beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers: C/02/435562 / FA RK 25/2573
C/02/435754 / FA RK 25/2654
datum uitspraak: 8 december 2025
beschikking betreffende omgang en gezag
in de zaken van:
[de man] ,
verzoeker in C/02/435562 / FA RK 25/2573,
belanghebbende in C/02/435754 / FA RK 25/2654,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg (voorheen: mr. M.M.M. Minkels);
[de vrouw] ,
verzoeker in C/02/435754 / FA RK 25/2654,
belanghebbende in C/02/435562 / FA RK 25/2573,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven te Tilburg.
[de stiefvader] ,
verzoeker in C/02/435754 / FA RK 25/2654,
informant in C/02/435562 / FA RK 25/2573,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven te Tilburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken.
In C/02/435562 / FA RK 25/2573:
- het op 21 mei 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de brief met bijlage van mr. Minkels van 27 mei 2025;
- de brief met bijlage van mr. Minkels van 19 juni 2025;
- de brief van mr. Minkels van 16 juli 2025;
- het F-formulier met bijlage van mr. Van Laarhoven van 18 juli 2025;
- de brief van mr. Molkenboer van 24 juli 2025;
- het F-formulier met bijlagen van mr. Van Laarhoven van 18 november 2025.
In C/02/435754 / FA RK 25/2654:
- het op 26 mei 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de brief met bijlage van mr. Molkenboer van 2 juni 2025;
- het op 4 juni 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het F-formulier met bijlage van mr. Van Laarhoven van 18 juli 2025;
- de brief van mr. Molkenboer van 18 juli 2025;
- de brief van mr. Molkenboer van 10 november 2025;
- de brief met bijlagen van mr. Molkenboer van 21 november 2025.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 24 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.
Gelet op de nauwe samenhang van de verzoeken in de twee zaken, zijn deze verzoeken gelijktijdig mondeling behandeld.
2. De feiten
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna te noemen: [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
De man heeft [minderjarige] op 11 september 2019 erkend.
De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
De man en de vrouw zijn op 26 november 2020 een ouderschapsplan overeengekomen. Dit ouderschapsplan is aangehecht aan de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 januari 2021. In het ouderschapsplan hebben de man en de vrouw afgesproken dat [minderjarige] eens in de veertien dagen van vrijdag 13.30 uur tot zondag 18.00 uur en elke woensdag van 12.00 tot 18.30 uur bij de vader verblijft. Daarnaast hebben zij afspraken gemaakt over de feestdagen, schoolvakanties en verjaardagen.
De vrouw heeft de Franse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Nederlandse nationaliteit.
3. De verzoeken
In C/02/435562 / FA RK 25/2573:
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 26 november 2020, te wijzigen en te bepalen dat de man en [minderjarige] voortaan gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar:
- de ene week van zondag 13.00 uur tot en met dinsdag voor school / 08.30 uur en de woensdag van 12.00 uur tot en met 20.00 uur;
- de andere week van woensdag 12.00 uur tot en met donderdag 20.00 uur;
- alsmede de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg nader te bepalen en gedurende kerst en oud en nieuw en gedurende de verjaardagen, zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 26 november 2020;
2. te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
3. kosten rechtens.
In C/02/435754 / FA RK 25/2654:
De vrouw en de stiefvader verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij gezamenlijk worden belast met het gezag over [minderjarige] .
4. De beoordeling
Bevoegde rechtbank en het toepasselijk recht
Aangezien de vrouw de Franse nationaliteit heeft, dient beoordeeld te worden of de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken en welk recht van toepassing is op deze verzoeken. De Nederlandse rechter is bevoegd, aangezien [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is, is op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op de verzoeken van toepassing.
