Hij heeft zelf al lange tijd hulpverlening om zijn leven weer op de rit te krijgen, maar dit wordt door de huidige omstandigheden bemoeilijkt.

Ten aanzien van de verzoeken van de vrouw benoemt de man dat hij weer een verhuizing en wisseling van school niet in het belang van de minderjarigen acht, en daarom kan instemmen met de verhuizing en schoolwijziging, mits de vrouw instemt met de voorwaarden van de man zoals opgenomen in de zelfstandige verzoeken. Dit komt erop neer dat er een zorgregeling moet worden vastgelegd op basis waarvan er contact is tussen de man en de minderjarigen gedurende één weekend per veertien dagen, waarbij de vrouw voortaan ofwel het halen ofwel het brengen van de minderjarigen voor haar rekening neemt. Naast dat de reiskosten erg hoog zijn, vindt de man het onredelijk dat de vrouw zo ver weg is verhuisd en de man vrijwel niet wil compenseren. Daarbij komt dat de vrouw, net als ten aanzien van het stopzetten van de omgang, niet met stukken kan onderbouwen waarom zij en de minderjarigen zich momenteel niet in Zeeland zouden mogen begeven. De omgang kan de komende tijd op het adres van de oma plaatsvinden. Dit adres is niet bij de ex-partner van de vrouw bekend. De ex-partner heeft de man twee keer vanuit de PI gebeld. Toen de man bij de ex-partner aangaf dat hij dit niet wil, is dit niet meer gebeurd. Naast de weekendregeling wenst de man een vakantieverdeling vast te leggen op basis waarvan de minderjarigen gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties bij de man verblijven. Ook dient er voortaan weer een videobelmoment tussen de man en de minderjarigen plaats te vinden, te weten iedere woensdag om 1 9:00 uur . Tot slot wenst de man voortaan juist en tijdig op de hoogte te worden gebracht door de vrouw over alle zaken rondom de minderjarigen.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordigster van de Raad naar voren gebracht dat er een hele zorgelijke situatie is ontstaan, met name gezien de laatste ontwikkelingen. De Raad begrijpt de noodzaak van de vrouw om te verhuizen. De dreiging vanuit haar ex-partner is door verschillende instanties bevestigd, en is dus reëel. Hoe de vrouw vervolgens heeft gehandeld, baart de Raad veel zorgen. Inmiddels is er al anderhalve maand geen fysiek contact geweest tussen de man en de minderjarigen. Ook het videobelcontact ligt al lange tijd stil. De vrouw geeft aan dat er op dit moment geen contact kan zijn tussen de man en de minderjarigen en dat het contact in de toekomst onder begeleiding moet plaatsvinden vanwege de uitspraken van [minderjarige 1] . De uitspraken die [minderjarige 1] zou hebben gedaan, geven daar volgens de Raad geen enkele aanleiding voor. Deze uitspraken hoeven niets met de man te maken te hebben. De minderjarigen hebben de afgelopen tijd erg veel meegemaakt, van de dreiging en spanningen bij de moeder, naar de verhuizing waardoor de vader op grote afstand is komen te staan, het contact erg wordt bemoeilijkt en de vader overal buiten wordt gehouden. De minderjarigen krijgen daar van alles van mee. Daarbij komt dat er voorheen steeds constant en onbegeleid contact is geweest tussen de man en de minderjarigen, en van onveiligheid bij de man niet is gebleken. De man kampt met problemen, maar is hiervoor in behandeling. Er zijn dan ook geen contra-indicaties voor contact tussen de man en de minderjarigen, behalve het veiligheidsaspect. De Raad benadrukt dat de contactbreuk met de vader, een belangrijke hechtingsfiguur voor de minderjarigen, bovenop alles wat de minderjarigen de afgelopen tijd al hebben meegemaakt, ontzettend zorgelijk is. Het contact moet dan ook zo spoedig mogelijk worden hervat. De Raad betwijfelt wel wat er moet worden gedaan met het veiligheidsaspect. De dreiging richt zich immers ook op de minderjarigen. Tegelijkertijd zijn de minderjarigen al een aantal keer in Zeeland geweest. Wellicht kan het contact op een alternatieve plek plaatsvinden, bijvoorbeeld bij de oma vaderszijde. In ieder geval moet hiervoor overleg plaatsvinden met de politie. Dit kan de Raad doen, maar is eigenlijk de verantwoordelijkheid van de ouders. Verder benoemt de Raad dat het niet meer dan normaal is dat de vrouw de man compensatie biedt, nu de vrouw op zo’n grote afstand van de man is gaan wonen. Het is bijna ondoenlijk hoe de man de afgelopen tijd heeft moeten reizen voor de omgang met de minderjarigen, en hoe hij de volledige kosten hiervoor heeft moeten betalen. Het lange reizen van de man had ook tot gevolg dat de minderjarigen maar voor een hele korte periode bij de man konden zijn. De Raad vindt het tot slot zeer opmerkelijk dat de vrouw de man niet vooraf betrekt bij alle zaken rondom de minderjarigen, zoals de inzet van hulpverlening en de inschrijving van [minderjarige 1] op de BSO+. Dit moet, gelet op het gezamenlijk gezag van partijen, anders.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat er een zeer zorgelijke situatie is ontstaan. De vrouw heeft aangetoond dat zij in december 2024 vanwege de dreiging vanuit haar ex-partner uit Zeeland moest vertrekken. De keuze van de vrouw om onder dergelijke omstandigheden tijdelijk bij familie in te trekken, vindt de rechtbank begrijpelijk. Lastiger te begrijpen vindt de rechtbank de keuze van de vrouw om zich vervolgens met de minderjarigen definitief te vestigen in [plaats 2] en de minderjarigen daar naar school te laten gaan, zonder voorafgaand overleg en zonder de benodigde toestemming van de man. De minderjarigen wonen daardoor op een enorme afstand van de man, namelijk bijna 250 kilometer. De vrouw lijkt niet in te zien dat als gevolg van deze keuze niet alleen de omgang tussen de man en de minderjarigen, maar ook de rol die de man mogelijkerwijs kan spelen in het leven van de minderjarigen, fors worden beperkt en bemoeilijkt, hetgeen de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen acht. Desgevraagd heeft de vrouw evenmin kunnen onderbouwen waarom de vrouw genoodzaakt was om zich in [plaats 2] te vestigen. Dat zij daar een sociaal netwerk heeft waar zij zich veilig voelt kan zo zijn, maar betekent niet dat daarmee een onevenredige inbreuk op de omgang tussen de minderjarigen en de man gerechtvaardigd is.

