RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Breda
Zaaknummer C/02/441185 / HA RK 25-245
beslissing van 2 december 2025 inzake het wrakingsverzoek van:
de heer [verzoeker] , verzoeker.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met zaaknummer 11750753 CV EXPL 25-2047;
- het door verzoeker op 24 oktober 2025 gedane wrakingsverzoek;
- het op 24 oktober 2025 ontvangen bericht van een van de gewraakte rechters waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust en haar verweerschrift.
De zaak is behandeld op de zitting van de wrakingskamer van 18 november 2025. Bij deze zitting was aanwezig mr. [voorletters 1] van ’t Nedereind.
Hoewel behoorlijk opgeroepen is verzoeker niet verschenen.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletters 2] Goossens in zijn hoedanigheid van politierechter, mr. [voorletters 1] van ’t Nedereind in haar hoedanigheid van kantonrechter, een gerechtsjurist en een senior administratief medewerker.
3. De beoordeling
Ten aanzien van de wraking van de gerechtsjurist en senior administratief medewerker
Op grond van de wet kunnen alleen rechters die bemoeienis hebben met de desbetreffende zaak worden gewraakt. Nu de genoemde medewerkers geen rechters zijn en daarom niet kunnen worden gewraakt, wordt het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen de daarin genoemde personen die geen rechter zijn.
Ten aanzien van de wraking van mr. [voorletters 2] Goossens
Het verzoek richt zich tot mr. [voorletters 2] Goossens in zijn hoedanigheid als politierechter. Uit de stukken in de hoofdzaak, waaronder de zittingsaantekeningen, blijkt dat sprake is geweest van een zitting bij deze rechter, waarna verzoeker bij verstek is veroordeeld.
Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt. Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de rechter in de hoofdzaak een einduitspraak heeft gedaan. Hieruit volgt dat de rechter de zaak niet meer behandelde op het moment dat het verzoek tot wraking is gedaan. Verzoeker is daarom
niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de rechter mr. Goossens.
Ten aanzien van de wraking van mr. Van ‘t Nedereind
Verzoeker voert, kort weergegeven, aan dat tijdens de zitting in de hoofdzaak op
23 oktober 2025 onvoldoende tijd is besteed aan waarheidsvinding. Ook stelt hij zich op het standpunt dat de rechter onevenwichtig veel vragen aan hem heeft gesteld, waardoor sprake is geweest van een ongelijke behandeling van partijen op de zitting.
De rechter heeft niet in de wraking berust en aangegeven dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Voorafgaand aan de zitting van 23 oktober 2025 heeft verzoeker aangegeven dat hij van mening was dat onvoldoende hoor en wederhoor was toegepast en dat hij onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om zijn kant van het verhaal te vertellen. Dit maakt dat aan verzoeker tijdens de zitting hiervoor uitgebreid de gelegenheid is gegeven, aan hem vragen zijn gesteld en is doorgevraagd om ervoor te zorgen dat alle belangrijke punten besproken werden en verzoeker de kans kreeg om gedetailleerd op de zaak te reageren. Ook aan de andere partij zijn (kritische) vragen gesteld. Volgens de rechter is de rechterlijke onpartijdigheid dan ook niet in het geding.
Op grond van artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
In de door verzoeker aangevoerde omstandigheden wordt geen aanwijzing gevonden dat de rechter bij de behandeling van de zaak niet onpartijdig was. In haar beoordeling betrekt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat de rechter juist aan verzoeker de ruimte en de tijd heeft gegeven om gedetailleerd op de zaak te reageren. De eisende partij in de hoofdzaak had namelijk het eigen standpunt reeds ingenomen in de schriftelijke stukken. De rechter heeft hiermee aan beide partijen gelijke kansen geboden.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.
4. De beslissing
De rechtbank
ten aanzien van de wraking gericht tegen de gerechtsjurist en senior administratief medewerker
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
ten aanzien van de wraking gericht tegen mr. [voorletters 2] Goossens
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
ten aanzien van de wraking gericht tegen mr. [voorletters 1] van ’t Nedereind
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer 11750753 CV EXPL 25-2047 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 2 december 2025 door mr. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Broeders en mr. Tempel, rechters, in aanwezigheid van mr. Hurkmans, griffier.
De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.