ECLI:NL:RBZWB:2025:8678

ECLI:NL:RBZWB:2025:8678, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-07-2025, 432742 / JE RK 25-428

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-07-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer 432742 / JE RK 25-428
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing en een wijziging zorgregeling. De kinderrechter heeft overwogen om de schriftelijke aanwijzing (gedeeltelijk) in stand te laten, daar waar het gaat om de vaststelling van de data en tijdstippen van de omgangsmomenten en de aanwijzingen die daarbij gelden, maar ziet daarvan af. Het is de kinderrechter immers gebleken dat de schriftelijke aanwijzing niet nodig was om de moeder op correcte wijze deel te laten nemen aan de omgangsmomenten. De omgangsmomenten verlopen positief en de moeder neemt hieraan op correcte en positieve wijze deel, hetgeen door de GI tijdens de mondelinge behandeling wordt bevestigd. Daarnaast overweegt de kinderrechter dat de regie over het al dan niet uitbreiden van de zorgregeling bij de GI is belegd, zodat de GI voldoende mogelijkheden heeft om maatwerk te leveren. Gelet op het voorgaande was er geen aanleiding tot het geven van een schriftelijke aanwijzing en dient deze in zijn geheel vervallen te worden verklaard. De kinderrechter zal het zelfstandige verzoek van de moeder tot het wijzigen van de zorgregeling afwijzen. De stelling van de moeder dat zij stappen heeft gezet en dat het beter gaat met haar, kan niet leiden tot de conclusie dat een uitbreiding van de omgang ook voor de minderjarige noodzakelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/432742 / JE RK 25-428

Datum uitspraak: 2 juli 2025

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing en een wijziging zorgregeling

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

tegen

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van 4 maart 2025, ontvangen op 4 maart 2025;

het bericht van mr. Pool met bijlagen van 11 juni 2025, ontvangen op 11 juni 2025;

het bericht van mr. Pool met bijlagen van 17 juni 2025, ontvangen op 17 juni 2025.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI.

Gelet op de nauwe samenhang is deze zaak gezamenlijk behandeld met het verzoeken van de moeder in de zaak C/02/432744 JE RK 25-429. Er zal per separate beschikking worden beslist.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Bij beschikking van 4 juli 2023 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI

met ingang van 4 juli 2023 en tot 4 oktober 2023. In diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 4 juli 2023 en tot 1 augustus 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Bij beschikking van 7 juli 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd met ingang van 1 augustus 2023 en tot 18 augustus 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Bij beschikking van 15 augustus 2023 is het resterende verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen afgewezen.

Bij beschikking van 2 oktober 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 oktober 2023 en tot 2 oktober 2024.

Bij beschikking van 3 oktober 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 oktober 2023 en tot 17 oktober 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Bij beschikking van 13 oktober 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 april 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Bij beschikking van 11 maart 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 april 2024 en tot 2 oktober

2024. Tevens heeft de kinderrechter in deze beschikking bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar van éénmaal in de twee weken één uur, waarbij de regie voor de uitbreiding van de duur en frequentie in handen van de GI ligt.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 september 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 november 2024 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 november 2024.

Bij beschikking van 4 oktober 2024 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI omtrent de toestemming tot wijziging in het verblijf afgewezen. Bij diezelfde beschikking is er wel een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een gezinshuis, verleend met ingang van 4 oktober 2024 en tot 18 oktober 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Bij beschikking van 14 oktober 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een gezinshuis verlengd, tot 2 november 2024.

Bij beschikking van 28 oktober 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van elf maanden verlengd met ingang van 2 november 2024 en tot 2 oktober 2025. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een gezinshuis, verlengd met ingang van 2 november 2024 en tot 2 oktober 2025.

[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde beschikking in een gezinshuis.

De GI heeft op 18 februari 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering stelt de volgende regeling vast:

Twee bezoeken momenten per maand, één bezoek met zus dat een uur duurt en een individueel bezoek van 1 uur en 15 minuten. De bezoeken vinden plaats bij u in de thuissituatie. De ene week een begeleid bezoek met [minderjarige] , gevolgd door een week geen bezoek en dan de week erna een bezoek met [minderjarige] en haar zus.

