RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/432744 JE RK 25-429
Datum uitspraak: 2 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing en een wijziging zorgregeling
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
betreffende
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
tegen
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling te Goes.
1. Het verloop van de procedure
De neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 4 maart 2025, ontvangen op 4 maart 2025.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Gelet op de nauwe samenhang is deze zaak gezamenlijk behandeld met de verzoeken van de moeder in de zaak C/02/432742 JE RK 25-428. Er zal per separate beschikking worden beslist.
2. De feiten
Bij beschikking van 18 april 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 18 oktober 2025.
Bij beschikking van 5 juli 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 4 juli 2023 en tot 18 juli 2023. De beslissing is voor het overige aangehouden.
Bij beschikking van 7 juli 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd met ingang van 18 juli 2023 en tot 18 augustus 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van 8 augustus 2023 is het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg afgewezen.
Bij beschikking van 3 oktober 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 oktober 2023 en tot 17 oktober 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. Deze machtiging is bij beschikking van 13 oktober 2023 verlengd met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 april 2024. Het resterende deel van het verzoek is wederom aangehouden.
Bij beschikking van 4 januari 2024 is bepaald dat de vader en de moeder voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige] . Daarnaast is bepaald dat de vader en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar (minimaal) éénmaal per twee weken drie aaneengesloten uren, waarbij de uitbreiding van dit contact in handen van de GI wordt gelegd.
Bij beschikking van 11 maart 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 11 maart 2024 en tot 18 oktober 2024. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 18 oktober 2025.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de vader.
Bij beschikking van 11 maart 2024 is tevens bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar van éénmaal in de maand één uur fysiek en éénmaal in de maand een belcontact.
Bij beschikking van 25 maart 2025 is het gezamenlijk gezag beëindigd en is bepaald dat de vader voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] . Deze beslissing is nog niet in kracht van gewijsde gegaan. De moeder gaat in hoger beroep.
De GI heeft op 18 februari 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering stelt de volgende regeling vast:
1x per maand, 1 uur begeleid contact met uw dochter [minderjarige] bij u in de thuissituatie. Er zijn twee datums aangepast feb/april i.v.m. andere afspraken van [minderjarige] , deze zijn verwerkt in het overzicht:
De volgende datums zijn vastgelegd:
Vrijdag 31 januari 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zusje)
Vrijdag 28 februari 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zusje)
Donderdag 27 maart 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zusje)
Maandag 28 april 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zusje)
Donderdag 22 mei 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zusje)
Vrijdag 20 juni 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zusje)
Donderdag 17 juli 2025, begeleid bezoek van 15:00 tot 16:00 (met zusje)
De bezoeken worden begeleid door de jeugdbeschermer en indien nodig door een tweede jeugdbeschermer. De komende periode zal ingezet worden op bezoekbegeleiding die het halen/brengen en het begeleiden van de bezoeken gaat oppakken. Ten alle tijden zal [minderjarige] gevolgd worden in haar tempo. Mocht het nodig zijn dan zal er een wijziging komen in de bezoekmomenten. Veranderingen in tijd of locatie gaan altijd in overleg met de jeugdbeschermer.
Tijdens de bezoekmomenten mag er geen snoepgoed zijn zoals eerder afgesproken en al het geven van cadeaus in overleg gaan met de jeugdbeschermer.
De regeling geldt t/m 17 juli 2025. Na afloop van deze duur zal de omgangsregeling met u worden geëvalueerd en worden er (nieuwe) afspraken gemaakt voor de komende periode, daarbij is altijd de belastbaarheid van [minderjarige] het uitgangspunt voor het vaststellen van de omgangsregeling.”
