ECLI:NL:RBZWB:2025:8717

ECLI:NL:RBZWB:2025:8717, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-11-2025, C/02/ 440499 KG ZA 25-508

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 25-11-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer C/02/ 440499 KG ZA 25-508
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

De in Duitsland woonachtige man vordert nakoming van de vastgestelde zorgregeling. De vrouw voert verweer en vordert de zorgregeling te schorsen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/ 440499 KG ZA 25-508

Vonnis in kort geding van 25 november 2025

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats 1] ([geboorteland]),

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. S.C. van Heerd te Venlo,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. Q. van Mossevelde te Terneuzen.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

- de door mr. van Heerd ingediende productie d.d. 11 november 2025.

- de mondelinge behandeling op 11 november 2025.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. De man werd voorts bijgestaan door een tolk in de Duitse taal. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster namens de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2017.

De man heeft de minderjarige erkend. Bij beschikking (Beschluss) van het Amtsgericht [woonplaats 1] van 11 mei 2022 werd bepaald dat de man mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt belast. Van deze beslissing is nooit aantekening gemaakt in het gezagregister in Nederland.

Partijen hebben afspraken gemaakt over het hoofdverblijf van [minderjarige] en de zorgregeling. Deze afspraken zijn opgenomen in het proces-verbaal van het Amtsgericht [woonplaats 1] van 10 mei 2022.

3. Het geschil in conventie en reconventie

De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de vrouw te veroordelen tot nakoming van de bij proces-verbaal van het Amtsgericht [woonplaats 1] van 10 mei 2022 overeengekomen en vastgestelde zorg- en contactregeling – inhoudende dat [minderjarige] een weekend per 14 dagen (in de oneven weekenden) van vrijdag na school tot zondagavond omgang zal hebben met de man, waarvan maximaal 1 weekend per maand in [woonplaats 1], alsmede gedurende de eerste helft van de Nederlandse schoolvakanties, dit op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat de vrouw binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis nalaat aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;

met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.

In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de zorgregeling in de beschikking van het Amtsgericht [woonplaats 1] van 11 mei 2022 te schorsen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

In conventie en reconventie

De voorzieningenrechter ziet gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie aanleiding deze hieronder gezamenlijk te behandelen.

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter is van oordeel dat partijen voldoende spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen. Dit, overigens door partijen onbestreden, spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de wederzijdse vorderingen, die alle betrekking hebben op de nakoming/schorsing van een overeengekomen zorgregeling.

Inhoudelijk

Tussen partijen is niet in geschil dat zij afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige], welke afspraken zijn opgenomen in een proces-verbaal van het Amtsgericht [woonplaats 1] van 10 mei 2022. Ingevolge deze afspraken heeft de man recht op omgang met [minderjarige] gedurende:

De eerste helft van de Nederlandse schoolvakanties.

Een weekend per veertien dagen (in de oneven weekenden), waarbij er maximaal een weekend in [woonplaats 1] omgang zal plaatsvinden en een weekend in de omgeving van de woonplaats van de vrouw. Daarbij zal aan de hand van de treinverbindingen worden besproken of de omgang van vrijdag tot en met zondag of van zaterdag tot en met zondag zal plaatsvinden.

Als door de man gesteld en door de vrouw niet betwist, staat vast dat de omgang, volgens deze regeling, feitelijk zou moeten plaatsvinden om het weekend in de oneven weken, afwisselend in de omgeving van de vrouw of [woonplaats 1], waarbij de omgang begint op vrijdag en eindigt op zondag, en waarbij de man zorgt voor het halen en brengen van [minderjarige]. Vaststaat verder dat de man sinds de herfstvakantie, omstreeks 18 oktober j.l., geen fysiek contact meer heeft gehad met [minderjarige] en dat op 2 november j.l. het laatste contact via beeldbellen heeft plaatsgevonden.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van de vordering van de man, die betrekking heeft op de nakoming van genoemde zorgregeling tussen hem en [minderjarige], tot uitgangspunt strekt dat de tussen partijen overeengekomen zorgregeling moet worden nagekomen. Dit kan pas anders zijn, indien sprake is van zodanig zwaarwegende omstandigheden in verband met de belangen van [minderjarige] dat nakoming van de zorgregeling in redelijkheid niet kan worden gevergd.