Gezag
Standpunten
De man wil inspraak in beslissingen die over [minderjarige] worden genomen. Het uitgangspunt is gezamenlijk gezag tussen de ouders. Hij heeft hier eerder niet om verzocht, omdat de omgang met [minderjarige] en de communicatie met de vrouw toen goed verliepen. Juist nu hij verstoken blijft van informatie over [minderjarige] , omdat instanties hem niet mogen informeren en de vrouw hem op alle communicatiekanalen heeft geblokkeerd, heeft de man zijn positie als gezaghebbend ouder nodig. Er moet eerst beslist worden op het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag, voordat er een beslissing kan worden genomen op het verzoek van de vrouw tot gezamenlijk gezag met de stiefvader. De man is immers de biologische en juridische vader van [minderjarige] . Toewijzing van het verzoek van de vrouw zou de band tussen de man en [minderjarige] ernstig kunnen schaden en is niet in haar belang. Het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag ligt voor toewijzing gereed. Dit leidt er dan toe dat de vrouw en de stiefvader niet ontvankelijk zijn in hun verzoek.
De vrouw en de stiefvader willen gezamenlijk belast worden met het gezag over [minderjarige] . Zij hebben sinds 2021 een relatie en wonen sinds 2023 samen. Zij hebben samen twee kinderen, waar ze het gezamenlijk gezag over dragen. De stiefvader staat in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] . Hij draagt sinds 2022 mede de dagelijkse en financiële zorg over [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat het gezag over haar gedragen wordt door de ouders die elke dag bij haar betrokken zijn. Dit draagt ook bij aan uniformiteit in beslissingen over de drie kinderen waar zij de zorg voor hebben. De man heeft eerder nooit geopteerd voor het gezamenlijk gezag. Hij heeft zijn verzoek pas ingediend, nadat de advocaat van de vrouw hem had geïnformeerd over het op handen zijnde verzoek van de vrouw. De man heeft altijd weinig betrokkenheid getoond bij [minderjarige] . Hij heeft niet de dagelijkse zorg, neemt geen deel aan oudergesprekken op school, wil de logopedieafspraken niet op zijn dag en levert geen financiële bijdrage in het levensonderhoud van [minderjarige] . Er is ook nauwelijks overleg tussen de vrouw en de man geweest en op dit moment is er al maanden geen omgang tussen [minderjarige] en de man. De vrees is dat [minderjarige] klem of verloren raakt bij gezamenlijk gezag tussen de vrouw en de man. De vrouw ziet voor de man een rol in de omgang, maar niet in het gezag over [minderjarige] . Het verzoek van de vrouw en de stiefvader voldoet aan alle wettelijke eisen en kan daarom worden toegewezen. Er is geen sprake van een situatie dat er een gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek van de vrouw en de stiefvader de belangen van [minderjarige] worden verwaarloosd. Ten aanzien van het gezag moet gekozen worden voor de situatie die het meest in het belang van [minderjarige] is en dat is niet bij toewijzing van het verzoek van de man.
De Raad ziet geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag bij de vrouw en de man. Zij moeten nog aan de slag voor verbetering van hun onderlinge communicatie, maar de Raad ziet daarin geen reden om niet het gezamenlijk gezag toe te kennen of het verzoek daartoe aan te houden. Er was tot februari 2025 jarenlang structureel contact tussen [minderjarige] en de man. De man heeft inzicht in de ontwikkeling van [minderjarige] . Hij heeft ook in het belang van [minderjarige] gehandeld toen de signalen van het seksueel misbruik bekend werden. Het is ook in het kader van de hulpverlening van belang dat de man een gezagspositie krijgt. Het argument van eenvormigheid voor alle kinderen in het gezin van de vrouw en stiefvader, vormt juist een onderbouwing om ook aan de man het gezag toe te kennen, zodat hij het recht heeft om mee te denken en te beslissen. Het is voor [minderjarige] fijn dat zij een stiefvader heeft die ook betrokken bij haar is, maar de beoordeling moet eerst zien op de positie van de man. De Raad acht het gezamenlijk gezag bij de vrouw en de man in het belang van [minderjarige] .