3. Het verzoek
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren, althans een zorgregeling te bepalen die de kinderrechter in goede justitie juist acht. De moeder verzoekt de beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de moeder, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:265g lid 2 BW de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 11 maart 2024 te wijzigen door een definitieve zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] een keer per twee weken voor de duur van twee uur omgang heeft met de moeder onder begeleiding van een onafhankelijke, in omgangsbegeleiding gespecialiseerde, partij.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is het volgende, samengevat, aangevoerd. Er is in een eerdere beschikking van de rechtbank, te weten bij beschikking van 11 maart 2024, een zorgregeling vastgelegd tussen de moeder en [minderjarige] . Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, volgt dat de eerder bij beschikking vastgelegde zorgregeling niet middels een schriftelijke aanwijzing kan worden beperkt of gewijzigd. De GI diende zich in deze situatie op de voet van art.1:265g BW tot de kinderrechter te wenden. Dit maakt dat de schriftelijke aanwijzing in ieder geval gedeeltelijk vervallen verklaard dient te worden, daar de schriftelijke aanwijzing in strijd is met het recht. Daarnaast stelt de moeder zich op het standpunt dat de schriftelijke aanwijzing ook in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is gemotiveerd en de belangen van de moeder onvoldoende zijn meegenomen in de besluitvoering van de GI. Het is onvoldoende vast komen te staan dat de klachten van [minderjarige] zijn ontstaan door de omgang met de moeder. De omgangsmomenten verlopen, zoals de GI ook aangeeft, immers zeer positief. Verder bevordert de huidige omgang de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] niet voldoende. [minderjarige] kan daarom niet aan de moeder wennen, hetgeen maakt dat de spanningen rondom de omgang alleen maar toenemen. Een meer frequente omgang zal de onzekerheid en spanning van [minderjarige] wegnemen, daar [minderjarige] meer vertrouwen krijgt in een positief verloop van de omgangsmomenten. Volgens de moeder kunnen de signalen van [minderjarige] ook afkomstig zijn van de loyaliteit die [minderjarige] naar beide ouders voelt. De GI heeft de belangen van [minderjarige] en moeder voorts onvoldoende meegewogen, nu [minderjarige] meermaals heeft aangegeven de moeder vaker te willen zien. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de schriftelijke aanwijzing geheel, dan wel gedeeltelijk, vervallen moet worden verklaard.
Ten aanzien van het zelfstandige verzoek is door en namens de moeder het volgende, samengevat, aangevoerd. De moeder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, hetgeen maakt dat de zorgregeling, zoals deze is vastgesteld bij beschikking van 11 maart 2024, moet worden gewijzigd. De omgangsmomenten verlopen zeer positief en [minderjarige] laat tijdens de omgang geen signalen van onrust zien. Verder heeft de moeder zicht het afgelopen jaar ingezet voor de hulpverlening. Zo heeft zij in januari 2025 het EMDR-traject positief afgerond. Het gevolg is dat zij nu gericht is op de toekomst en helder van geest is, waardoor zij thans goed kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Deze positieve ontwikkelingen rechtvaardigen een meer frequentere (begeleide) omgang, namelijk eenmaal in de twee weken voor de duur van twee uur. Op deze wijze kan [minderjarige] ook meer contact hebben met haar (half)zusje [halfzusje] . De omgang tussen de moeder en [minderjarige] is al een geruime tijd zeer beperkt en de GI is niet voornemens om de omgang binnenkort uit te breiden. Tot slot wordt namens de moeder verklaard dat de GI tijdens de mondelinge behandeling veel, voor de moeder onbekende, informatie over [minderjarige] naar voren heeft gebracht. De advocaat heeft geen redenen om aan deze informatie te twijfelen.
De GI licht toe dat de GI inderdaad niet de weg van artikel 1:265f BW had moeten bewandelen. Een vervallenverklaring leidt echter niet meer tot gevolgen, nu de data zoals genoemd in de schriftelijke aanwijzing bijna allemaal in het verleden liggen. De GI bevestigd desgevraagd dat de vaststelling van de data van de omgangsmomenten, zoals door de GI is vastgesteld in de schriftelijke aanwijzing, in afwachting van de uitspraak van de kinderrechter worden gehandhaafd. De GI moet binnenkort nieuwe data gaan vaststellen voor de komende periode. Er zal daarnaast, na het bezoek van 17 juli 2025, een evaluatie van de omgangsmomenten worden gepland. De GI geeft verder aan dat de omgangsmomenten goed gaan. Ook heeft de moeder zichtbaar stappen gezet. [minderjarige] ervaart echter extreme klachten, welke rondom de omgangsmomenten met de moeder frequenter en heviger worden. [minderjarige] heeft ernstige traumaklachten en dissocieert regelmatig. Ook is er sprake van geweldsuitbarstingen op school, slaapt ze slecht en kan ze zich jonger gedragen dan ze is. Haar belastbaarheid is nu al maximaal benut, hetgeen maakt dat de omgang niet kan worden uitgebreid. [minderjarige] gaat immers naar school, volgt speltherapie, gaat naar de fysio en gaat naar de zwemles. Er wordt zelfs overwogen om de schoolweek van [minderjarige] te beperken tot vier dagen. [minderjarige] wordt ook pas op het laatste moment op de hoogte gebracht van een omgangsmoment met de moeder, omdat ze anders langdurige stress ervaart. Na een omgangsmoment moet [minderjarige] verder een aantal dagen bijkomen. Voorts heeft [minderjarige] tijdens de speltherapie uitingen gedaan over wat zij heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder. Dit zal nog met de moeder worden besproken. De GI licht tot slot toe dat de GI altijd zorgvuldig beziet wat wel en niet mogelijk is rondom de omgang.