De volgende datums worden vastgelegd (er zijn twee datums aangepast ivm verhindering van [(half)zus] ):

Donderdag 16 januari 2025, begeleid bezoek van 11:30 tot 11:45

Vrijdag 31 januari 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zus)

Donderdag 13 februari 2025, begeleid bezoek van 11:30 tot 11:45

Vrijdag 28 februari 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zus)

Donderdag 13 maart 2025, begeleid bezoek van 10:30 tot 11:45

Donderdag 27 maart 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zus)

Donderdag 10 april 2025, begeleid bezoek van 11:30 tot 12:45

Maandag 28 april 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zus)

Donderdag 8 mei 2025, begeleid bezoek van 13:30 tot 14:45

Donderdag 22 mei 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zus)

Donderdag 5 juni 2025, begeleid bezoek van 10:00 tot 11:15

Vrijdag 20 juni 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zus)

Donderdag 3 juli 2025, begeleid bezoek van 11:30 tot 12:45

Donderdag 17juli 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zus)

De bezoeken worden begeleid door de jeugdbeschermer en indien nodig door een tweede jeugdbeschermer. De komende periode zal ingezet worden op bezoekbegeleiding die het

halen/brengen en het begeleiden van de bezoeken gaat oppakken. Ten alle tijden zal [minderjarige]

gevolgd worden in haar tempo. Mocht het nodig zijn dan zal er een wijziging komen in de

bezoekmomenten. Veranderingen in tijd of locatie gaan altijd in overleg met de jeugdbeschermer.

Tijdens de bezoekmomenten mag er geen snoepgoed zijn zoals eerder afgesproken en zal het geven van cadeaus in overleg gaan met de jeugdbeschermer.

De regeling geldt t/m 17 juli 2025, Na afloop van deze duur zal op de omgangsregeling met u worden geëvalueerd en worden er afspraken gemaakt voor de komende periode, daarbij is

altijd de belastbaarheid van [minderjarige] het uitgangspunt voor het vaststellen van de omgang.”

3. Het verzoek

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren, althans een zorgregeling te bepalen die de kinderrechter in goede justitie juist acht. De moeder verzoekt de beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de moeder, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:265g lid 2 BW de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 11 maart 2024 te wijzigen door een definitieve zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] een keer per twee weken voor de duur van twee uur omgang heeft met de moeder onder begeleiding van een onafhankelijke, in omgangsbegeleiding gespecialiseerde, partij.

4. De standpunten

Door en namens de moeder is het volgende, samengevat, aangevoerd. Er is in een eerdere beschikking van de rechtbank, te weten bij beschikking van 11 maart 2024, een zorgregeling vastgelegd tussen de moeder en [minderjarige] . Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, volgt dat de eerder bij beschikking vastgelegde zorgregeling niet middels een schriftelijke aanwijzing kan worden beperkt of gewijzigd. De GI diende zich in deze situatie op de voet van art.1:265g BW tot de kinderrechter te wenden. Dit maakt dat de schriftelijke aanwijzing in ieder geval gedeeltelijk vervallen verklaard dient te worden, daar de schriftelijke aanwijzing in strijd is met het recht. Daarnaast stelt de moeder zich op het standpunt dat de schriftelijke aanwijzing ook in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is gemotiveerd en de belangen van de moeder onvoldoende zijn meegenomen in de besluitvoering van de GI. De omgangsmomenten verlopen, zoals de GI ook aangeeft, zeer positief. Tijdens de omgangsmomenten sluit de moeder ook aan bij de behoeften van [minderjarige] en ondernemen ze leuke activiteiten. De GI stelt dat [minderjarige] na het omgangsmoment met de moeder erg moe is. De moeder merkt echter op dat [minderjarige] voor het omgangsmoment in de auto ligt te slapen. Daarnaast doet [minderjarige] in de middag geen dutje meer, hetgeen kan resulteren in vermoeidheid. De moeder is van mening dat de duur en de inhoud van de omgangsmomenten niet voor vermoeidheid zorgen, maar dat het moment waarop de omgang plaatsvindt, resulteert in vermoeidheid. Dit heeft de GI onvoldoende meegewogen in haar besluit. De moeder betreurt het dat [minderjarige] na de omgang signalen van onrust laat zien, maar dit wordt tijdens de omgangsmomenten niet door de moeder waargenomen. Een meer frequente omgang is in het belang van [minderjarige] , daar [minderjarige] in staat wordt gesteld om te wennen aan de positieve veranderingen die de moeder heeft doorgemaakt. Dit kan vervolgens resulteren in een afname van de onrust. Verder heeft de GI aangegeven dat de omgang niet uitgebreid dient te worden, omdat [minderjarige] zal gaan starten met speltherapie. De GI doet hierbij echter een aanname, nu de GI nog niet kan weten of dit belastend zal zijn voor [minderjarige] . Ook moet er, gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] , gewerkt worden aan het versterken van de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] . De GI heeft de belangen van de moeder en [minderjarige] onvoldoende meegewogen in haar besluitvorming. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de schriftelijke aanwijzing geheel, dan wel gedeeltelijk, vervallen moet worden verklaard.