Het wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Dit verzoek wordt slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Op grond van artikel 1:253t BW kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten, indien het gezag over het kind bij één ouder berust. In het geval het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder wordt het verzoek slechts toegewezen indien:
a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad, en
b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaar alleen met het gezag belast is geweest.
Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
De beoordeling van de rechtbank
Aangezien het uitgangspunt van de wet is dat het gezag wordt gedragen door de ouders, zal de rechtbank eerst het verzoek van de man, als biologisch en juridisch vader van [minderjarige] , beoordelen. Slechts indien het verzoek van de man wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het verzoek van de vrouw en de stiefvader.
[minderjarige] heeft vanaf haar geboorte tot februari 2025 regelmatig omgang gehad met de man. De man heeft zodoende de ontwikkeling van [minderjarige] gevolgd en een aandeel in haar verzorging en opvoeding gehad. Dat de vrouw de dagelijkse zorgtaken over [minderjarige] had, doet daaraan niet af. Nadat in februari 2025 het seksueel misbruik aan het licht kwam, heeft de man direct in het belang van [minderjarige] gehandeld en de vrouw geïnformeerd. Het is begrijpelijk dat dit gebeuren een weerslag heeft gehad op de verhouding en het vertrouwen tussen de vrouw en de man. De man en de vrouw willen echter voor [minderjarige] hetzelfde, namelijk dat zij hulpverlening gaat krijgen bij de verwerking van wat zij heeft meegemaakt. Het is daarbij van groot belang dat haar ouders hierin samen optrekken en een gelijkwaardige positie bekleden. Gelet daarop acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de man gezamenlijk met de vrouw wordt belast met het gezag over [minderjarige] .
De rechtbank ziet geen onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de vrouw en de man bij het gezamenlijk gezag en acht afwijzing van het verzoek van de man ook niet om andere redenen in het belang van [minderjarige] nodig. In dat verband wordt overwogen dat nog gewerkt moet worden aan herstel van vertrouwen en verbetering van de communicatie tussen de man en de vrouw, maar dat de rechtbank daarin geen contra-indicatie ziet voor toewijzing van het verzoek van de man, nu partijen zich bereid hebben verklaard daaraan in het kader van het Uniform Hulpaanbod te gaan werken. Evenmin kan uniformiteit in beslissingen over de drie kinderen in het gezin van de vrouw en de stiefvader een reden zijn om de man het gezag te ontzeggen. [minderjarige] heeft een andere vader dan haar twee halfzusjes en dat rechtvaardigt dat de man zeggenschap heeft in beslissingen over [minderjarige] .
De rechtbank zal het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag over [minderjarige] toewijzen.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Nu de man ten gevolge van deze beslissing samen met de vrouw het gezag over [minderjarige] zal dragen, zijn de vrouw en de stiefvader niet-ontvankelijk in hun verzoek.
Omgang
Standpunten
De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangegeven dat hij zo spoedig mogelijk weer contact wil hebben met [minderjarige] . Het contact met [minderjarige] is altijd goed geweest. Het is niet goed voor [minderjarige] dat het contact met haar vader al sinds februari 2025 stilligt. Inmiddels heeft de man een eigen woning met zijn partner, met wie hij ook een kindje heeft gekregen. Hij wil graag starten met videobelcontacten met [minderjarige] . Het frustreert de man dat er na al die maanden nog steeds geen hulpverlening is gericht op traumabehandeling voor [minderjarige] en op contactherstel met de man. Omdat hij geen gezag heeft, krijgt de man geen informatie vanuit [hulpverlening 1] over de stand van zaken.
De vrouw heeft begin februari 2025 de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man stopgezet nadat het seksueel misbruik aan het licht was gekomen. Haar vertrouwen in de man is ernstig geschaad. Daarnaast wil zij het hulpverleningsproces afwachten. Veilig Thuis is ingeschakeld. [hulpverlening 1] is verzocht om passende hulpverlening in te zetten, gericht op traumabehandeling van [minderjarige] en op herstel van de omgang tussen [minderjarige] en de man. [minderjarige] zou door [hulpverlening 1] worden aangemeld bij Sterk Huis. Op de zitting van 9 juli 2025 heeft de man in kort geding nakoming van de omgangsregeling gevorderd. Hoewel de vordering is afgewezen met de overweging dat de regie over contactherstel bij de hulpverlening moet liggen, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het contact tussen de man en [minderjarige] op een zo kort mogelijke termijn moet worden hersteld.