Door en namens de vader wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de vader zich aansluit bij hetgeen door de GI naar voren is gebracht. [minderjarige] is onhanteerbaar als ze terugkomt van een bezoek aan de moeder. Zo heeft de moeder [minderjarige] dingen beloofd, zoals een telefoon, die de vader [minderjarige] niet kan geven. Dit leidt tot conflict tussen de vader en [minderjarige] . Ook wil [minderjarige] soms niet naar de moeder gaan. Daarnaast heeft [minderjarige] ernstige traumaklachten die eerst moeten worden aangepakt. [minderjarige] kan, gelet op alle signalen, een uitbreiding van de omgang niet aan en de moeder handelt uit eigen belang door dit wel te verzoeken. Voorts benadrukt de vader dat het belangrijk is dat er rust komt. De moeder moet gaan inzien dat [minderjarige] veel bij de moeder heeft meegemaakt. [minderjarige] doet zorgelijke uitingen over de thuissituatie van de moeder. Ze vertelt bijvoorbeeld dat ze seksueel is misbruikt door een man. Dit gedrag van [minderjarige] kan niet worden verklaard door een loyaliteitskwestie. De vader stelt zich op het standpunt dat een uitbreiding van de omgang niet mogelijk is, hetgeen maakt dat het zelfstandige verzoek van de moeder moet worden afgewezen. De vader vindt het moeilijk dat [minderjarige] omgang heeft met de moeder, maar support dit in het belang van [minderjarige] . De vader vindt het vooral lastig dat de moeder de zorgen bagatelliseert. Tot slot verklaart de advocaat dat het jammer is dat de schriftelijke aanwijzing op deze manier niet mogelijk was.
5. De beoordeling
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing
Ingevolge artikel 1:265f lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de GI als een aanwijzing en is – voor zover thans van belang – artikel 1:264 BW van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter een zodanige regeling kan vaststellen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 jaar of ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. De termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek bedraagt ingevolge artikel 1:264 lid 3 BW twee weken en deze vangt aan met ingang van de dag nadat de beslissing is verzonden of uitgereikt. De kinderrechter stelt vast dat de moeder haar verzoek – gelet op de in artikel 1:264 lid 3 BW genoemde termijn – tijdig heeft ingediend, zodat zij kan worden ontvangen in haar verzoek.
Een aanwijzing moet voorts worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat algemene bepalingen over besluiten en de bijzondere bepalingen over beschikkingen van die wet van toepassing zijn, houdende onder meer algemene voorschriften over zorgvuldigheid en belangenafweging, voorschriften over de bekendmaking van besluiten en over het vooraf horen van de belanghebbenden.
De kinderrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de GI het contact tussen de moeder en [minderjarige] op deze manier had mogen beperken. Deze vraag wordt door de kinderrechter ontkennend beantwoord en daartoe wordt het volgende overwogen. Bij beschikking van 11 maart 2024 is een zorgregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar van één keer per maand één uur fysiek en één keer in de maand via een belcontact. Bij beschikking van 7 november 2024 is de omgang vervolgens beperkt tot één keer per maand begeleid fysiek contact tussen de moeder en [minderjarige] . In de beschikking van 7 november 2024 is de GI tevens gewezen op het feit dat, indien er sprake is van een vastgestelde zorgregeling, de contacten tussen de moeder en [minderjarige] alleen kunnen worden beperkt middels een verzoek aan de kinderrechter op grond van artikel 1:265g BW. Ook als tijdelijke maatregel mag een door de rechter vastgestelde zorgregeling niet worden gewijzigd; in alle gevallen dient de GI de weg van artikel 1:265g BW te bewandelen. Gelet op het voorgaande staat het de GI in de onderhavige zaak niet vrij om op basis van artikel 1:265f BW een schriftelijke aanwijzing te geven omtrent het contact tussen de moeder en [minderjarige] , hetgeen door de GI tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd. Wanneer de GI, zoals is aangegeven tijdens de mondelinge behandeling, zou overwegen de zorgregeling te beperken, dan dient zij daartoe op basis van artikel 1:265g BW te procederen. Een herhaling van de procedure zoals die in de onderhavige zaak en op 7 november 2024 is gevolgd, kan niet langer aan de orde zijn. De schriftelijke aanwijzing kan, gelet op het voorgaande, dan ook niet in stand blijven en dient te vervallen.
De kinderrechter heeft overwogen om de schriftelijke aanwijzing (gedeeltelijk) in stand te laten, daar waar het gaat om de vaststelling van de data en tijdstippen van de omgangsmomenten en de aanwijzingen voor de uitvoering van de omgangsmomenten die daarbij gelden, maar ziet daarvan af. Het is de kinderrechter immers gebleken dat de schriftelijke aanwijzing niet nodig was om de moeder op correcte wijze deel te laten nemen aan de omgangsmomenten. De omgangsmomenten verlopen positief en de moeder neemt hieraan op correcte en positieve wijze deel, hetgeen door de GI tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd. Daarnaast overweegt de kinderrechter dat de regie over het al dan niet uitbreiden van de zorgregeling bij de GI is belegd, zodat de GI voldoende mogelijkheden heeft om maatwerk te leveren. Gelet op het voorgaande was er geen aanleiding tot het geven van een schriftelijke aanwijzing en dient deze in zijn geheel vervallen te worden verklaard.
Ten aanzien van de wijziging zorgregeling
In artikel 1:265g lid 2 BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de met gezag belaste ouder een vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De kinderrechter zal het zelfstandige verzoek van de moeder tot het wijzigen van de zorgregeling afwijzen. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI niet alle informatie over het (mentale) welzijn van [minderjarige] , onder meer als gevolg van (heftige) gebeurtenissen die door haar worden beschreven, heeft besproken met de moeder. De GI heeft hierbij toegelicht dat deze informatie niet is gedeeld, omdat de moeder niet erkent dat [minderjarige] nare gebeurtenissen heeft meegemaakt bij de moeder thuis. Los van de reden voor de GI om deze informatie niet met de moeder te delen, moet worden vastgesteld dat op deze wijze een discussie over een wijziging van de zorgregeling wordt bemoeilijkt. De kinderrechter stelt vast dat er sprake lijkt te zijn van een herhaling van zetten. Aan deze situatie dient de GI een einde te maken door duidelijke keuzes te maken in aanpak en communicatie. De kinderrechter overweegt voorts dat de stellingen van de moeder dat de omgangsmomenten positief verlopen en dat de moeder aan zichzelf heeft gewerkt, niet door de GI zijn betwist. Dit neemt echter niet weg dat de kinderrechter vaststelt dat de GI en de vader gemotiveerd bezwaar hebben gemaakt tegen een uitbreiding van de omgang. [minderjarige] heeft zichtbaar last van de omgangsmomenten, nu zij extreme klachten ervaart, en de omgang kan daardoor nog niet worden uitgebreid. De maximale belastbaarheid van [minderjarige] is bereikt. De stelling van de moeder dat zij stappen heeft gezet en dat het beter gaat met haar, kan niet leiden tot de conclusie dat een uitbreiding van de omgang ook voor [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter ziet in dit stadium geen aanleiding om een onderzoek te gelasten door de Raad voor de Kinderbescherming, nu tussen partijen onomstreden is dat [minderjarige] in een precaire fase van haar ontwikkeling zit en de stellingen van de GI over de klachten van [minderjarige] in zoverre geen betwisting hebben ondervonden.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verklaart vervallen de schriftelijke aanwijzing van de GI van 18 februari 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.