Ten aanzien van het zelfstandige verzoek is door en namens de moeder het volgende, samengevat, aangevoerd. De moeder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, hetgeen maakt dat de zorgregeling moet worden gewijzigd. De omgangsmomenten verlopen zeer positief en [minderjarige] laat tijdens de omgang geen signalen van onrust zien. Verder heeft de moeder zicht het afgelopen jaar ingezet voor de hulpverlening. Zo heeft zij in januari 2025 het EMDR-traject positief afgerond. Het gevolg is dat zij nu gericht is op de toekomst en helder van geest is, waardoor zij thans goed kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Deze positieve ontwikkelingen rechtvaardigen een meer frequentere (begeleide) omgang, namelijk eenmaal in de twee weken voor de duur van twee uur. Op deze wijze kan [minderjarige] ook meer contact hebben met haar (half)zus [(half)zus] . De omgang tussen de moeder en [minderjarige] is al een geruime tijd beperkt en de GI is niet voornemens om de omgang binnenkort uit te breiden. Tot slot wordt namens de moeder verklaard dat de GI tijdens de mondelinge behandeling veel, voor de moeder onbekende, informatie over [minderjarige] naar voren heeft gebracht. De advocaat heeft geen redenen om aan deze informatie te twijfelen.

De GI licht toe dat de GI inderdaad niet de weg van artikel 1:265f BW had moeten bewandelen. Een vervallenverklaring leidt echter niet meer tot gevolgen, nu de data zoals genoemd in de schriftelijke aanwijzing bijna allemaal in het verleden liggen. De GI bevestigd desgevraagd dat de vaststelling van de data van de omgangsmomenten, zoals door de GI is vastgesteld in de schriftelijke aanwijzing, in afwachting van de uitspraak van de kinderrechter worden gehandhaafd. De GI moet binnenkort nieuwe data gaan vaststellen voor de komende periode. Er zal daarnaast, na het bezoek van 17 juli 2025, een evaluatie van de omgangsmomenten worden gepland.De GI licht verder toe dat de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder goed verlopen, maar dat [minderjarige] achteraf vermoeid is. [minderjarige] volgt momenteel speltherapie, maar is nog bezig om een vertrouwensband op te bouwen met de therapeut. Daarnaast verklaart de GI dat [minderjarige] zorgelijke uitlatingen heeft gedaan over hetgeen zij heeft meegemaakt in de thuissituatie van de moeder, zoals geweld. Verder laat [minderjarige] rondom de omgangsmomenten ander gedrag zien in het gezinshuis. Zo praat ze in babytaal en is er sprake van dissociatie. Ook laat [minderjarige] tijdens de speltherapie zorgelijke gedragingen zien. De GI heeft deze informatie niet gedeeld met de moeder, omdat de moeder niet erkent dat er nare gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Het verhaal van de moeder staat haaks op hetgeen [minderjarige] en [(half)zus] , afzonderlijk van elkaar, verklaren. De GI heeft de moeder wel op de hoogte gesteld van eerdere uitlatingen van [minderjarige] over seksueel geweld.

5. De beoordeling

Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing

Ingevolge artikel 1:265f lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de GI als een aanwijzing en is – voor zover thans van belang – artikel 1:264 BW van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter een zodanige regeling kan vaststellen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 jaar of ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. De termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek bedraagt ingevolge artikel 1:264 lid 3 BW twee weken en deze vangt aan met ingang van de dag nadat de beslissing is verzonden of uitgereikt. De kinderrechter stelt vast dat de moeder haar verzoek – gelet op de in artikel 1:264 lid 3 BW genoemde termijn – tijdig heeft ingediend, zodat zij kan worden ontvangen in haar verzoek.

Een aanwijzing moet voorts worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat algemene bepalingen over besluiten en de bijzondere bepalingen over beschikkingen van die wet van toepassing zijn, houdende onder meer algemene voorschriften over zorgvuldigheid en belangenafweging, voorschriften over de bekendmaking van besluiten en over het vooraf horen van de belanghebbenden.

De kinderrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de GI het contact tussen de moeder en [minderjarige] op deze manier had mogen beperken. Deze vraag wordt door de kinderrechter ontkennend beantwoord en daartoe wordt het volgende overwogen. Bij beschikking van 11 maart 2024 is een zorgregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar van éénmaal in de twee weken één uur, waarbij de regie voor de uitbreiding van de duur en frequentie in handen van de GI ligt. In de beschikking van 7 november 2024, welke beschikking zag op [(half)zus] , is de GI tevens gewezen op het feit dat, indien er sprake is van een vastgestelde zorgregeling, de contacten alleen kunnen worden beperkt middels een verzoek op grond van artikel 1:265g BW. Ook als tijdelijke maatregel mag een door de rechter vastgestelde zorgregeling niet worden gewijzigd; in alle gevallen dient de GI de weg van artikel 1:265g BW te bewandelen. Gelet op het voorgaande staat het de GI in de onderhavige zaak niet vrij om op basis van artikel 1:265f BW een schriftelijke aanwijzing te geven omtrent het contact tussen de moeder en [minderjarige] , hetgeen door de GI tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd. Wanneer de GI, zoals is aangegeven tijdens de mondelinge behandeling, zou overwegen de zorgregeling te beperken, dan dient zij daartoe op basis van artikel 1:265g BW te procederen. Een herhaling van de procedure zoals die in de onderhavige zaak is gevolgd, kan niet langer aan de orde zijn. De schriftelijke aanwijzing kan, gelet op het voorgaande, dan ook niet in stand blijven en dient te vervallen.

De kinderrechter heeft overwogen om de schriftelijke aanwijzing (gedeeltelijk) in stand te laten, daar waar het gaat om de vaststelling van de data en tijdstippen van de omgangsmomenten en de aanwijzingen die daarbij gelden, maar ziet daarvan af. Het is de kinderrechter immers gebleken dat de schriftelijke aanwijzing niet nodig was om de moeder op correcte wijze deel te laten nemen aan de omgangsmomenten. De omgangsmomenten verlopen positief en de moeder neemt hieraan op correcte en positieve wijze deel, hetgeen door de GI tijdens de mondelinge behandeling wordt bevestigd. Daarnaast overweegt de kinderrechter dat de regie over het al dan niet uitbreiden van de zorgregeling bij de GI is belegd, zodat de GI voldoende mogelijkheden heeft om maatwerk te leveren. Gelet op het voorgaande was er geen aanleiding tot het geven van een schriftelijke aanwijzing en dient deze in zijn geheel vervallen te worden verklaard.

Ten aanzien van de wijziging zorgregeling

In artikel 1:265g lid 2 BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de met gezag belaste ouder een vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

De kinderrechter zal het zelfstandige verzoek van de moeder tot het wijzigen van de zorgregeling afwijzen. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI niet alle informatie over het (mentale) welzijn van [minderjarige] , onder meer als gevolg van (heftige) gebeurtenissen die door haar worden beschreven, heeft besproken met de moeder. De GI heeft hierbij toegelicht dat deze informatie niet is gedeeld, omdat de moeder niet erkent dat [minderjarige] nare gebeurtenissen heeft meegemaakt bij de moeder thuis. Los van de reden voor de GI om deze informatie niet met de moeder te delen, moet worden vastgesteld dat op deze wijze een discussie over een wijziging van de zorgregeling wordt bemoeilijkt. De kinderrechter stelt vast dat er sprake lijkt te zijn van een herhaling van zetten. Aan deze situatie dient de GI een einde te maken door duidelijke keuzes te maken in aanpak en communicatie. De kinderrechter overweegt voorts dat de stellingen van de moeder dat de omgangsmomenten positief verlopen en dat de moeder aan zichzelf heeft gewerkt, niet door de GI zijn betwist. Dit neemt echter niet weg dat de kinderrechter vaststelt dat de GI gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt tegen een uitbreiding van de omgang. [minderjarige] heeft zichtbaar last van de omgangsmomenten, nu zij extreme klachten ervaart, en de omgang kan daardoor nog niet worden uitgebreid. De maximale belastbaarheid van [minderjarige] is bereikt. De stelling van de moeder dat zij stappen heeft gezet en dat het beter gaat met haar, kan niet leiden tot de conclusie dat een uitbreiding van de omgang ook voor [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter ziet in dit stadium geen aanleiding om een onderzoek te gelasten door de Raad voor de Kinderbescherming, nu tussen partijen onomstreden is dat [minderjarige] in een precaire fase van haar ontwikkeling zit en de stellingen van de GI over de klachten van [minderjarige] in zoverre geen betwisting hebben ondervonden.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verklaart vervallen de schriftelijke aanwijzing van de GI van 18 februari 2025;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Boomaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?