De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de man sinds mei 2022 nagenoeg geen uitvoering heeft gegeven aan de overeengekomen zorgregeling en dat omgang in [woonplaats 1] helemaal niet heeft plaatsgevonden. Hierdoor is de vrouw in de oneven weekenden zelf afspraken met [minderjarige] gaan maken. De vrouw achtte het vervolgens niet in het belang van [minderjarige] om deze afspraken telkens te wijzigen als de man dan enkele dagen voor het oneven weekend aangaf toch omgang met [minderjarige] te willen. Dat de man de zorgregeling vaker niet dan wel nakomt, leidt volgens de vrouw tot onrust bij [minderjarige], hetgeen niet in zijn belang is. In dit verband heeft de vrouw aangevoerd dat [minderjarige] sinds 2023 ondersteuning krijgt in de vorm van psychomotorische therapie bij [hulpverlening]. [minderjarige] is gediagnosticeerd met autisme en derhalve sterk gebaat is bij duidelijkheid, voorspelbaarheid en een vaste structuur in zijn leven. De vrouw heeft verder gesteld dat de opvoedsituaties bij partijen aanzienlijk verschillen. Volgens de vrouw staat de man toe dat [minderjarige] tot laat in de nacht opblijft, films kijkt die ongeschikt zijn voor zijn leeftijd en onbeperkt op zijn Nintendo mag spelen. Verder zou [minderjarige] vaak van slag en vermoeid zijn na een weekend met de man, scheldwoorden gebruiken, zorgelijk gedrag vertonen en naar cannabis ruiken. De man zou daarnaast tegen [minderjarige] negatief over de vrouw praten en zo [minderjarige] beïnvloeden. De vrouw heeft tot slot een verklaring van haar partner overgelegd.

De man heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat juist de vrouw met grote regelmaat en zonder enige reden de omgang tussen hem en [minderjarige] weigert. Volgens de man komt het heel incidenteel voor dat hij niet tijdig beschikt over de financiële middelen om naar Zeeland te reizen, waarvoor hij bijzondere bijstand moet aanvragen in Duitsland, waardoor de omgang niet kan doorgaan. Omgang heeft ook in [woonplaats 1] plaatsgevonden. Ook wordt de man door de vrouw met enige regelmaat voor kortere of langere tijd geblokkeerd zodat het voor de man niet mogelijk is om telefonisch contact op te nemen met de vrouw of berichten te versturen. Daarnaast staat de vrouw het veelal niet toe dat de man telefonisch contact heeft met [minderjarige] of dat hij met hem kan beeldbellen. De man heeft verder de door de vrouw gestelde gang van zaken omtrent het laat opblijven, films kijken en onbeperkt op Nintendo spelen, betwist. De man gebruikt weliswaar cannabis, maar nimmer in het bijzijn van [minderjarige]. De man betwist verder het door de vrouw geschetste beeld van hem als kwade genius die [minderjarige] zou beïnvloeden. De man heeft verder aangevoerd niet op de hoogte te zijn van de diagnose autisme bij [minderjarige]. De verklaring van de partner is gebaseerd op verhalen van de vrouw en heeft daarom geen enkele waarde, aldus nog steeds de man.

De Raad heeft ter zitting opgemerkt dat sprake is van een zorgelijke situatie voor de minderjarige. Deze zorgen komen ook terug in de informatie van [hulpverlening]. Uit deze informatie volgt dat sprake is van een gevoelige, kwetsbare jongen die behoefte heeft aan duidelijkheid en voorspelbaarheid, en zeker niet aan de situatie zoals die nu is tussen ouders. Tussen ouders is volgens de Raad sprake van een verstoorde communicatie en wantrouwen. [minderjarige] zit klem tussen zijn ouders. Zeker voor een gevoelige jongen is dat heel erg moeilijk. Gelet op deze zorgelijke situatie biedt de Raad aan onderzoek te willen doen ten behoeve van de bodemprocedure. In dit raadsonderzoek zal zorgvuldig moeten worden gekeken wat in zijn belang is en wat haalbaar is voor partijen, aldus de Raad. De Raad roept partijen op om in dit kort geding afspraken te maken die voor beide partijen haalbaar zijn. Mocht dit niet mogelijk zijn dan adviseert de Raad een voorlopige zorgregeling van een weekend per maand, omdat dit enerzijds financieel meer haalbaar is voor de man en anderzijds op deze wijze de hechtingsrelatie wordt onderhouden. De omgang dient dan in Nederland plaats te vinden. De videobelcontacten kunnen hervat worden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de standpunten van partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. Uit de processtukken, maar zeker ook uit de behandeling van de zaak ter zitting, blijkt dat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord en dat de ouderrelatie wordt gekenmerkt door achterdocht, wantrouwen en beschuldigingen. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze situatie voor [minderjarige] onwenselijk is. Uit de overgelegde informatie van [hulpverlening] volgt dat [minderjarige] een gevoelige jongen is met een autismespectrumstoornis. Vaststaat dat [minderjarige], daar zijn partijen het dan wel over eens, behoefte heeft aan duidelijkheid en voorspelbaarheid. Met de Raad acht de voorzieningenrechter het zeer wel aannemelijk dat [minderjarige] klem zit tussen beide ouders. Ook uit de informatie van [hulpverlening] volgt dat sprake is van “signalen richting een mogelijk loyaliteitsconflict, omdat [minderjarige] tussen zijn ouders zit.”. Een raadsonderzoek ten behoeve van de bodemprocedure, zoals door de Raad aangeboden, acht de voorzieningenrechter dan ook geboden.

