ECLI:NL:RBZWB:2025:8708

ECLI:NL:RBZWB:2025:8708, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-12-2025, 1180925 CV EXPL 25-4149

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer 1180925 CV EXPL 25-4149
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

In deze zaak gaat het om een zorgverzekeringsovereenkomst. Volgens eiseres heeft gedaagde de nota voor het eigen risico voor het jaar 2024 niet betaald. Gedaagde betwist de nota verschuldigd te zijn, nu eiseres kort voor ontvangst van die nota aan gedaagde heeft medegedeeld dat er geen betalingsachterstanden meer waren. De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van gedaagde niet slaagt, omdat de mededeling door eiseres is gedaan anderhalve maand voordat de nota voor het eigen risico aan gedaagde is verstuurd. Gedaagde kan daaraan dus geen rechten ontlenen voor wat betreft de later gestuurde nota. Daarom moet gedaagde de nota voor het eigen risico aan eiseres betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11850925 \ CV EXPL 25-4149

Vonnis van 3 december 2025

in de zaak van

CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

te Tilburg,

eisende partij,

hierna te noemen: CZ,

gemachtigde: GGN Brabant,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om een zorgverzekeringsovereenkomst. Volgens CZ heeft [gedaagde] de nota voor het eigen risico voor het jaar 2024 niet betaald. [gedaagde] betwist de nota verschuldigd te zijn, nu CZ kort voor ontvangst van die nota aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat er geen betalingsachterstanden meer waren. De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van [gedaagde] niet slaagt, omdat de mededeling door CZ is gedaan anderhalve maand voordat de nota voor het eigen risico aan [gedaagde] is verstuurd. [gedaagde] kan daaraan dus geen rechten ontlenen voor wat betreft de later gestuurde nota. Daarom moet [gedaagde] de nota voor het eigen risico aan CZ betalen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[gedaagde] heeft met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst heeft betrekking op de verplichte verzekering (het basispakket) en/of een aanvullende verzekering. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] een eigen risico en eigen bijdrage betalen voor zorg die aan haar is verleend.

Op 3 januari 2025 heeft [gedaagde] van CZ een brief ontvangen. Deze brief is een reactie op een klacht die [gedaagde] op 31 december 2024 heeft ingediend. In de brief van 3 januari 2025 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“Geachte mevrouw [gedaagde] ,

U stuurde op 31 december 2024 een klacht naar CZ. U heeft een brief van 12 december 2024 ontvangen over een premieachterstand van minimaal twee maanden. Dit verbaast u omdat u uw premies keurig heeft betaald. U wilt graag weten wat er openstaat en hoe CZ uw betalingen van € 25,- heeft verwerkt. Goed dat u hierover contact opneemt. U vindt het belangrijk om duidelijkheid te hebben en uw premies op tijd te betalen. In deze brief leg ik uit dat de brief van 12 december 2024 vervalt en bevestig ik dat u geen betalingsachterstand meer heeft.

Wat is de reden dat u de brief van 12 december 2024 ontving? Er stond nog premie open voor de maanden juni 2021, november 2023 en december 2023. Bij een premieachterstand van minimaal twee maanden stuurt CZ altijd een brief. Dit doet CZ om te voorkomen dat er extra kosten bij komen en dat u later mogelijk wordt aangemeld bij het CAK. Ook wil CZ laten weten dat u bij een premieachterstand niet mag veranderen van zorgverzekering.

(…)

Wat betekent dit voor u? Dit betekent dat u geen betalingsachterstanden meer heeft. Alleen de premie van januari 2025 van € 159,99 staat open. Ik stuur u hiervoor een nieuwe rekening.

(…)”

CZ heeft op 17 februari 2025 een nota gestuurd aan [gedaagde] waarbij een bedrag van € 357,12 aan eigen risico in rekening is gebracht, naar aanleiding van een door de tandarts bij CZ ingediende rekening van een behandeling die [gedaagde] heeft ondergaan op 16 december 2024

[gedaagde] heeft deze nota niet betaald.

4. Het geschil

CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 357,12, vermeerderd met rente en kosten.

CZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] uit hoofde van de gesloten zorgverzekeringsovereenkomst gehouden is een bedrag van € 357,12 aan eigen risico te betalen. CZ heeft [gedaagde] hiervoor op 17 februari 2025 een nota gestuurd. Deze nota is door [gedaagde] niet betaald. CZ heeft [gedaagde] meermaals gesommeerd om tot betaling over te gaan. Dit heeft niet geleid tot betaling door [gedaagde] , waardoor zij ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aan CZ dient te betalen.

[gedaagde] voert verweer. Zij betwist nog enig bedrag verschuldigd te zijn aan CZ. De vordering is volgens [gedaagde] onterecht, nu zij eerder bezwaar heeft gemaakt bij CZ. Dit bezwaar is gegrond verklaard en in de beslissing van CZ staat expliciet vermeld dat [gedaagde] vanaf januari 2025 geen achterstand of openstaande rekeningen meer heeft. Dit is [gedaagde] per brief van 3 januari 2025 meegedeeld. De kosten waarop de vordering betrekking heeft, zijn op 16 december 2024 al gedeclareerd bij CZ door de tandarts van [gedaagde] . Daarbij stelt [gedaagde] dat zij in haar bezwaar van 3 januari 2025 deze vordering al had meegenomen. De kantonrechter leidt uit deze stelling af dat [gedaagde] bedoelt te stellen dat het bezwaar van [gedaagde] mede ziet op het eigen risico voor 2024 en dat de beslissing van CZ mede daarop ziet.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Het gaat hier om de vraag of [gedaagde] gehouden is het bedrag van € 357,12 te betalen. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij een overeenkomst heeft met CZ. Zij betwist echter het bedrag van € 357,12 verschuldigd te zijn. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

CZ vordert betaling van de nota van 17 februari 2025 voor het eigen risico. Dat CZ per brief van 3 januari 2025 aan [gedaagde] heeft meegedeeld dat er geen betalingsachterstanden meer zijn, heeft niet tot gevolg dat [gedaagde] de nota van 17 februari 2025 niet meer hoeft te betalen. De kantonrechter is met CZ van oordeel dat de brief van 3 januari 2025 betrekking op de premieachterstand tot en met december 2024. De nota waarop de vordering is gebaseerd, dateert echter van 17 februari 2025 en heeft betrekking op het te betalen eigen risico.

Dat deze nota ziet op zorg die is verricht in december 2024, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de tandarts de betreffende nota al in december 2024 bij CZ heeft gedeclareerd en dat haar bezwaar ook op die nota zag. Volgens CZ worden nota’s van zorgverleners vaak pas maanden later bij CZ ingediend. De kantonrechter kan niet vaststellen dat het bezwaar van [gedaagde] ook zag op de nota van de tandarts. Dat blijkt in ieder geval niet uit de brief van CZ van 3 januari 2025. [gedaagde] heeft dit verder ook niet onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter stelt CZ zich terecht op het standpunt dat [gedaagde] aan de brief van 3 januari 2025 geen rechten kan ontlenen met betrekking tot de onderhavige vordering.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] de nota moet betalen en dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen.

CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De aanmaning voldoet aan de daaraan in de wet gestelde eisen en het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom toegewezen.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

145,45

- griffierecht

135,00

- salaris gemachtigde

164,00

(2 punten × € 82,00)

- nakosten

41,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

485,45

6. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 417,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 357,12, vanaf 11 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 485,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?