Onlangs is gebleken dat [hulpverlening 1] de aanmelding bij Sterk Huis abusievelijk niet heeft gedaan. Omdat vanwege de wachtlijst bij Sterk Huis hulpverlening nog langer op zich zou laten wachten, heeft [hulpverlening 1] ervoor gekozen om [minderjarige] en de vrouw en de man aan te melden bij [hulpverlening 2] . De vrouw heeft afgelopen week een intakegesprek gehad. [hulpverlening 2] kan het contactherstel tussen [minderjarige] en de man oppakken en de ouders handvatten geven hoe om te gaan met het trauma van [minderjarige] . In afwachting van hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] , heeft de vrouw geregeld dat [minderjarige] intussen gesprekken heeft met de praktijkondersteuning van de huisarts.
Volgens de vrouw heeft [minderjarige] aangegeven haar vader te missen. Ze zou wel willen videobellen met hem. De vrouw staat open voor videobellen onder begeleiding, maar wil op dit moment zelf geen contact met de man. [hulpverlening 1] heeft aangegeven dat videobellen besproken moet worden met [hulpverlening 2] , waardoor dit nog niet van de grond is gekomen. Volgens de vrouw verliep de omgangsregeling voor het stopzetten van de omgang ook al niet goed. Het niet nakomen van de afspraken had een negatieve invloed op het welzijn van [minderjarige] .
Ook de stiefvader heeft aangegeven dat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige] weer contact kan hebben met haar vader. Hij is bereid de videobelcontacten tussen [minderjarige] en de man te begeleiden.
De Raad heeft ter zitting aangegeven dat duidelijk is dat er hulpverlening moet komen. Het is schrijnend dat [minderjarige] en ouders hier al zo lang op moeten wachten en dat er fouten hebben plaatsgevonden. De vrouw kan eventueel om een andere regievoerder bij de gemeente vragen. Er moet hulpverlening plaatsvinden op meerdere vlakken: traumabehandeling voor [minderjarige] , begeleiding bij contactherstel tussen [minderjarige] en de man en bij herstel van vertrouwen en verbetering van de communicatie tussen de man en de vrouw. Met een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod komt er meer druk op [hulpverlening 1] om daadwerkelijk hulpverlening op al deze gebieden in te zetten. Ook wordt er gerapporteerd aan de rechtbank en de Raad. Sterk Huis lijkt, gezien de beschreven zorgen, de aangewezen zorgaanbieder, maar voorkomen moet worden dat het contactherstel tussen [minderjarige] en de man, waarvoor bij [hulpverlening 2] zojuist een traject is gestart, vertraging oploopt door een overstap naar een andere zorgaanbieder.
De Raad ondersteunt dat er al direct gestart wordt met videobelcontact tussen [minderjarige] en de man onder begeleiding van de stiefvader. Het is daarbij belangrijk dat [minderjarige] gestimuleerd, maar niet gedwongen wordt tot het contact. Mocht zij een keer niet willen videobellen, dan kan bij voorkeur direct een ander moment later die week worden afgesproken.