De voorzieningenrechter heeft mede naar aanleiding van het advies van de Raad beproefd of partijen voorlopig afspraken konden maken over de omgang van [minderjarige] die enerzijds in zijn belang zijn en anderzijds voor partijen -emotioneel en financieel- haalbaar zijn. Partijen zijn hiertoe niet in staat gebleken. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de standpunten van partijen dient te beoordelen aan de hiervoor in rov. 4.4 genoemde maatstaf, namelijk of al dan niet sprake is van zodanig zwaarwegende omstandigheden in verband met de belangen van [minderjarige] dat nakoming van de zorgregeling in redelijkheid niet kan worden gevergd.

Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat hetgeen de vrouw heeft gesteld omtrent het niet nakomen van de overeengekomen zorgregeling door de man, niet kan dienen als onderbouwing van dergelijke zwaarwegende omstandigheden. Het door de vrouw gestelde niet nakomen van de regeling door de man is door de man gemotiveerd bestreden en door de vrouw onvoldoende onderbouwd, zodat voorshands niet van de juistheid van deze stelling kan worden uitgegaan. Hetzelfde geldt met betrekking tot de door de vrouw gestelde opvoedsituatie bij de man. Ook deze stellingen zijn door de man gemotiveerd bestreden en door de vrouw niet nader onderbouwd. Ook overigens is de voorzieningenrechter voorshands niet gebleken dat de man niet in staat zou zijn om een veilige en voorspelbare opvoedsituatie voor [minderjarige] te creëren. Dat beide opvoedsituaties verschillen is daartoe op zichzelf onvoldoende. Voor zover de vrouw met haar stelling dat [minderjarige] vaak van slag en vermoeid zou zijn na een weekend met de man, en “zorgelijk” gedrag zou vertonen, heeft beoogd aan te voeren dat de overeengekomen zorgregeling niet (langer) geschikt is voor [minderjarige], vergt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek (door de Raad) waarvoor in de onderhavige kort geding procedure geen plaats is. Daarbij is niet uitgesloten dat het gedrag van [minderjarige] mede zal zijn ingegeven door de positie waarin hij zich bevindt, namelijk tussen twee ruziënde ouders.

De voorzieningenrechter is al met al dan ook van oordeel dat er onvoldoende zwaarwegende omstandigheden zijn als hiervoor bedoeld om, zoals de vrouw wenst, de overeengekomen zorgregeling te schorsen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat, zoals ook de Raad heeft opgemerkt, contact tussen de man en [minderjarige] in het belang is van [minderjarige] voor, onder meer, de onderlinge hechtingsrelatie, zodat ook hierom schorsing van de zorgregeling niet in het belang is van de minderjarige. De vordering van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.

Anderzijds is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverkorte nakoming van de overeengekomen zorgregeling evenmin in het belang van [minderjarige] is. Daargelaten aan wie of waaraan dit te wijten is, volgt uit de stellingen van beide partijen dat de in 2022 overeengekomen regeling vrijwel niet is uitgevoerd als overeengekomen. De vrouw spreekt van slechts 10 keer, terwijl de man opmerkt dat de overeengekomen regeling “met grote regelmaat” niet is uitgevoerd. Dit laatste blijkt ook uit de door hem overgelegde productie 5, waaruit lijkt te volgen dat vanaf september 2023 er vaak slechts eenmaal per maand contact was tussen de man en [minderjarige]. Verder volgt uit de stellingen van de man dat de regeling in 2025 in meerdere perioden helemaal niet is nagekomen en vanaf omstreeks 18 oktober j.l. volledig is gestopt. Daarnaast is de voorzieningenrechter uit de niet nader onderbouwde stellingen van partijen onvoldoende duidelijk geworden of en hoe vaak de reguliere omgang tussen de man en [minderjarige], derhalve tijdens het weekend en niet in de vakanties, heeft plaatsgevonden in [woonplaats 1]; volgens de vrouw is dit nimmer gebeurd, de man heeft zich hierover niet eenduidig uitgelaten.

