ECLI:NL:RBZWB:2025:8681

ECLI:NL:RBZWB:2025:8681, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-08-2025, 431239 / FA RK 25-423

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-08-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer 431239 / FA RK 25-423
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Beschikking over een wijziging van de omgangsregeling. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI en de ouders op dezelfde lijn zitten, namelijk dat er in de komende periode moet worden gewerkt aan contactherstel tussen de ouders en minderjarige. De GI heeft toegelicht dat haar verzoek, gelet op de recente ontwikkelingen, achterhaald is, en dat een schorsing van de omgang niet in het belang van de minderjarige is. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de GI dan ook afwijzen. De rechtbank zal ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de ouders bepalen dat de eerder vastgelegde omgangsregeling van de beschikking van 19 december 2022 zal worden gewijzigd in die zin dat er moet worden gewerkt aan contactherstel tussen ouders en de minderjarige, waarbij in ieder geval over zes maanden een vorm van contactherstel moet hebben plaatsgevonden, rekening houdend met de mogelijkheden van de minderjarige, waarbij de keuze voor de vorm van contactherstel aan de GI is.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/431239 / FA RK 25-423

datum uitspraak: 26 augustus 2025

beschikking over een wijziging van de omgangsregeling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

Als belanghebbenden in deze zaak worden gezien:

[de vader] , hierna te noemen: de vader, en [de moeder], hierna te noemen: de moeder, gezamenlijk te noemen: de ouders,

wonende in [plaats 1] ;

advocaat: mr. F.R.G. Drenth te Amersfoort,

[de gezinshuisvader] , hierna te noemen: de gezinshuisvader, en [de gezinshuismoeder], hierna te noemen: de gezinshuismoeder, gezamenlijk te noemen: de gezinshuisouders,

wonende in [plaats 2] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het procesverloop

Dit blijkt uit de volgende stukken:

het op 22 januari 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

het op 27 februari 2025 ontvangen bericht van de GI met bijlage;

de op 15 mei 2025 ontvangen brief van de GI;

het op 26 juni 2025 ontvangen verweerschrift van mr. Drenth met bijlagen, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek.

Het verzoek is mondeling behandeld op 4 juli 2025. Bij die behandeling zijn verschenen een vertegenwoordigster van de GI (via een Teams-verbinding) en de vader met zijn advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.

De moeder en de gezinshuisouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Voor de mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter – in overleg met [minderjarige] - samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De ouders zijn met elkaar getrouwd, uit welk huwelijk onder andere is geboren het navolgende minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, hierna te noemen: [minderjarige] .

Bij beschikking van 23 oktober 2017 is het gezag van de ouders beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes over [minderjarige] .

Bij beschikking van 19 december 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de ouders en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van (begeleide) omgang met elkaar gedurende eenmaal per acht weken. Deze beschikking is bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 augustus 2023 bekrachtigd.

[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.

3. De verzoeken

De GI verzoekt de rechtbank:

analoog aan artikel 1: 377e lid 1 BW de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang te wijzigen, in die zin dat de huidige omgangsregeling wordt geschorst, totdat er na een behandeling weer contact opgebouwd kan worden;

de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De ouders verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het verzoek van de GI af te wijzen;

II. een opbouwende omgangsregeling vast te stellen tussen de ouders en [minderjarige] , waarbij:

- de eerste maand de omgang eens per vier weken gedurende anderhalf uur wordt begeleid;

- de tweede maand de omgang eens per drie weken gedurende drie uur plaatsvindt, waarvan anderhalf uur onbegeleid is;

- de derde maand de omgang eens in de twee weken gedurende drie uur onbegeleid plaatsvindt en elke twee weken een belafspraak plaatsvindt; en

- de vierde maand een omgang plaatsvindt van eens in de twee weken de hele zaterdag bij de ouders;

III. dan wel een andere (opbouwende) omgangsregeling vast te stellen welke de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht;