Het wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a eerste lid BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. De regeling kan omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Overeenstemming en verwijzing UHA
De man en de vrouw zijn tijdens de schorsing van de zitting tot de afspraak gekomen dat vanaf woensdag 26 november 2025 [minderjarige] elke woensdag om 18.30 uur zal videobellen met de man, waarbij de stiefvader het contact met de vader legt en het contactmoment begeleidt. Het contact zal luchtig zijn. Er zal niet gesproken worden over wat er met [minderjarige] is gebeurd of over het broertje van de man. Mocht [minderjarige] daar toch vragen over stellen, dan zal de man aangeven dat zij het daar nu niet over kunnen hebben. De lengte van het videobelgesprek kan wisselend zijn, afhankelijk van de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank zal deze afspraak in de beslissing vastleggen en uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
De man en de vrouw hebben er daarnaast mee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De rechtbank vindt het, net als de Raad en de man en de vrouw, nodig dat voor deze ouders en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet, gericht op:
- traumabehandeling voor [minderjarige] ;
- contactherstel tussen [minderjarige] en de man;
- herstel van het vertrouwen en verbetering van de communicatie tussen de man en de vrouw.
De rechtbank merkt op dat het zeer kwalijk is dat er nog altijd geen (trauma)hulpverlening voor [minderjarige] is ingezet. Van [hulpverlening 1] mag worden verwacht dat snel, adequaat en zorgvuldig te werk wordt gegaan om passende hulpverlening in te zetten in een geval als dit, waarin sprake is geweest van seksueel misbruik van een minderjarige. Dat [minderjarige] al maanden verstoken blijft van hulpverlening schaadt haar gezondheid en vormt een bedreiging voor haar ontwikkeling. [hulpverlening 1] dient alsnog met hoge urgentie zo spoedig mogelijk passende hulpverlening voor [minderjarige] en ouders in te zetten op alle drie hiervoor onder 4.17 opgesomde gebieden.
[minderjarige] en de ouders zijn, zo begrijpt de rechtbank, pas zeer recent aangemeld bij [hulpverlening 2] voor contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Of [hulpverlening 2] ook een hulptraject kan bieden gericht op (trauma)behandeling voor [minderjarige] en ouders kan helpen bij herstel van vertrouwen en verbetering van de communicatie is de rechtbank niet duidelijk. Met de verwijzing binnen het Uniform Hulpaanbod wil de rechtbank bewerkstelligen én monitoren dat met grote spoed passende hulpverlening op al deze vlakken wordt ingezet.
De rechtbank kan zich voorstellen dat het traject bij [hulpverlening 2] wordt voortgezet, zodat het contactherstel tussen [minderjarige] en de man geen verdere vertraging oploopt, maar dat ouders en [minderjarige] daarnaast zo nodig worden aangemeld bij een andere zorgaanbieder, zoals bijvoorbeeld Sterk Huis, die ofwel aanvullende zorg kan bieden op het gebied van traumabehandeling en oudercommunicatie, ofwel op alle drie genoemde gebieden de hulpverlening kan oppakken.
De verwijzing heeft op 24 november 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij de verwijzing gevoegd.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen [minderjarige] ?
- In hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor het contact tussen de man en [minderjarige] en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacyaspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat ouders en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek tot de wijziging van de zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
5. De beslissing
De rechtbank:
inzake C/02/435562 / FA RK 25/2573:
bepaalt dat de man en de vrouw voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun minderjarige kind [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018;
bepaalt dat de man en [minderjarige] , onder wijziging van het ouderschapsplan van 26 november 2020, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig, tot de rechtbank definitief op het verzoek van de man heeft beslist of partijen in onderling overleg anders zijn overeengekomen, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar elke woensdag om 18.30 uur via videobellen, een en ander zoals beschreven in overweging 4.16;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst man en de vrouw en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant ter voortzetting van het reeds aangevangen hulpverleningstraject bij [hulpverlening 2] en daarnaast (zo nodig) ter verwijzing naar een andere zorgaanbieder, een en ander via [hulpverlening 1] van de woonplaatsgemeente van de minderjarige en zoals beschreven in overweging 4.18;
verzoekt het loket om uiterlijk dinsdag 8 september 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in overweging 4.26 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt aan de beslissing op het verzoek van de man tot wijziging van de zorgregeling;
inzake C/02/435754 / FA RK 25/2654:
verklaart de vrouw en de stiefvader niet ontvankelijk in hun verzoek.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025 door mr. Struijs, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.