De rechtbank vindt het voorts verontrustend dat de vrouw vervolgens eenzijdig, opnieuw zonder overleg met de man en zonder onderbouwing vanuit de (hulpverlenende) instanties, de omgang tussen de man en de minderjarigen abrupt heeft stopgezet vanwege zorgelijk gedrag en enkele uitspraken van [minderjarige 1] . Daardoor is er al enige tijd geen contact meer geweest tussen de man en de minderjarigen en moeten de minderjarigen, die de afgelopen tijd al erg veel hebben meegemaakt niet alleen vanwege de scheiding van partijen, maar overwegend vanwege de partnerkeuze van de vrouw, nu ook nog omgaan met het contactverlies met hun vader, die een belangrijke hechtingsfiguur voor hen is. Het is de rechtbank niet gebleken dat er vanwege het gedrag en de uitspraken van [minderjarige 1] geen omgang tussen de man en de beide minderjarigen kan zijn. De vrouw heeft dit niet met stukken onderbouwd. Er vond voorheen op regelmatige basis omgang plaats, zonder begeleiding, en er zijn geen signalen dat dit niet goed is verlopen. Met de Raad is de rechtbank dan ook van oordeel dat er geen contra-indicaties zijn voor omgang tussen de man en de minderjarigen. De omgang dient daarom spoedig te worden hervat, met inachtneming van het veiligheidsrisico. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat de omgang de komende tijd op het adres van de oma vaderszijde zou kunnen plaatsvinden. Dit adres is niet bij de ex-partner van de vrouw bekend.

De rechtbank overweegt verder dat de vrouw ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat zij de man geen compensatie (in tijd of geld) wil bieden om de gevolgen van de verhuizing te verzachten, althans maximaal één keer per maand de minderjarigen naar de grens van Zeeland wil brengen, omdat zij de volledige zorg van de minderjarigen al draagt. De rechtbank kan deze denkwijze van de vrouw niet volgen. Vanwege de ex-partner van de vrouw is er een dreigende situatie ontstaan voor de vrouw en de minderjarigen, waardoor de vrouw per direct uit Zeeland moest vertrekken. Vervolgens heeft de vrouw ervoor gekozen om zich in [plaats 2] te vestigen. Als gevolg van de keuze van de vrouw om zo ver weg te gaan wonen, is het voor de man nu vrijwel onmogelijk geworden om de zorg voor de minderjarigen (deels) te kunnen dragen. De rechtbank acht het onredelijk dat de man het halen en brengen, alsmede de kosten daarvan, (nagenoeg volledig) voor zijn rekening moet nemen. De vrouw dient hier in het vervolg ook haar evenredige bijdrage aan te leveren. Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de vraag of de man dient bij te dragen in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen middels een kinderbijdrage los staat van de vraag hoe partijen de zorgregeling, inclusief het halen en brengen, invullen.