In deze onduidelijkheid over de wijze waarop de zorgregeling in het verleden al dan niet is uitgevoerd, waarbij dus wel voldoende aannemelijk is geworden dat de regeling vrijwel niet is uitgevoerd als overeengekomen, in samenhang met de kindeigen problematiek van [minderjarige], zijn behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid, alsmede zijn positie tussen beide ouders in, ziet de voorzieningenrechter zodanige zwaarwegende omstandigheden in verband met de belangen van [minderjarige] dat de zorgregeling moet worden gewijzigd. Deze omstandigheden brengen immers mee dat het voor de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende duidelijk is of de overeengekomen regeling voor [minderjarige] wel haalbaar, althans in diens belang is.

Anders dan de Raad ziet de voorzieningenrechter onvoldoende reden om de omgang tussen de man en [minderjarige] te beperken tot een weekend per maand. Wel is de voorzieningenrechter met de Raad van oordeel dat de (reguliere) omgang tussen de man en [minderjarige] in de oneven weekenden voorlopig in Nederland zal dienen plaats te vinden en niet in [woonplaats 1]. De voorzieningenrechter heeft begrepen dat de man in het oneven weekend dat de omgang plaatsvindt in Nederland, accommodatie boekt in de omgeving van de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat hij mogelijk ook bijzondere bijstand zal kunnen krijgen voor accommodatie voor een tweede weekend. Tegen deze achtergrond zal de voorzieningenrechter de navolgende voorlopige zorgregeling vaststellen. De voorzieningenrechter zal daarbij tevens de tijdstippen van het contact bepalen, nu partijen ook hierover ruziën.

De voorzieningenrechter zal aldus bepalen dat de man voorlopig, namelijk totdat in de inmiddels aanhangige bodemprocedure is beslist, recht heeft op omgang met [minderjarige] gedurende een weekend per veertien dagen (in de oneven weekenden) in de omgeving van de woonplaats van de vrouw, waarbij de omgang begint op vrijdag 15.00 uur en eindigt op zondag 17.00 uur, en voorts gedurende de eerste helft van de Nederlandse schoolvakanties.

Dwangsom

De voorzieningenrechter zal het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de zorgregeling moet nakomen op straffe van een dwangsom, afwijzen.

De voorzieningenrechter acht het opleggen van een dwangsom op dit moment niet aangewezen, en ook niet in het belang van [minderjarige]. Met deze uitspraak van de voorzieningenrechter ontstaat hopelijk voor partijen en voor [minderjarige] duidelijkheid en zekerheid over de zorgregeling, waardoor rust ontstaat tussen partijen. Een dwangsom zou hierop een negatief effect kunnen hebben, hetgeen niet in het belang is van [minderjarige]. Dat neemt niet weg dat op de vrouw, maar ook op de man, een grote verantwoordelijkheid rust om de zorgregeling in het belang van [minderjarige] stipt na te komen. De voorzieningenrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat de vrouw, maar ook de man, deze verantwoordelijkheid zullen nemen.

Opdracht aan de Raad

De voorzieningenrechter verzoekt de Raad, locatie Middelburg, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vraag:

- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?

De rapportage van de raad moet worden ingediend ten behoeve van de aanhangig gemaakte bodemprocedure (C/02/441918 FA RK 25-5872).

Proceskosten

Uitgangspunt in familiezaken is dat, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in de stellingen van partijen over en weer geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Een proceskostenveroordeling zou de verstandhouding tussen partijen ook verder verslechteren, hetgeen niet in het belang van de minderjarige is. De vorderingen van partijen zullen dan ook worden afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De voorzieningenrechter zal de beslissing omtrent de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing direct in werking treedt ondanks een eventueel hoger beroep daartegen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige], geboren te [woonplaats 1] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2017 in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende een weekend per veertien dagen (in de oneven weekenden) in de omgeving van de woonplaats van de vrouw, waarbij de omgang begint op vrijdag 15.00 uur en eindigt op zondag 17.00 uur, en voorts de eerste helft van de Nederlandse schoolvakanties;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemproceduresmet zaak-/rekestnummer C/02/441918 FA RK 25-5872 een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven vermelde vraag, welk rapport vóór 24 februari 2026 dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025 in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Oude Weernink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?