RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/442150 / JE RK 25-2060
Datum uitspraak: 3 december 2025
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] ,
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
1. Het nadere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 november 2025, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken.
Op 3 december 2025 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader, via de telefoon bijgestaan door een tolk in de Hongaarse taal;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader en moeder.
De ouders en de minderjarigen hebben de Hongaarse nationaliteit.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij spoedbeschikking van 20 november 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 20 november 2025 en tot 4 december 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot herroeping van de spoedbeschikking van 20 november 2025 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van bovengenoemd verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen, met ingang van 4 december 2025 en tot 20 februari 2026.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Er zijn ernstige zorgen over de opvoedsituatie van de minderjarigen en het is niet gelukt om hen voldoende fysieke en emotionele veiligheid te bieden middels de inzet van ambulante spoedhulpverlening in het vrijwillig kader. Daarom heeft de Raad een voorlopige ondertoezichtstelling verzocht, om zo de benodigde hulpverlening toch op gang te krijgen. De Raad staat achter het hulpverleningstraject Kort & Krachtig dat de GI wil gaan inzetten. De ouders moeten deze hulpverlening gaan accepteren.
De moeder stemt niet in met het verzoek. Volgens de moeder zijn de minderjarigen helemaal veilig bij haar. Zij hebben het samen heel gezellig. Vanuit school zijn er ook geen zorgen over [minderjarige 1] gemeld. De moeder maakt zich wel zorgen over het gedrag van de vader richting de minderjarigen. Gisteren heeft de vader [minderjarige 1] bijvoorbeeld nog een harde klap gegeven. De vader vertoont dergelijk gedrag ook richting de moeder. Desgevraagd benoemt de moeder dat zij al meerdere keren een afspraak heeft gehad met de GI of de hulpverlening. Zij weet niet meer precies met wie dat was.
De vader stemt in met het verzoek. Wat er thuis gebeurt, is niet goed voor de minderjarigen. De vader maakt zich veel zorgen over het gedrag van de moeder richting de minderjarigen. Hij wil daarom zijn medewerking verlenen aan de hulpverlening en goede afspraken maken, zodat het thuis veilig wordt voor de minderjarigen.
De GI sluit zich aan bij de Raad. De forse zorgen zoals beschreven in de stukken van de Raad zijn nog actueel. Zo heeft de school van [minderjarige 1] vanochtend nog aangegeven dat het niet goed met [minderjarige 1] gaat. Zij slaapt in de klas, slaat andere kinderen omdat zij denkt dat dat normaal is en komt niet tot rust. Er moet dan ook spoedig zicht worden verkregen op de thuissituatie van de minderjarigen. Het is ook van groot belang dat de veiligheidsafspraken worden nagekomen. De moeder houdt zich daar tot op heden niet aan. Het is daarnaast erg lastig gebleken om een afspraak met de moeder in te plannen. Voor de komende tijd wil de GI het hulpverleningstraject Kort & Krachtig in de thuissituatie gaan inzetten. Daarvoor is de medewerking van beide ouders vereist.
5. De nadere beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het is de kinderrechter gebleken dat zowel de beide ouders als de beide minderjarigen de Hongaarse nationaliteit hebben. Gelet hierop draagt deze zaak een internationaal karakter. Dit maakt dat de kinderrechter eerst moet beoordelen of deze rechtbank rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek, alvorens de rechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de beide minderjarigen in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling
Bij spoedbeschikking van 20 november 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 20 november 2025 en tot 4 december 2025, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 3 december 2025 in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Naar aanleiding daarvan oordeelt de kinderrechter dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeslissing van 20 november 2025 met ingang van heden dient te worden herroepen. Daarom wordt de spoedbeslissing niet herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de resterende duur, met ingang van 4 december 2025 en tot 20 februari 2026. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd doordat er grote zorgen zijn over de opvoedomgeving waarin zij verblijven. De kinderrechter begrijpt dat de relatie tussen de ouders ernstig verstoord is geraakt. Er zijn thuis veel ruzies tussen de ouders in het bijzijn van de minderjarigen en beide ouders beschuldigen elkaar van het plegen van huiselijk geweld richting de ander. Ook zijn er diverse meldingen bij Veilig Thuis gedaan. Daarnaast is het de kinderrechter gebleken dat [minderjarige 2] niet goed groeit en dat [minderjarige 1] een ontwikkelingsachterstand heeft opgelopen en zich agressief gedraagt op school. Er zijn verder signalen dat de moeder de vader zijn rol als vader niet gunt. Tot slot zijn er zorgen over de mentale gezondheid van de moeder. Vanwege al deze zorgen werd het noodzakelijk geacht om veiligheidsafspraken te maken en is er ambulante spoedhulpverlening voor het gezin ingezet. De moeder heeft toen geweigerd om daaraan haar medewerking te verlenen. Deze houding van de moeder lijkt sinds de betrokkenheid van de GI nog niet dan wel onvoldoende te zijn veranderd. Ook hierover maakt de kinderrechter zich grote zorgen.
De kinderrechter vindt het vanwege al het voorgaande belangrijk dat de neutrale, professionele regievoerder betrokken blijft zodat er zicht wordt verkregen op de opvoedomgeving van de minderjarigen en op de minderjarigen zelf. De zorgen dienen verder in kaart te worden gebracht en er moet passende hulpverlening voor de minderjarigen en de ouders worden ingezet. Een verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling is dus noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor de minderjarigen weg te nemen. De voorlopige ondertoezichtstelling zal daarom worden verlengd tot 20 februari 2026. In de tussentijd kan de Raad verder onderzoek verrichten en aan de hand van de daarin verkregen informatie besluiten al dan niet een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 december 2025 en tot 20 februari 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.