IV. dan wel te bepalen dat de GI de omgangsregeling vastgesteld in de beschikking van 19 december 2022 dient na te komen;

V. te bepalen dat de GI een dwangsom verbeurt als de onder II, III en IV verzochte omgangsregeling niet wordt nagekomen, welke dwangsom €500,- per niet-nakoming bedraagt met een maximum van €10.000,-, dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

Relatieve bevoegdheid

Deze rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek, omdat de GI statutair gevestigd is in Amsterdam en [minderjarige] haar afgeleide woonplaats zoals bedoeld in artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft in Amsterdam. Om die reden is in beginsel de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de GI. Aangezien [minderjarige] echter onder voogdij staat van de GI, haar dagelijks leven zich afspeelt in het gezinshuis in [plaats 2] en is gebleken dat partijen geen bezwaar hebben tegen behandeling door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, blijft verwijzing van deze zaak naar de relatief bevoegde rechtbank op de voet van artikel 270 lid 1 Rv achterwege.

Juridisch kader

Op grond van artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Conform vaste jurisprudentie moeten de artikelen 1:377a en 1:377e BW worden uitgelegd als dat de daarin aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen, dan wel het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen, mede aan een gecertificeerde instelling toekomt die belast is met de voogdij over de minderjarige (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017 ECLI:NL:HR:2017:943).

De standpunten

[minderjarige] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het goed gaat met haar. [minderjarige] heeft het naar haar zin bij het gezinshuis en zegt dat ze op een droomplek zit bij de paarden. Ze spendeert graag haar tijd bij de paarden en heeft zin in de middelbare school. Daarnaast geeft ze aan dat ze haar ouders en broertjes al meer dan een jaar niet heeft gezien en dat het goed is dat ze geen contact meer heeft met de ouders.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de GI toegelicht dat de situatie drastisch is veranderd. [minderjarige] kan niet langer in het huidige gezinshuis blijven wonen, met als gevolg dat [minderjarige] zal verhuizen naar een kleinschalige woonvoorziening met vaste, neutrale begeleiding. Dit betekent dat [minderjarige] wederom van omgeving moet wisselen, en dat zij naar een andere middelbare school zal moeten. Anders dan de GI in eerste instantie bij verzoekschrift heeft verzocht, acht de GI het dan ook, evenals de ouders, van belang dat er wel wordt gewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de ouders. Er is al een langere tijd geen sprake meer van omgang. De GI vermoedt dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit tussen de gezinshuisouders en de ouders, hetgeen maakt dat [minderjarige] de ouders afstoot. Contactherstel met de ouders zal op de nieuwe plek een van de belangrijkste doelen zijn. Ook zal er aandacht zijn voor contactherstel tussen [minderjarige] en haar broertjes. De GI stelt dat het lastig is om op dit moment een ondergrens te bepalen met betrekking tot de omgang, aangezien er in de komende periode veel zal veranderen voor [minderjarige] en het effect daarvan nog onduidelijk is.

De ouders daartegenover wensen echter, gelet op hun behoefte aan zekerheid, dat de rechtbank bepaalt dat er binnen een bepaalde periode moet zijn gewerkt aan contactherstel, op geleide van de mogelijkheden van [minderjarige] . Mocht dit niet haalbaar zijn, dan verzoeken de ouders het zelfstandige verzoek aan te houden.

De beoordeling

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI en de ouders op dezelfde lijn zitten, namelijk dat er in de komende periode moet worden gewerkt aan contactherstel tussen de ouders en [minderjarige] . De GI heeft toegelicht dat haar verzoek, gelet op de recente ontwikkelingen, achterhaald is, en dat een schorsing van de omgang niet in het belang van [minderjarige] is. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de GI dan ook afwijzen.

Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de ouders overweegt de rechtbank als volgt. In de beschikking van deze rechtbank van 23 oktober 2017 is overwogen dat – ondanks de gezagsbeëindiging – de GI er, in het belang van [minderjarige] , op dient toe te zien dat er ruimte voor omgang blijft bestaan, zodat de ouders een rol in het leven van [minderjarige] kunnen blijven spelen. De rechtbank stelt vast dat dit de afgelopen twee jaar niet is gelukt, nu er geen uitvoering meer wordt gegeven aan de omgangsregeling zoals bepaald in de beschikking van 19 december 2022. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de gezinshuisouders hierin een grote rol hebben gespeeld. [minderjarige] lijkt in een loyaliteitsconflict te verkeren tussen de gezinshuisouders en de ouders en vertoont al jaren forse weerstand tegen de omgangsmomenten met de ouders.

Met de GI en de ouders is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is dat er contactherstel komt tussen de ouders en [minderjarige] . [minderjarige] heeft immers recht op omgang met haar ouders en dit is ook belangrijk voor haar verdere ontwikkeling. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het onduidelijk is wanneer [minderjarige] hier ruimte voor heeft. Wel is contactherstel een van de voornaamste doelen als [minderjarige] straks in haar nieuwe woonomgeving gewend is geraakt. De ouders willen graag dat er een ondergrens wordt bepaald ten aanzien van de omgang, zodat duidelijk is waar zij aan toe zijn en waar naartoe gewerkt zal worden.

De rechtbank is, met de ouders, van oordeel dat er ten aanzien van de omgang een stip op de horizon moet komen/blijven, zodat wordt gewaarborgd dat contactherstel bij de nieuwe woonsituatie van [minderjarige] een prioriteit is en blijft. Er dient ervoor te worden gewaakt dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict terechtkomt of daarin blijft verkeren. De rechtbank zal daarom bepalen dat er binnen zes maanden een vorm van contactherstel plaatsvindt, waarbij voortdurend rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van [minderjarige] . [minderjarige] heeft immers al veel meegemaakt in haar jonge leven en er is bij haar sprake van forse trauma- en hechtingsproblematiek. Een overplaatsing van een voor haar veilige omgeving naar een andere plek zal mogelijk ook zorgen voor veel verdriet bij [minderjarige] . De keuze voor de vorm van het contactherstel, bijvoorbeeld fysiek contact, het versturen van een kaartje of (video)belcontact, laat de rechtbank dan ook over aan de GI. De GI dient zich bij deze keuze te laten leiden door hetgeen op dat moment haalbaar is voor [minderjarige] .

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de eerder vastgelegde omgangsregeling van de beschikking van 19 december 2022 zal worden gewijzigd in die zin dat er moet worden gewerkt aan contactherstel tussen ouders en [minderjarige] , waarbij in ieder geval over zes maanden een vorm van contactherstel moet hebben plaatsgevonden, rekening houdend met de mogelijkheden van [minderjarige] , waarbij de keuze voor de vorm van contactherstel aan de GI is.

De rechtbank ziet, gelet op het feit dat de GI voornemens is om het contact tussen [minderjarige] en de ouders te herstellen, onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom zoals door de ouders is verzocht. Het is van belang dat de omgang, rekening houdend met de mogelijkheden van [minderjarige] , op een zorgvuldige wijze wordt opgebouwd. De rechtbank acht het onder de huidige omstandigheden niet passend om het (toewerken naar) contactherstel tussen [minderjarige] en haar ouders middels een dwangsom af te dwingen. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, dit verzoek van de ouders dan ook afwijzen.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 19 december 2022 vastgelegde omgangsregeling en bepaalt dat er moet worden gewerkt aan contactherstel tussen de ouders en [minderjarige] , waarbij in ieder geval over zes maanden een vorm van contactherstel moet hebben plaatsgevonden, rekening houdend met de mogelijkheden van [minderjarige] , waarbij de keuze voor de vorm van contactherstel aan de GI is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek van de GI af;

wijst het meer of anders verzochte door de ouders af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2025 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Voorn

Griffier

  • mr. Boomaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?