De rechtbank vindt het hiernaast met de Raad zeer opmerkelijk dat de vrouw de man, die mede met het gezag over de minderjarigen is belast, niet betrekt bij het nemen van de gezagsbeslissingen over de minderjarigen en de man zelfs bewust hier buiten lijkt te willen houden, terwijl de vrouw niet met stukken kan onderbouwen waarom dit noodzakelijk zou zijn. De rechtbank wijst de vrouw er dan ook op dat zij per direct de man bij de opvoeding en verzorging van en alle gezagsbeslissingen over de minderjarigen dient te betrekken, ook op afstand, desnoods via videobellen.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de vrouw evenmin met stukken heeft aangetoond dat de dreiging vanuit de ex-partner thans nog actueel is en dat de vrouw en de minderjarigen niet in Zeeland zouden mogen komen, maar buiten Zeeland wel veilig zouden zijn. Dit blijkt ook niet uit het als productie 1 ingediende rapport van Veilig Thuis of het op 11 november ingediende bericht van de politie Zeeland-West Brabant. Als het veiligheidsrisico nog wel actueel zou zijn, is het bovendien opmerkelijk dat de vrouw – zonder overleg met de politie – omgang heeft toegestaan tussen de man en de minderjarigen op het adres van de man in Zeeland, welk adres bovendien bekend zou zijn bij de ex-partner van de vrouw. De rechtbank is er op dit moment dan ook niet van overtuigd dat de vrouw thans nog een actueel risico loopt waardoor zij en de minderjarigen niet in Zeeland kunnen wonen, dan wel dichterbij Zeeland kunnen wonen, waardoor het veel makkelijker wordt om contact tussen de man en de minderjarigen te laten plaatsvinden.

De rechtbank acht zich onder deze omstandigheden thans onvoldoende geïnformeerd om te beslissen op de voorliggende verzoeken. Daarom acht de rechtbank een raadsonderzoek geïndiceerd. De Raad zal worden verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:

- Hoe gaat het met de minderjarigen gelet op alle recente ontwikkelingen en welke hulpverlening is er momenteel ingezet en/of welke hulpverlening is er nodig?

- Wat is de actuele stand van zaken ten aanzien van het veiligheidsrisico van de vrouw en de minderjarigen?

- Zijn de verhuizing naar [plaats 2] en de wijziging van school noodzakelijk in het belang van de minderjarigen en zo niet, kan van de vrouw worden verwacht – met inachtneming van het huidige veiligheidsrisico – dat zij in of dichterbij Zeeland gaat wonen?

- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen, waarbij zicht wordt verkregen op de situatie van de vrouw, de man en de oma vaderszijde?

- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm te worden gegeven?

De rechtbank zal de behandeling van de verzoeken in afwachting van de rapportage van de Raad aanhouden tot de nadere mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van deze rechtbank op [datum] 2026 om [uur] .

Voorlopige zorgregeling

Aangezien de rechtbank het, zoals hiervoor is overwogen, van groot belang acht dat het contact tussen de man en de minderjarigen spoedig wordt hervat, zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepalen, op grond waarvan er eens per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondag 16:00 uur omgang plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen in de woning van de oma vaderszijde en er elke woensdag om 19:00 uur een videobelmoment tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de overdracht van de minderjarigen tussen partijen steeds zal plaatsvinden op het station in [plaats 5] , waar de vrouw de minderjarigen op vrijdag uit school naartoe brengt, en de man de minderjarigen dan ophaalt, en waar de man de minderjarigen op zondagmiddag naartoe brengt, en de vrouw de minderjarigen dan weer ophaalt. Daarbij geldt dat de vrouw op vrijdag direct uit school met de minderjarigen dient te vertrekken en de man via de app dient te informeren met welke trein en hoelaat zij zal arriveren op het station in [plaats 5] . Op zondag dient de overdacht om 16:00 uur plaats te vinden op het station. De rechtbank merkt hierbij op dat partijen in onderling overleg een andere regeling voor het halen en brengen kunnen overeenkomen, mits het halen en brengen evenredig tussen partijen wordt verdeeld. De voorlopige zorgregeling dient met ingang van 10 december 2025 te worden uitgevoerd, waarbij op 10 december het eerste videobelmoment tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt en op 12 december 2025 het eerste omgangsweekend tussen de man en de minderjarigen aanvangt.

5. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat er een voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen geldt op basis waarvan de minderjarigen eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondag 16:00 uur bij de man zijn en er elke woensdag om 19:00 uur een videobelmoment tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt, een en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 4.6;

verklaart deze voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de Raad een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.5 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nadere mondelinge behandeling op [datum] 2026 om [uur] bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen;

houdt in afwachting van het advies van de Raad iedere verdere beslissing op de verzoeken aan tot een nadere mondelinge behandeling op [datum] 2026;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor partijen, hun advocaten en de Raad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Velde, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Voorn en mr. Zuijdweg (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Van der Velde

Griffier

  • mr. De Haas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?